Art. 38a, 39.

Welverstaande, dat in de plaatsen, waar de kerkeraad voor het eerst of opnieuw is op te richten, ’tzelve niet geschiede, dan met advies van de classe.

Plaatsen, waar nog geen kerkeraad zijn kan, zullen door de classe onder de zorg van een genabuurde kerkeraad gesteld worden.

De gezamenlijke kerken in een ressort zijn geroepen om in de plaatsen in hun omgeving te arbeiden tot het vergaderen van gelovigen.

“De dienaren en ouderlingen der classen die onder ’t kruis zijn, zullen in alle steden en dorpen welke onder hun classen of daaromtrent gelegen zijn, naarstig onderzoek doen naar degenen die tot de zuivere godsdienst genegen zijn, om hen tot hun plicht aan te sporen. Derhalve zullen zij zich beijveren om kerken of tenminste beginselen van kerken te vergaderen.
En om dit te beter ten uitvoer te brengen, zullen die classen de naburige steden en dorpen onderling verdelen, opdat niets verzuimd worde” (Emden 1571).

|152|

De ambtelijke bearbeiding van die plaatsen, die vroeger rechtstreeks van de classicale vergaderingen uitging, wordt thans terecht aan een genabuurde kerkeraad opgedragen.
Dit komt neer op de samenvoeging van plaatsen onder één kerkeraad.

“Er is eenstemmig door de synode geadviseerd, dat alle dienaren die vanwege het geringe aantal ledematen geen aparte kerkeraad kunnen hebben, alle mogelijke vlijt zullen aanwenden om òf door middel van bijvoeging bij een grotere kerk òf door samenvoeging van twee of drie kleine dorpen hun gemeente onder een kerkeraad te besluiten” (Sneek 1607).

“De samenvoeging van dorpen onder een kerkeraad zal geschieden bij advies van hun classe. En waar de dorpen onder verschillende classen behoren, zal zulks geschieden met advies van beide classen” (Bolsward 1608).

“Zeer zwakke kerken, waar alle zelfstandige formatie nog ondoenlijk is, worden door de classis gesteld onder de zorg van een genabuurde kerk, terwijl zij toch zo mogelijk één ouderling en één diaken hebben” (Utrecht 1888).

“Zolang in enige nabij elkander liggende plaatsen het getal der belijders in elk dier plaatsen nog niet sterk genoeg is om plaatselijk eigen diensten in te stellen, kunnen zij onder eenzelfde kerkeraad blijven of gebracht worden, mits de inwoners van elk dier plaatsen afzonderlijk worden geboekt, en dan natuurlijk als leden met vollen rechte” (Besluit in zake de Vereniging — Amsterdam 1892).

“Alle plaatsen, waarin onze kerken nog geen aansluiting konden vinden, of waar slechts een enkele belijder woont, worden door de classe, in wier ressort zij liggen, onder de zorgen van een der meest nabij gelegen kerken gebracht, met opdracht om de geestelijke belangen dier plaats te behartigen, en om, zo God deze arbeid zegent, en de mogelijkheid ontstaat om er tot instelling van de diensten over te gaan, de zaak op de eerstkomende classicale vergadering te brengen” (Besluit in zake de Vereniging — Amsterdam 1892).

Tot zelfstandige instituering der kerk op de bijgevoegde plaats worde met advies der classis

|153|

overgegaan, „zodra een genoegzaam aantal gelovigen aanwezig is, die tot kerkformatie willen komen, en onder hen gevonden worden, die voor de diensten enige gaven hebben ontvangen” (Zendingsorde art. 19).

“De synode stelt het ... (volgende) concept vast als leiddraad voor de instituering van kerken op Java:
a. Dat onder „het genoegzaam aantal gelovigen”, in art. 19 genoemd, ten minste een twaalftal broederen worde gevonden.
Het is zeker waar, dat zeer moeilijk te zeggen valt, hoeveel gelovigen er wezen moeten, als men ergens tot kerkformatie zal overgaan... Bij het aantal hangt het voor een zeer groot deel af van de geestelijke gaven der gelovigen die ergens ter plaatse zijn, en hangt het er ook van af, hoeveel broeders onder hen gevonden worden; toch meenden uw deputaten, om enige grens aan te duiden, te moeten stellen, dat er minstens twaalf broeders aanwezig moesten zijn, van wie enkelen enige gaven voor de diensten blijken te hebben ontvangen.
b. Voorts worde er op gelet, of die gelovigen behoren tot de eigenlijke dessabevolking dan of ze als vreemdelingen in vroeger of later tijd van elders zijn ingekomen. In het laatste geval ga men niet dan zeer omzichtig tot kerkformatie over.
c. Eindelijk mag er wel op gelet worden, of de gelovigen ver van elkander wonen, dan wel niet al te verspreid zijn, zodat zij een zekere bij elkander wonende kring vormen; aangezien, als het eerste het geval mocht zijn, de instelling van de diensten, naar het oordeel uwer deputaten, ook eer vertraagd dan verhaast moet worden” (Utrecht 1905).

De instituering zal geschieden ten overstaan van een vertegenwoordiger van de classis.

“Is gearresteerd, dat wanneer enige broederen ouderlingen en diakenen tot opbouwing van de kerk van Christus op de plaatsen, waar nooit enige geweest zijn, zullen verkiezen, ’t zelve ten overstaan der visitatoren of deputaten zullen doen” (Classis Nijmegen, Juli 1619).

“De classe, die ... in dezen tot handelen geroepen wordt, zal alsdan een consulent voor zulk een plaats aanwijzen, of desnoods van een naburige classe vragen, zich daarbij richtende naar de wensen van de belijders te dier plaatse …
De aldus aangewezen consulent zal, naar de regelen der Dordtse Kerkenordening, de belijders te dier plaatse

|154|

leiden bij de instelling van ambten en diensten, mits zonder overhaasting en met de nodige omzichtigheid” (Besluit in zake de Vereniging — Amsterdam 1892).

Hulp bij reformatie van een gedeformeerde kerk wordt verleend door een door de classe daartoe gedeputeerde naburige kerk.

“Uitgesproken werd, dat de gelovigen uit nog niet ontkomen kerken, die der reformatie genegen zijn, door de classikale vergaderingen in de gelegenheid kunnen gesteld worden, in haar midden te verschijnen, om het advies der classes aangaande de belangen hunner kerken te vernemen, en haar hulp in te roepen” (Rotterdam 1887).

“Ten aanzien van gelovigen in kerken wier kerkeraden nog onder de synodale reglementen blijven leven en de voorziening in hun behoefte aan de bediening des woords en der sacramenten, meent uw commissie te moeten vooropstellen, dat deze broeders en zusters beginnen moeten met zich tot hun kerkeraad te wenden met het verzoek om tot de reformatie hunner kerk over te gaan. Indien de onwil om aan dat verzoek naar ’s Heeren woord te voldoen genoegzaam gebleken is, wenden deze gelovigen zich tot de classe waartoe hun kerk behoort. Deze wijst daarop een der genabuurde kerken aan om de hoede over deze kerkeraadloze kerk op zich te nemen, voor de reformatie dier kerk te arbeiden en intussen de gelovigen in te schrijven op een lidmatenboek ten name van de eigen kerk van deze broeders en zusters. Mitsdien zullen; deze gelovigen dan de bediening des woords en der sacramenten aldaar mogen genieten, doch steeds als gasten, blijvende zij geroepen om voor hun eigen kerk te volharden in gebed en werkzaamheid, of het den Heere behagen moge ook daar het werk der reformatie te doen gelukken.
Het (bovenstaande) praeadvies wordt gevolgd; maar daarbij gemaand tot grote voorzichtigheid, eer men een kerk, als kerkeraadloos aanmerkt, en gewezen op de noodzakelijkheid, dat in deze niet zonder de classis gehandeld worde” (Leeuwarden 1890).

“De synode beveelt aan de classikale vergaderingen der kerken aan, om, voor zover deze daartoe nog niet mochten zijn overgegaan, kerken te deputeren, die zullen arbeiden ter bevordering van de vrijmaking in de omgeving, en tot het geven, zo nodig, van advies aan kerken in de omgeving bij haar vrijmaking” (Groningen 1946). *


Bos, F.L. (1950)


COMMENTAAR OP
Kerkorde GKN (1905) Art. 38
Kerkorde GKN (1905) Art. 39
Kerkorde GKN (1933) Art. 38
Kerkorde GKN (1933) Art. 39