15/88

Het beroep tegen een besluit van het breed ministerie om de vacaturebeurten in de wijkgemeente X niet te laten vervullen door ringpredikanten die be­horen tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. De PC had het bezwaar ongegrond verklaard. De vacature is inmiddels vervuld zodat appellant geen belang meer heeft.

De GCBG doet maakt echter gebruik van de bevoegdheid, voorzien in ord. 19-16-4, en verklaart de beroepen beslissing onjuist.

In het ringreglement wordt bepaald dat de ringpredikanten de vacaturebeur­ten vervullen volgens rooster, maar dat de mogelijkheid bestaat om in in­cidentele gevallen van deze regel af te wijken.

Het bestreden besluit is ingegeven enerzijds door het standpunt van de be­trokken wijkkerkenraad anderzijds door het standpunt van de predikanten die behoren tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. Appellant meent dat hij recht heeft op het vervullen van de vacaturebeurten; de kerkenraad zou zich aan zijn opvattingen moeten aanpassen door bij een door hem te vervul­len vacaturebeurt een mannelijke ouderling dienst te laten doen.

De GCBG overweegt dat de afwijkingsbevoegdheid van het reglement niet zoda­nig mag worden gebruikt dat het resultaat in strijd is met ord. 13.

Ord. 13-21 had kunnen worden toegepast en het breed ministerie had vervol­gens alle predikanten kunnen inroosteren. Als de betrokken kerkenraad zich vervolgens bezwaard zou gevoelen had deze volgens ord. 13-23 een nadere voorziening kunnen vragen van het BM-CV.

Tegen de afwijkingsbevoegdheid van het ringreglement behoeft geen bezwaar te bestaan, maar ze mag niet worden gehanteerd met de bedoeling de kerkenraad een grotere invloed op de vervulling van vacaturebeurten te geven dan ord. 13-21 toekent.