§ 29. Van de toebediening der genademiddelen.

De genademiddelen der kerke zijn de schatten die in Christus voor de uitverkorenen zijn weggelegd, en die ons voorgehouden worden in het Woord en bezegeld door de Sacramenten. Woord en Sacrament worden daarom terecht de beide genademiddelen der kerk genoemd. Deze genademiddelen nu worden toebediend door den één en genomen door den ander. Vandaar dat het Sacrament gebonden is aan den presbyterialen dienst, overmits niemand een sacrament nemen kan, tenzij er een toebediening zij. Anders staat het daarentegen met het Woord. Dit kan ook zonder toediening genomen en genoten worden, zij het ook op minder rijke wijze. Het genademiddel van het Woord is derhalve alleen voor zijn uitlegging en toepassing aan het ambt gebonden, en wel met dien verstande, dat het ambt der geloovigen dit genademiddel toediene aan een iegelijk, die vermaan wil hooren, het priesterambt van den vader in zijn huis het toediene in alle huisgezin, en het ambt van den Dienaar des Woords het publiekelijk toediene aan de geheele gemeente. Deze toediening van het Woord draagt tweeërlei karakter, naar gelang er melk moet toegediend of vaste spijze. Het toedienen der melk is de toediening van het Woord door de catechisatie, het toedienen van de vaste spijze is de toediening van dit genademiddel door uitlegging

|73|

en toepassing van het Woord. Met het uitreiken van deze melk is ambtelijk belast, de Dienaar des Woords voor publieke en private catechisatiën; de regeerende ouderling voor private onderrichting; de vader, of ook de moeder, in elk huisgezin; en elk geloovige bij zoodanige kinderen, bij wie noch de ouders of de verwanten noch de kerk kwijting van plicht betoont. Het toedienen der vaste spijze daarentegen geschiedt ambtelijk alleen in het huisgezin door den vader als priester, en in het midden der gemeente door den Dienaar des Woords, beide malen als hanteering van den eersten sleutel des Hemelrijks; niet als dusgenaamde Evangelieverkondiging, maar als een spreken in den Naam des Heeren met macht; kan slechts bij wijze van waarneming op regeerende ouderlingen overgaan; en geschiedt slechts subsidiair in de dusgenaamde profetieën, of bij ontstentenis van ambtsdragers door gewone kerkleden. Voorts echter rust op de Dienaren des Woords niet minder de verplichting om dit genademiddel aan de huizen der kerkleden om te dragen; bij huisbezoek vóór elk Avondmaal aan allen; bij krankheid of droefenisse aan de bedrukten, en bij naderend doodsgevaar aan de stervenden. Alleen het geloof is machtig tot behoudenisse, en om het geloof te wekken en levendig te houden is er geen ander genademiddel dan het Woord.

Het Sacrament bezegelt het woord en sterkt daardoor het geloof, zoowel aan de kerk in haar geheel als bij den enkele die het geloof deelachtig werd. Gelijk nu elk zegel om zegel te zijn, een publiek karakter moet dragen, zoo is het ook met den dienst der Sacramenten. Ze moeten overeenkomstig haar natuur publiek bediend worden, en zijn deswege aan den publieken dienst der kerk als zoodanig verbonden. Ze worden uit dien hoofde door de kerk aan de kerk toegediend, onder de leiding van den kerkeraad en onder de aanwending van den dienst der herderen. Alleen in de kerk, onder de leiding van den kerkeraad, door de herderen toebediend, zijn de Sacramenten sacramenteele zegels. Zegels op het Woord zijnde, mogen ze dan ook van den dienst des Woords niet worden afgescheiden, en worden het best na geëindigde predicatie toegediend. Dus nooit aparte Doop- of Avondmaalbeurten.

Op de toediening van beide genademiddelen, zoowel op die van het Woord als op die van het Sacrament, heeft elk lid der kerk recht, maar ook het aannemen en gebruiken ervan is voor beiden plicht. Vandaar geldt als regel niet bejaarden-, maar kinderdoop; en mag niemand van den Doop geweerd, die op eenige wijze als lid der kerk is aan te merken. Het Woord en het sacrament des Avondmaals zouden evenzeer reeds aan de kleinste kinderen toekomen, bijaldien deze er vatbaar voor waren. Nu daarentegen de natuur dit onmogelijk

|74|

maakt, verkrijgt het kind eerst dan recht op het Woord als het hooren, en eerst dan recht op het H. Avondmaal als het belijden kan. Wie geen lid der kerk is, of ook van elders komt uit kerken, die niet erkend zijn, mag men niet tot de Sacramenten toelaten, gelijk evenzoo van de Sacramenten moet uitgesloten, al wie door dwaling of boosheid onder tucht geraakt.

Maar evenzeer is omgekeerd elk kerklid tot het gebruik van het Sacrament verplicht. Een ieder is verplicht zijn kind te laten doopen, en evenzoo staat een ieder geloovige onder de verplichting, om zoo dikwijls het H. Avondmaal wordt uitgereikt, zich bij die uitreiking te laten vinden. Niet alsof aan het Sacrament zijn zaligheid hing. Geen goed Christen die dit niet beter weet. Maar ook geen goed Christen, die, overmits God vrij machtig is, hem ook zonder Sacrament zalig te maken, aan den Heere God zijn ontferming met verachting van zijn heilig Sacrament vergeldt.


Kuyper, A. (1883)