Art. XLII. Waar in eene plaats meer predikanten zijn dan één, zullen die al te zamen in de classe mogen verschijnen en keurstemmen hebben, ten ware in zaken, die hunne persoon of kerken in ’t bijzonder aangaan.
|164|
Dit artikel is eerst in 1619 in de kerkorde gekomen, naar
aanleiding van gravamina op de Dordtsche synode te dien aanzien
ingekomen.
Post-acta Dordtsche Synode 158e sessie, 14 Mei, punt 5. De vraag
werd gedaan of meer predikanten uit eene kerk tot de classis
komende, ieder daarop een stem behoort te hebben.
Gelijk bij alle gravamina bracht elke provincie er advies over
uit en ook waren de professoren adviseurs. Den 15den Mei heeft
ieder der provincies haar gevoelen gezegd, dat den vorigen avond
was opgemaakt.
In de 159e sessie werd bepaald, wat we in art. 42 letterlijk
vertaald vinden.
Het gravamen had zijn grond: te dien aanzien was geen bepaling
gemaakt en gold nog steeds wat in art. 41 stond, dat elke kerk
één dienaar en één ouderling zal afvaardigen. Toch is van den
beginne af als regel ingevoerd, dat alle predikanten op de classe
kwamen. In de 16e eeuw was dit bijna noodig te achten. In ’t
begin der Reformatie waren er maar zeer enkele predikanten en
zeer weinig bekwamen. Waren alle predikanten uit groote plaatsen
op één na niet ter classe tegenwoordig geweest, dan zou het er
treurig mee gegaan zijn. Dan geen leiding. Het was dus
allernoodigst, dat tegenover de minder ontwikkelde predikanten de
meer ontwikkelde kwamen.
Uit stukken van ’72, ’78, ’79 zien wij, dat zij door alle
predikanten onderteekend zijn. Allen zijn dus ter classe geweest.
Bij predicatie of critiek had men alle predikanten noodig.
Keurstem had alleen, wie gedeputeerd was. De anderen adviseerden
slechts.
In 1581 Nat. Syn. van Middelburg, kwam een gravamen van
West-Friesland (N.H.) in, eenigszins onduidelijk geformuleerd, of
zij, die niet gedeputeerd waren ook stem zouden krijgen. De
synode antwoordde: ze zullen mede advies geven tot opening der
zaken. Geen keurstem, wel adviseerende stem werd dus
toegekend.
Uit welke provincie in 1619 de zaak weer op het tapijt kwam, is
niet duidelijk. Ook vóór ‘t besluit zal het wel zoo geweest zijn,
dat b.v. Trigland, Plancius, Rolandus door hun adviezen grooten
invloed hadden, zoodat men hen nu ook formeel verantwoordelijk
wilde stellen voor de besluiten, gelijk ze materieel reeds
zooveel invloed hadden. Misschien werkte de overweging wel mee,
dat alle kerken wel gelijk staan, maar dat, waar het geldt den
invloed op den gang van zaken een grootere kerk meer invloed mag
hebben, niet omdat ze grooter is, of om haar grootte meer is,
maar omdat in groote kerken licht meer wijsheid is.
Toch ook dit niet zonder bedenking. Het is feitelijk uitzondering
op den regel, dat alle kerken gelijk zijn.
Nu het er staat, kan het er blijven staan, maar eigenlijk zijn
die predikanten geen deputaten van de kerk.
Artikel 41 had eigenlijk op dit punt moeten gewijzigd worden.
Ook in ander opzicht is te wijzigen, waaraan men niet gedacht of
niet gewild heeft, nl. het ouderlingen-aantal moet vermeerderd.
Nu is er wel gevaar voor clericalisme. B.v. uit Amsterdam kwamen
28 predikanten en één ouderling. De predikanten kregen het
overwicht.
|165|
De classen zelf poogden hieraan tegemoet te komen door in
classicale regelingen van de 17e eeuw op te nemen, dat er meer
ouderlingen moesten wezen. In Zeeland 3 of 4 ouderlingen. Maar
art. 41 laat dit eigenlijk niet toe. De Dordtsche synode had dit
moeten veranderen.
Dat men dit in de 17e eeuw toch besloot, doet blijken, dat men
zich aan de kerkorde niet letterlijk gebonden achtte en dat men
dit niet in strijd achtte met den geest der kerkorde.
Wat in ’t slot staat, „keurstemmen, ten ware in zaken, die hunne
persoon of kerken in ’t bijzonder aangaan”, ligt in den aard van
alle vergadering.
Het staat er bij, opdat men uit art. 42 niet zou afleiden, dat
predikanten over alles mee te spreken hadden. En ook niet kan men
er uit afleiden, dat in alle andere zaken iemand wel rechter is
in eigen zaak.