01/01 SoW

De kerkenraad heeft opzicht te houden over de gemeente (Interimregeling de kerkenraad en het consulentschap, art. 2) waarbij deze verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door het consistorie. Het generaal college kan de vervulling van die taak niet ten volle toetsen. De kerkenraad en het consistorie hebben in beginsel de vrijheid een verzoek om een onderzoek in te stellen te weigeren, tenzij in de gegeven omstandigheden  deze weigering de redelijkheidstoets niet kan doorstaan.

In dit geval hebben de klachten betrekking op (materiële) aangelegenheden die reeds door de burgerlijke rechter zijn beoordeeld, zodat de kerkenraad in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het verzoek niet in te willigen.

De overweging van het provinciaal college dat appellant niet in zijn werkelijk belang is getroffen is in zoverre onjuist dat daarin miskend wordt dat de daartoe geroepen kerkelijke organen geroepen kunnen worden om te oordelen over de morele en godsdienstige gevolgen van gedragingen die in ander verband reeds aan het oordeel van de burgerlijke rechter zijn onderworpen.

Van de kerkenraad mag verwacht worden dat deze - als voorheen - de nodige pastorale zorg blijft bieden aan appellant.

De bestreden beslissing wordt bevestigd, zij het met verbetering van gronden.