26/82

Bezwaar tegen besluit van de generale synode betreffende Zuidelijk Afrika, waarin o.m. oproep tot desinvestering en het besluit te blijven streven naar contacten met de bevrijdingsbewegingen.

De meeste bezwaren niet aanvaard door GCBG.

Wel echter de bezwaren tegen de contacten met de bevrijdingsbewegingen, om dat het besluit er geen blijk van geeft dat men ervoor waakt dat het con­tact

“uitgelegd kan worden als een erkenning dat het gebruik van geweld legi­tiem is. De zinsnede “in zoverre deze dit doel dienen” waarin “dit doel” terug­grijpt op de tevoren genoemde bestrijding der apart­heid, is daartoe naar het oordeel van de commissie onvoldoende, om­dat de vorm van die be­strijding ge­heel in het midden wordt gelaten.
Een uitspraak die wel het kontakt met enige bevrijdingsbewegingen in het vooruitzicht stelt, maar geen duidelijke grenzen aan dit kontakt stelt voor wat betreft het uit te oefenen geweld, verdraagt zich niet met de in de arti­kelen III en VIII van de Kerkorde vervatte regeling omtrent de wij­ze waarop de kerk van Christuswege uitspraken doet”.

Het besluit

"bij de oekumenische kommissie voor kerk en samenleving in de E.G. aan te dringen om een brief te schrijven aan de Ministerraden voor Buitenlandse en Ekonomische Zaken van de Europese Gemeenschappen op Euratom druk uit te oefe­nen kontrakten van levering en bewerking van uranium uit Namibië niet langer goed te keuren"

wordt vernietigd omdat

“gesteld noch gebleken is dat bevordering van het streven tot beper­king van het leveren van uranium is verzocht door “de kerk” van dat land. Onder die omstandigheden kon de Synode naar het oordeel van de Commissie geen vrijheid vinden tot dit besluit (verg. ord. 20-1-2).”