P-06/00

Vernietiging op grond van ord. 19-16-1 (aanhef) en 2.

Het breed moderamen van de classicale vergadering heeft een verzoek tot dispensatie op grond van ord. 1-16-11 afgewezen (echtgenoten beiden in de kerkenraad).

De generale commissie acht het met de provinciale commissie van belang dat de provinciale commissie zich terughoudend opstelt in de beoordeling van een dergelijk dispensatieverzoek. De inhoudelijke afweging van belangen is bij de classis gelegd. De provinciale commissie kon slechts toetsen of de classis in redelijkheid heeft kunne besluiten om de gevraagde dispensatie niet te verlenen.

Het breed moderamen overwoog dat de benoeming van met elkaar gehuwden in een kerkenraad onwenselijk is omdat de kans op verstrengeling van privé- en kerkelijke belangen dan zeer groot wordt en dat het (zeker in een kleine kerkenraad) een onevenwichtige samenstelling in de hand werkt.

De kerkenraad heeft aangevoerd veel gemeenteleden te hebben benaderd, zonder positief resultaat en dat - als straks de federatie met de Gereformeerde Kerk een feit is -het kerkordelijk beletsel voor met elkaar gehuwden vervalt.

De provinciale commissie heeft in haar overwegingen de argumenten van de kerkenraad overgenomen en heeft derhalve niet volstaan met een marginale toetsing van het besluit van het breed moderamen, maar dit inhoudelijk getoetst.

[Uit de beslissing van de provinciale commissie:
'De Commissie is van oordeel dat zij een terughoudend beleid van het breed moderamen heeft te respecteren, inhoudende dat dispensatie wordt geweigerd als de kerkenraad de gemeente niet voldoende heeft gewezen op haar bedoelde verantwoordelijkheid en niet wordt gezocht naar structurele oplossingen voor het probleem voldoende ambtsdragers te vinden.'
Heeft de provinciale commissie hier meer gedaan dat het besluit van het breed moderamen toetsen aan zijn eigen (geformuleerd) beleid? aantek. PvdH]

Zij heeft onvoldoende beoordeeld waarom het breed moderamen niet op de door hem aangevoerde gronden tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Aldus heeft de provinciale commissie op onjuiste wijze toepassing gegeven aan het uitgangspunt dat ze slechts had kunnen toetsen of het breed moderamen in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gevraagde dispensatie niet te verlenen.

Voor zover de bevestiging inmiddels heeft plaatsgevonden, laat de generale commissie de rechtsgevolgen in stand.