10/01

Bezwaar tegen de door de classis verleende dispensatie van het verbod betreffende het tegelijkertijd deel uitmaken van aanverwanten in de eerste of tweede graad (ord. 1-16-10).

Anders dan de provinciale commissie heeft de generale commissie bezwaarde wel ontvankelijk verklaard: bezwaarde had voldoende belang, ook al was de dispensatie reeds verleend.

Volgens bestaande rechtspraak had de benodigde dispensatie moeten worden aangevraagd vóórdat de verkiezing van ambtsdragers wordt gehouden (P16/66). Alleen dan is het mogelijk onderzoek te doen naar de vraag of er gewichtige redenen bestaan om af te wijken van het verbod van nauwe bloed- en/of aanverwantschap. Aan de waardigheid van de verkiezing zou afbreuk worden gedaan indien achteraf zou moeten worden vastgesteld dat de verkiezing niet geldig zou moeten worden geacht, met name indien er andere lidmaten aanwijsbaar zijn die voor verkiezing in aanmerking komen.

Het bezwaar wordt gegrond verklaard, de rechtsgevolgen worden daarbij in stand gelaten (ord. 19-16-5).