01/90

Bezwaar tegen het besluit van het BM-PKV om ds. X volgens ord. 13-22-4 on­gevraagd verlof te verlenen en een procedure ord. 13-30 in te stellen.

Bezwaarde voert aan dat het BM-PKV onvoldoende rekening heeft gehouden met de vernietiging van het eerder genomen besluit om hem op grond van ord. 13-25-2 ambtshalve emeritaat te verlenen (zie uitspraak 26/88). Daardoor heeft BM-PKV het hem onmogelijk gemaakt een begin te maken met de hervatting van zijn ambtsbediening, waaruit zou kunnen blijken of een goed functioneren al dan niet tot de mogelijkheden behoort. De GCBG stelt voorop dat het enkele feit dat het besluit om aan ds. X ex ord. 13-25-2 ambtshalve emeritaat te verlenen is vernietigd niet betekent dat zich niet kan voordoen een situatie als bedoeld in ord. 13-30-3. Dit volgt reeds uit de bewoordingen van deze bepaling (".. zonder dat toepassing behoort te worden gegeven aan het bepaalde ...in artikel 25 van deze ordinantie.."). Het BM PKV is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om, wanneer het ontwaart dat in een gemeente uit zijn ressort tegen de verdere ambtsbediening van een predikant aldaar ernstig bezwaar bestaat, dat bezwaar ter behandeling voor te leggen aan de in ord. 13-30-1 bedoelde commissie. Deze commissie heeft dan tot taak de gegrondheid van dat bezwaar te onderzoeken.

De commissie voor bezwaren en geschillen beoordeelt slechts de vraag of het BM in de onderhavige situatie in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. Nu het op goede gronden heeft kunnen vaststellen dat er reeds lang een onwerkbare situatie bestond waarin van een goed functioneren geen sprake meer kon zijn moet het bezwaar ongegrond worden verklaard.

01/90

Verzoek om herziening wordt afgewezen: zelfs al zouden de genoemde nieuwe feiten juist zijn, zouden ze niet tot een andere beslissing hebben geleid.