|7|

§ 4. Waarom de ééne zelfde kerk op aarde tegelijk onzichtbaar en zichtbaar zij.

Deze kerke Christi op aarde is tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Op ééne en dezelfde wijze als elk mensch deels een waarneembaar, deels een niet waarneembaar wezen is, zonder daarom twee wezens te zijn, zoo heft ook bij de kerke Christi deze onderscheiding tusschen het zichtbare en niet zichtbare de eenheid van het wezen der kerk allerminst op. Het is eene en dezelfde kerk, die naar haar verborgen wezen in het geestelijke schuilt, om zich alleen aan het geestelijk oog te openbaren, maar die tegelijk naar haar uitwendige gedaante in het zichtbare te voorschijn treedt, om openbaar te zijn voor de natuurlijke waarneming, zoo van de geloovigen als van de wereld.

Naar heur geestelijke, onzichtbare zijde is de kerk één op heel de aarde, en heel die kerk op aarde weer één met de kerk die reeds in den hemel is. En evenzoo is de onzichtbare kerk tegelijk heilig, niet alleen wijl ze een kunstig gewrocht Gods is, geheel hangende aan zijn goddelijke invloeden en werkingen, maar ook omdat de geestelijke verontreiniging zoowel als de inwonende zonde der geloovigen, niet tot haar behoort, maar tegen haar strijd voert.

Naar haar waarneembare zijde daarentegen treedt de kerk niet dan stuksgewijze in het licht en is dus altoos plaatselijk, d.i.: in het onbepaalde gedeeld, en de volkskerken ontstaan eerst doordien tusschen deze plaatselijke kerken zulk een onderling verband wordt gelegd, als de aard der kerk en de nationale verhoudingen met noodwendigheid eischen. Nog grootere verbindingen der kerken kunnen nooit anders dan tijdelijk of uitermate los en rekbaar zijn. En zoomin als deze kerken (als zichtbare openbaringen van de onzichtbare kerk) één zijn, zoomin zijn ze heilig; want ze deelen de onvolmaaktheid van alle aardsche leven en worden ontreinigd door de macht der zonde, die tegelijk van binnen en van buiten, den welstand der kerk voortdurend ondermijnt.

Het is alzoo van de kerke Christi op aarde, en wel nader in haar zichtbare verschijning, dat de gebiedende plicht tot reformatie geldt, zoo dikwijls deformatie aanwezig blijkt.

Welbezien is deze plicht tot reformatie dan ook een altoosdurende, overmits de kerk in strengeren zin altoos gedeformeerd is; nooit in zuiveren, gaven vorm is gezien; en steeds onheilige elementen in zich draagt. Toch is reformatie in dit traktaat niet in dien volstrekten zin bedoeld. Er is een afwijking van het geestelijk wezen der kerk,

|8|

die in den aard van haar optreden in de wereld ligt en zonder welke de kerk onder menschen niet openbaar worden kan; en die derhalve, hoezeer afwijkende van het geestelijke ideaal, toch voor zooveel de zichtbare verschijning der kerk aangaat, zelve normaal is en blijft, althans zoolang de heerschappij van het heilige over het onheilige en van de waarheid over de onwaarheid ongekrenkt en gaaf blijft. Deze noodwendige afwijking van het ideaal kan door geen reformatie weggenomen. Wie dat poogt, verliest de kerk en vindt de secte. Te haren opzichte geldt de plicht tot reformatie dus niet. Dat ware Donatisme! Perfectionisme. Een gemeente najagen van engelheiligen op aarde! Een jacht waarbij helaas, altoos ten slotte de bestialiteit als buit werd ingehaald!

Onder den plicht tot reformatie komt de kerk in haar zichtbare openbaring eerst dan, als de afwijking beneden dit normale peil zinkt, door het onheilige niet slechts in zich te dragen, maar door het stilzwijgend en ongestraft te dulden, of erger nog, door aan het onware en onheilige ten slotte macht en heerschappij over de waarheid en het heilige te geven.

De reformatie der kerk kan op dien grond omschreven als kwijting van de verplichting, die op de kerk in haar zichtbare openbaring, d.i. op de plaatselijke kerken Christi, èn stuk voor stuk in in haar onderling verband, rust, om, zoo dikwijls de leugen en de zonde straffeloos in haar midden het juk afwerpen, door terugkeer tot de oorspronkelijke forme die in Gods Woord voor de kerken geboden is, aan de waarheid en de heiligheid opnieuw haar heerschappij over leugen en zonde te verzekeren.


Kuyper, A. (1883)