|118|

§ 52. Dat alle goede reformatie God tot auteur heeft.

Alle menschenpogen is in Jezus’ kerk ijdelheid en minder dan de ijdelheid zelve. De kerk van Christus is ten spijt van ’s menschen zondig woelen door Gods wondere genade in de wereld ingedragen; wierd eeuw na eeuw in weerwil van der menschen tegenstand en ontrouw in die wereld staande gehouden; en heeft nooit één oogenblik anders dan uit, door en in genade getierd. Er kleeft aan de kerk ook slib, en dat trok ze natuurlijk uit de wereld op, maar als kerk gold van haar steeds en onveranderlijk in volstrekten zin: „In Hem leeft ze, beweegt ze zich en is ze.”

Geen onzinniger bedrijf dan ook, dan dat eenig mensch, al ware hij de uitnemendste, of eenige kerkelijke vergadering, ook al ware ze de invloedrijkste, zich ooit zou vermeten te zeggen of te denken: „Ja, wij zullen door ons beleid deze of die ingezonken kerk eens reformeeren!”

Zulk zeggen is ongereformeerde hoovaardij, en kan nooit anders dan op nog verdere deformeering uitloopen. Het is het averechts gevoelen, alsof wij een zuivere kerk aan God hadden te leveren, inste van dat Hij ons in zijn ontfermingen met een gezuiverden kerkstaat begenadigt.

Dit is de orde des Evangelies omkeeren, het genadeverbond op zij zetten, en weer naar loon dingen voor goede werken.

Dit te willen toont dat nog de dwaling in ons hart huist, alsof een kind van God uit zichzelf ook maar één stippeltje heiligheid kon voortbrengen; en overwonnen wordt die dwaling dan eerst volkomen, als onze ziel oprecht voor God komt te belijden, dat elk stippeltje heiligheid, dat uit ons straalt, eerst in ons daalde uit de heiligheid Christi; zoo zelfs dat ook het beste dat nog uit ons natuurlijk leven nawerkt, zonde eer dan heiligheid zij te achten.

Ten deze moet een vroom Christenmensch loven noch bieden kennen.

Een kind des koninkrijks, dat de deugden wil verkondigen van Dengene die hem uit de duisternis riep tot zijn wonderbaar licht, kent op dit punt geen halfheid. Uit hem niets dan zonde, alle heiligs uit God. Leugenachtig al wat uit hem opwelt, waarachtig alleen de Heere.

Is dus reformatie, gelijk de vorige  uitsprak, het brengen van waarheid en heiligheid in de plaats van leugen en zonde, dan zij toch gevraagd van waar anders aan de kerk die waarheid en heiligheid toe zou komen, dan uit Hem die alleen beide heeft?

|119|

God, de auteur van alle deugdelijke reformatie, is daarom het beginsel, dat door de trouwe zonen der kerk nimmer is verloochend. Vandaar hun bidden, vandaar hun wachten, vandaar hun gehoorzamen aan den Heere.

Dit beginsel geldt van de reformatie in haar drie stadiën.

Uit God is alle verwakkering der gemeente uit haar doodelijken slaap. Niet alsof alle réveil’s uit Hem en uit Hem alle revivals en opwekkingen waren. Helaas, wie betreurt het niet, dat zoo vaak menschelijk geknutsel zich met dien schoonen naam siert. Neen, maar dit is bedoeld, dat er nooit, dat er nergens leven in de doodsbeenderen opwaakt; dat nooit en nergens de wasdom in heiligmaking, na langen stilstand, weer begon; en dat nooit en nergens de drang om anderen voor den Heer te winnen een geopende deur vond, dan op die tijden en in die kerken, waarin het God den Heer beliefde, in weerwil van de zonde en het ongeloof en de trouweloosheid van zijn volk, zich over dat afgekeerde volk te ontfermen. En wel te ontfermen, doordien Hij óf een profeet zond, zeggende: Spreek tot deze doodsbeenderen, óf ook zonder boetgezant overtuiging van zonde en ongeloof in de zielen wekte, en door den prikkel van dit schuldbesef uitdreef in gebeden.

Het geldt hier den alouden strijd tusschen de Gereformeerden en de Arminianen, toegepast op de geestelijke verwakkering. Wie slaapt hoe zal die opstaan, tenzij hij gewekt worde! Hoe zou er betering uit een volk kunnen komen dat van dag tot dag geestelijk verergert. Gelijk dus de onwedergeborene alleen door een daad Gods uit de duisternis kan uitgaan naar het licht, zoo ook kan een kerk die in duisternis terugzonk, alleen door een genadedaad Gods weer naar het licht opzien.

Dit weer begenadigen van zijn volk met het duizendwerf verbeurde en eindelijk schuilgegane licht is zijn goddelijk en onschendbaar privilegie.

Nooit genoeg kan dus ’s Heeren volk vermaand om op te waken uit zijn slaap, de eerste liefde weer op te wekken, hare heilige werken vol voor God te maken en te verwakkeren in ijver voor de redding van anderer zielen, maar wee hem, die deze heerlijke opleving uit iets anders putten wil dan uit de Fontein aller goeden!

Hij alleen vermeerdert het geloof, stort door zijn Heiligen Geest de warmer liefde in het hart uit, geeft in verzoeking de overwinning en bindt ons anderer heil op de ziel.

Iets wat sterker uitkomt voor wie bedenkt, dat een geestelijke opwekking meerdere zielen te gelijk verwakkeren moet. Stel dus al,

|120|

ge hadt macht over uw eigen hart (des neen); dan kondt ge toch nog nimmer zaligmakend in anderer ziel indringen, en bleeft ge alzoo nog even diep afhankelijk van de vrijmachtige genade uws Gods.

Maar ook die tweede trap van reformatie, die we geleidelijk kerkherstel noemden, heeft alleen God tot auteur.

Buiten God kunnen menschen misschien betere artikelen van kerkelijk regiment opstellen en aldus de kerk reformeeren op het papier, maar dit doode ding, dat uit den dood gebaard is, zal dan ook volstrekt onmachtig blijken, om ook maar eenigszins aan het lichaam der kerken heur geestelijken welstand te hergeven.

Neen, als er kerkherstel komen zal, dan moet de opsteller der betere kerkorde slechts boeken, wat het God beliefd heeft reeds door zijn Woord en Geest in den zin en in de bedoeling der personen te verwekken.

Voor kerkherstel zijn gelegenheden noodig, en wie anders beschikt die dan de Heere onze God? Voor kerkherstel zijn allerlei personen onmisbaar, en wie anders schept personen dan Hij? Voor kerkherstel moet overeenstemming van inzichten, moet gelijkmatigheid van bedoeling, moet zin tot samwerking gewekt, en wie anders leidt de harten als waterbeken dan de Heere?

Bovendien in de vergaderingen waarin dat geleidelijke kerkherstel wordt doorgezet, besluit, niet slechts de meerderheid van zeker aantal stemmen, maar is de presente koninklijke macht van Christus de eenig dwingende macht, en triumfeert de waarheid nooit dan onder het voorzitterschap van den Heiligen Geest.

Zóó was het te Nicaea! Zóó was het te Dordrecht geweest! En dat juist is het wat in onze Haagsche Synode wordt gemist. Ze besloot, o, conclamate vos, ecclesiae! haar gebed in te krimpen tot eenmaal ’s weeks.

En wat eindelijk het derde stadium van reformatie betreft, t.w. reformatie door verbreking van de bestaande organisatie, gelijk Luther en Calvijn ze doordreven, ook daarvan geldt onvoorwaardelijk dat ze óf diep zondig was, óf gewekt werd door God.

Diep zondig, want schriklijk is de overmoed van wie het lichaam des Heeren verscheurt en de kerke Gods misbruikt als het eerloos lijk, waarop de heelmeester zijn ontleedkundige bekwaamheden oefent.

Wie dat aandurft, om de eenheid te verbreken van de kerk, waarin hij geboren werd, moet wel zeer gewisselijk verzekerd zijn, dat hij van God hiertoe gezet is, of hij laadt op zich een verantwoordelijkheid, die hem den vloek zou indragen in het geschokte hart.

Zulk een roekelooze daad kan dan ook alleen de lichtzinnige

|121|

bestaan, wiens ongeestelijke zin of fanatieke overspanning voor de kinderen Gods genoegzaam openbaar is.

En tot reformatie door kunstbewerking, door breuke, door verscheuring van banden kan en mag het onder het volk dat God vreest, alleen dan komen, als de Heere zelf zijn volk bezoekt, de mannen verwekt, die zijn kudde kunnen uitleiden en zelf hun voor- en achtertocht is op hun weg door de woestijn.

Er moet dus niet maar gezegd, dat, ja, ter laatste instantie alle werking, en dus ook de reformatie der kerken, tot God kan worden teruggebracht; neen, maar er moet beleden, dat er nooit of nimmer reformatie in de kerk des Heeren, ’t zij in den vorm van opwekking, ’t zij als geleidelijk herstel, ’t zij door noodzakelijke breuke, tot stand kwam, of de bijzondere inwerking van de goddelijke genade begon dat heerlijk werk, zette het door en wist het te voleinden.