Artikel 59
1. Naar de generale synode zal elke particuliere synode twee dienaren des Woords, twee ouderlingen en een diaken afvaardigen.
2. De hoogleraren van de Theologische Hogeschool en van de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit zullen, overeenkomstig de door de generale synode vastgestelde bepalingen, zitting hebben als praeadviserende leden.

 

Samenstelling van de generale synode

Wat de samenstelling betreft van de generale synode, waarover dit artikel handelt, is er een bepaalde overeenstemming met wat de oude kerkorde bepaalt. Nog altijd worden er twee dienaren des Woords en twee ouderlingen afgevaardigd door de respectieve particuliere synoden. Er komt echter een aanvulling bij in verband met de ruimere plaats, welke men aan de diakenen heeft toegekend in de regering van de kerk. De kerkorde beperkt hun aantal tot één uit elke particuliere synode.

Deze wijze van afvaardiging uit en door de particuliere synoden is de onder ons gebruikelijke. Zij is evenwel niet de enig mogelijke. Ik vestig daarop de aandacht, omdat aan de bestaande wijze van afvaardiging bezwaren zijn verbonden, die in de laatste tijd nog wel eens zijn te berde gebracht. De particuliere synoden vaardigen namelijk elk een gelijk aantal ambtsdragers af, hoewel zij een ongelijk aantal kerken tellen en vooral het ledental van

|218|

de tot haar behorende kerken soms in sterke mate uiteenloopt. Sommigen hebben niet geheel ten onrechte op de onbillijkheid van een dergelijke toestand gewezen. Natuurlijk zou het niet juist zijn hier, zoals het op politiek gebied gebeurt, te willen streven naar een evenredige vertegenwoordiging. Dan geraakt men in het klimaat van de groepering in partijen, welke elk haar rechtmatig aandeel in de macht voor zich opeisen. Op een dergelijke manier moet men nooit de vertegenwoordiging van de kerken in de meerdere vergaderingen gaan beschouwen.

Maar ook als men een gedachte van die aard uitschakelt, blijven er toch nog incongruenties in de afvaardiging, die moeten opvallen. Men kan de oplossing trachten te zoeken in de splitsing van enkele daarvoor in aanmerking komende particuliere synoden. Ongetwijfeld wordt op die manier de bedoelde plooi in de afvaardiging enigermate gladgestreken. Maar niet steeds blijkt de situatie zich voor een dergelijke splitsing te lenen. Ook kan men denken aan een ongelijke afvaardiging door de respectieve particuliere synoden, waarbij rekening is gehouden met het verschil in omvang en sterkte der ressorten. Het is echter niet gemakkelijk dan tot een zodanige verdeling te komen, waardoor het rechtsgevoel wordt bevredigd en men tegelijk recht doet aan de organische opbouw van het kerkelijk rechtsbestel. Voor mijn besef is het dan altijd nog een meer gezonde en aanvaardbare regeling, wanneer de afvaardiging zou geschieden uit en door de respectieve classisvergaderingen. Elke classis zou dan één ambtsdrager moeten verkiezen, hetzij een dienaar des Woords, hetzij een ouderling, hetzij een diaken. Een en ander zou dienen te gebeuren naar een rooster, waarbij er op kan worden gelet dat het aantal der diakenen de helft minder is dan dat der ouderlingen en der dienaren des Woords, en dat de aanwijzing uit de groep van ambtsdragers wisselt naar toerbeurt. De gekozen ambtsdragers zouden dan moeten gelden als vertegenwoordigers van de desbetreffende particuliere synoden. Ook tegen dit systeem zijn bezwaren in te brengen, maar het valt niet te ontkennen dat daarin op duidelijke wijze het vertegenwoordigende karakter wordt gedemonstreerd.

Hoe het zijn moge, met het vorenstaande meen ik voldoende te hebben uiteengezet dat de bestaande regeling van de afvaardiging naar de generale synode niet als de enig-mogelijke of als de beste behoeft te worden aangemerkt. Wel is het zo, dat zij onder ons nu eenmaal ingang heeft gevonden en men niet gemakkelijk er toe zal overgaan met haar te breken.

In het tweede lid komt de plaats van de hoogleraren ter synode aan de orde. Want ook zij maken in een bepaalde zin deel uit van de generale synode. In de oude kerkorde staat dienomtrent niets bepaald. Toch wil dit niet zeggen, dat de herziene kerkorde in het bedoelde opzicht iets geheel nieuws zou hebben ingevoerd. Er heeft zich allengs een traditie gevormd, ten aanzien waarvan men van mening kan verschillen, of zij aanbeveling dan wel bestrijding verdient. Het zal geen verschil ontmoeten, wanneer wij zeggen dat zij niet met een beroep op de Heilige Schrift kan worden uitgemaakt,

|219|

in welke zin dan ook. De hiermede aanhangig gemaakte kwestie zal op haar eigen merites moeten beoordeeld worden in het licht van het belang der kerk dat er al dan niet mede wordt gediend. Het gaat hier niet over hoogleraren in het algemeen, zelfs niet over theologische hoogleraren zonder meer. Gesteld dat er aan een rijksuniversiteit in Nederland een gereformeerde hoogleraar was in de theologie — iets wat in feite is voorgekomen —, dan zou hij daarmee nog geen enkel recht ontvangen om zitting te krijgen in de generale synode. Dit recht is voorbehouden aan die hoogleraren in de theologie, die in een officiële relatie staan tot de Gereformeerde kerken en betrokken zijn bij de opleiding van haar aanstaande predikanten. Het betreft uitsluitend de hoogleraren van de Theologische Hogeschool en van de Faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit. Vandaar dat deze instellingen hier uitdrukkelijk worden vermeld.

Het is goed er op te letten, dat de bedoelde hoogleraren in de synode zitting hebben alleen als praeadviserende leden. Het stemrecht komt hun niet toe. In dat opzicht verschillen zij van de afgevaardigde ambtsdragers der particuliere synoden, die alleen het recht van beslissing hebben. In vroeger tijd is men in dat opzicht wel verder gegaan. Sommige synoden hebben aan de hoogleraren het volle stemrecht verleend. Het bekendste voorbeeld daarvan is de synode van Dordrecht (1618), waar zo belangrijke beslissingen zijn gevallen over de leer van de kerk. Wanneer men dit feitelijk gegeven in aanmerking neemt, kunnen er moeilijk gegronde bezwaren bestaan tegen de huidige regeling, volgens welke de hoogleraren alleen een praeadviserende stem mogen uitbrengen. Het is ook juister, dat hun deze positie is gegeven en dat zij niet met de afgevaardigden van de kerken op één lijn zijn gesteld.

Aan de andere kant is het belang van de kerken er mede gediend, dat zij aan de zittingen der synode deelnemen en ook bij haar voorbereidende arbeid worden betrokken. In dat opzicht heersen er soms merkwaardige voorstellingen. Het is volstrekt niet zo, dat de hoogleraren zich zouden verdringen om maar ter synode aanwezig te mogen zijn en er hun invloed te kunnen oefenen. Het is integendeel zo, dat zij door de verplichting om aan de synodale arbeid mede te doen, hun taak zien verzwaard en op allerlei wijze beslag vinden gelegd op hun tijd. Het zijn juist overwegingen van dergelijke aard geweest, die er toe hebben geleid dat zij zelf er op hebben aangedrongen de bedoelde verplichting in te perken. Heeft de synode van Zwolle (1946) nog te kennen gegeven, dat alle hoogleraren zouden worden uitgenodigd voor het verlenen van hun medewerking en voor het deelnemen aan de synodale zittingen, naderhand is men op hun eigen dringend verzoek daarvan teruggekomen. De regeling is nu van die aard, dat slechts een beperkt aantal der hoogleraren regelmatig hun medewerking behoeft te verlenen en dat slechts enkelen de publieke zittingen der synode moeten bijwonen. Voor dit doel zijn enkele bepalingen opgemaakt en vastgesteld, die zo nodig naar omstandigheden kunnen worden gewijzigd. Zij hebben betrekking op de uitvoering van de algemene regel, die inhoudt het recht om als

|220|

praeadviserende leden zitting te hebben in de generale synode.

Het zou vreemd zijn, als de kerken niet profijt trokken van de voor haar bestaande gelegenheid deskundige adviezen te ontvangen van haar eigen hoogleraren in de theologie. Nu heeft men wel eens de constructie gemaakt, dat die adviezen alleen gegeven mochten worden, nadat de synode er uitdrukkelijk en op concrete punten om gevraagd had. Het is ongetwijfeld mogelijk de kwestie op die manier te stellen. Maar men redeneert dan buiten de praktijk om en rekent te weinig met de organische structuur van het werken in de synode. De hoogleraren moeten er bij zijn, in staat gesteld zijn in de vraagstukken geheel mee te leven, zullen zij tijdig en ter zake hun adviezen kunnen geven.


Nauta, D. (1971)


COMMENTAAR OP
Kerkorde GKN (1971) Art. 59