26/88

Beroep tegen ambtshalve verlening van emeritaat wegens invaliditeit als bedoeld in ord. 13-25-2. De GCBG stelt voorop dat zij zelf niet medisch gekwalificeerd is om de psychische of lichamelijke gezondheidstoestand van betrokkene te beoordelen.

De GCBG oordeelt uitsluitend of op grond van de rapporten van de medische deskundigen moet worden aangenomen dat de gezondheidstoestand zodanig is dat ambtshalve verlening van emeritaat gerechtvaardigd is.

In dit geval verschillen de geraadpleegde specialisten duidelijk van me­ning. Eén van hen komt tot het oordeel dat ds. X wegens zijn psychische ge­zondheidstoestand niet langer geschikt is om zijn taak naar behoren te ver­vullen. De beide anderen die in contra expertise zijn geraadpleegd, onder wie een specialist die is aangewezen door het BM-GS, concluderen evenwel dat de gezondheidstoestand van ds. X een behoorlijke taakvervulling niet verhindert. Zij blijven bij hun oorspronkelijk oordeel, ook na een nadere gedachtewisseling met de eerst bedoelde arts.

De GCBG ziet geen aanleiding aan het oordeel van de eerste arts doorslag­gevende betekenis toe te kennen. Gezien de discrepantie tussen de con­clusies van de deskundigen kan niet worden aangenomen dat de situatie van ord. 13-25 zich voordoet en acht de GCBG het besluit, mede gezien het zeer ingrijpende karakter daarvan voor betrokkene, niet gerechtvaardigd.