§ 79. Kerkelijke deputaten.

Aangezien de kerkelijke vergaderingen niet dag aan dag samenkomen, en niet zelve alle besluiten, die zij nemen, kunnen uitvoeren, benoemen zij deputaten, die uitvoeren wat hun door de vergadering is opgedragen. Zulke deputaten worden benoemd nu eens voor enkele zaken, dan voor een bepaald soort van zaken, soms met opdracht om alleen in een zaak te adviseeren, dan om zelf handelend op te treden.

Oorspronkelijk benoemde men voor elke zaak afzonderlijke deputaten. Zoo werden reeds te Emden Datheen en Taffin verkozen om de Nederlandsche Gereformeerde kerken op de Fransche synode te vertegenwoordigen, en werden voorts een 16-tal deputaten aangewezen, om Marnix behulpzaam te zijn in het verzamelen van gegevens voor de beschrijving van de historie der martelaarskerk 1). Eveneens bleek het voor de classes en de particuliere synoden noodig, voor bepaalde zaken deputaten te benoemen. Op de Zuid-Hollandsche synode van 1579 2) werd de vraag gedaan, of het niet noodig was, dat men in elke classis en synode „een of twee personen sal deputeren, dewelcke alle voorvallende saecken des classis aan den synode respective sullen uijtrichten, classem ende synode daeruijt vergaderen, ist nood, ende voort opsicht hebben sullen, dat een ijegelick zijn ampt doe”, en weldra had men in de meeste provinciën zulke deputaten benoemd. De praktijk van het kerkelijke leven eischte dit. Zeeland en ook andere provinciën volgden dit gebruik niet. En daarom was het terwille van de eenparigheid in alle provinciën noodig, een regeling dienaangaande in de kerkenordening op te nemen. De uitnemende diensten, die de deputaten der synode in de Arminiaansche twisten aan de kerken in Zuid-Holland hadden be­wezen, zullen ongetwijfeld hebben meegewerkt tot het besluit der Dordtsche synode, terwijl de synode het ook noodig keurde, de bevoegdheid dezer deputaten nauwkeurig te omschrijven, niet alleen om den laster van Hugo de Groot, die in zijn pietas ordinum (p. 112) op afkeurende wijze deze deputaten interreges (tusschen-regenten) had genoemd, tegen te gaan, maar ook om te voorkomen, dat uit deze


1) Acta v. Emden, Art. 3. 48-50.
2) Acta, Reitsma en Van Veen, II. 181.

|215|

gedeputeerden zich een kerkelijk bestuurscollege ontwikkelde 1). Opmerkelijk is het, dat de Dordtsche synode niet ingegaan is op een verzoek van Zuid-Holland, om ook geregeld deputaten der Generale Synode te benoemen. De Noord-Hollandsche afgevaardigden keurden dit af, omdat zij dit onnoodig achtten, aangezien naar hun inzien de synode best kon volstaan met voor de uitvoering harer besluiten eenige personen aan te wijzen, terwijl de rest door de particuliere synode kon worden uitgevoerd.

Het besluit der Dordtsche synode, in art. 49 der kerkenordening neergelegd, luidt: „Yeder Synodus sal oock eenighe deputeren, om alles wat de Synodus geordonneert heeft, te verrichten, soowel by de Hooge Overicheydt, als by de respective classen, onder haer sorterende, mede om t’ samen oft in minder ghetal over alle examina der aencomender Predicanten te staen; ende voorts in alle andere voorvallende swaricheden den classen de handt te bieden, opdat goede eenigheyt, ordre ende suyverheyt der leere behouden ende ghestabileert worden. Ende sullen dese van alle hare handelinghen goede notitie houden, om den Synodo rapport daer van te doen, ende soo het geeyscht wort, redenen te geven. Ooc en sullen sy niet ontslaghen wesen van haren dienst, voor ende alleer de Synodus selfs haer daer van ontslaet.”

De afgevaardigden eener synode, met een bepaalde opdracht of zending belast, werden in den regel gedeputeerden, deputaten of gecommitteerden genoemd. In Overijssel noemde men hen „volmachten.” In de Christelijke Gereformeerde kerk in Nederland en ook in N. Amerika gebruikte men het woord „commissie”, maar in vorige eeuwen kon hiervan geen sprake zijn, omdat het woord commissie bijna uitsluitend gebruikt werd voor: opdracht, last. Deputaten waren toen geen commissie, maar kregen een commissie. Thans evenwel beteekent het woord commissie ook 2) „eenige personen aan wie van overheidswege, door eene vergadering, door een bestuur een bepaalde opdracht wordt gegeven.” Het woord deputaten of gedeputeerden is echter daarom aan te bevelen boven het woord commissie, omdat de aldus benoemde personen in zich zelf een eenheid vormen, en op hun terrein een zelfstandigheid en vrijheid van handelen bezitten, terwijl het woord deputaten zeer juist aanduidt de personen, die afgevaardigd zijn om een bepaalde opdracht ten uitvoer te brengen.

De wijze van benoeming en de opdracht, aan synodale deputaten gegeven, was nog al verschillend. Zuid-Holland benoemde een viertal, waarvan ieder jaar de helft aftrad. In Noord-Holland waren twee


1) Voetius, Pol. Eccl. I. 112; Hooijer, Oude Kerkenordeningen, bl. 440; H.H. Kuyper, Postacta, bl. 127.
2) Van Dale’s Groot Woordenboek der Ned. taal, in voce.

|216|

deputaten gesteld, van wie elk jaar één aftrad. Ook in Gelderland was de diensttijd twee jaar. Friesland kende tweeërlei deputaten. Reeds in 1583 wordt op de synode van Franeker (Art. 18, 19) besloten een commissie van vijf predikanten te benoemen als deputaten ter remonstrantie van eenige zaken bij de overheid, en dit vijftal genoemde predikanten zou worden aangevuld met vijf ouderlingen, een uit elke classis, om „macht te hebben om in alle andere saecken, die die kercke Godes in onse vaderslant int generael dit jaer souden voervallen, met malcanderen souden moeghen resolveeren ende besluyten nae hetgene dat haer der kercke godes sall nut duncken.” Zij vormden dus een soort van synodus contracta. Later werd deze afvaardiging nog al eens veranderd. Op een bezwaar, dat dit streed met Gods Woord en naar „eenige hoocheit smaekte”, antwoordde de synode van de Wouden (1606), „dat sulx niet ghesyen of verstaen worde.” Ook in Groningen werden tweeërlei soort deputaten naast elkander benoemd, de eene voor een bepaalde zaak, de onderhandeling met de overheid, en de andere om in bijzondere zwarigheden de classes te helpen. De invloed van de overheid in de kerk, en de noodzakelijkheid om orde te scheppen in den eersten tijd na de reformatie, komt in deze bepalingen duidelijk uit. Uit de synodale acta van Gelderland, waar Johannes Fontanus tijdelijk als een superintendent werkzaam was, blijkt hoe noodig het was om vanwege de synode scherp toezicht te oefenen, tot alle classes konden vergaderen en het kerkelijk leven geregeld was. Uit kracht van de eenheid der kerken hadden de synoden het recht zulke maatregelen te nemen. Al was er dan ook gevaar, dat een al te breed uitgegroeid deputaatschap een hiërarchisch element in zich bevatte, de kerkelijke vergaderingen waakten hiertegen door hun slechts een tijdelijk mandaat te verleenen, en hun op te dragen op de volgende synode rapport van hun handelingen uit te brengen. Om die reden was Voetius volkomen in zijn recht om de beschuldiging van Hugo de Groot, die de kerkelijke deputaten tusschen-regenten noemde, af te wijzen.

 

Wat moeten wij onder deputaten verstaan? Voetius 1) geeft de volgende omschrijving: „Deputaten of afgevaardigden zijn degenen, die gekozen worden om een bepaalde kerkelijke zaak of aangelegenheid, of wel bepaalde zaken of aangelegenheden uit naam der geheele vergadering uit te richten. En zulke deputaten zijn, overeenkomstig het onderscheid der vergaderingen, of consistoriale of classicale of synodale deputaten. En dan voorts weder van tweeërlei aard: 1º die voor de eigene zaken en aangelegenheden, binnen het ressort van de classis


1) Pol. Eccl. III. 527.

|217|

of synode uit te richten, worden afgevaardigd, aan welke bepaaldelijk de naam van deputaten der classis of der synode gegeven wordt; 2º die tot het behandelen van zaken en aangelegenheden gezonden worden naar andere classes of synoden, waar hun dan een adviseerende stem wordt toegestaan, aan welke bepaaldelijk de naam van correspondenten gegeven wordt.”

Deputaten zijn dus afgevaardigden met een bepaalde opdracht. Zij worden benoemd door een kerkelijke vergadering, die in zich zelf geen macht bezitten, maar gebonden zijn aan de opdracht, hun verleend, en zijn daarom ook verantwoording schuldig aan de vergadering, die hen heeft benoemd. Al zijn de leden der vergadering een vergadering van lasthebbers, die bij het uiteengaan niet meer bestaat, uit kracht van het kerkverband en naar de orde der kerken komt op den bestemden tijd weder eene vergadering der kerkelijke afgevaardigden, en de deputaten zijn gehouden aan deze rapport uit te brengen, waarmee hun mandaat is geëindigd, tenzij zij in bijzondere gevallen voor een langeren tijd zijn benoemd. De autoriteit, om deputaten te benoemen en het werk dezer afgevaardigden te beoordeelen, berust uitsluitend bij de saamgekomen kerken. Geen macht buiten haar, geen overheid of patroon bezit in de kerkelijke zaken eenig gezag.

 

Wie zijn verkiesbaar als deputaat? Het spreekt vanzelf, dat voor dezen kerkelijken arbeid alleen personen verkozen behooren te worden, die in kerkelijke zaken bijzondere geschiktheid en ervaring bezitten, en die door hun karakter, leeftijd en kennis geschikt zijn om vertrouwen te wekken. In den regel worden daarvoor predikanten en ouderlingen benoemd, omdat zij, ervaren in de leer en in de regeering der kerk, de aangewezen mannen zijn, maar in bijzondere gevallen kunnen ook niet-ambtsdragers, letterkundigen, rechtsgeleerden of practisch begaafde mannen worden benoemd, omdat mag worden verwacht, dat zij van wege hun positie of bekwaamheid het meest geschikt zijn om een opdracht recht uit te voeren. De kerken moeten hiervoor dan ook geen bindende bepalingen maken, daar een vaststaande regeling het leven al te zeer bindt, en de kerken vrij moeten zijn in haar keus om de meest geschikte personen voor een bepaalde opdracht te benoemen.

In de eerste jaren na de Reformatie behielden de kerkelijke vergaderingen voor zich de vrijheid diegenen tot deputaat te kiezen, welke zij daartoe de geschiktste achtten, zooals blijkt uit een besluit der particuliere synode van Dordrecht (1598, art. 34), welke, toen een voorstel gedaan was om in de afvaardiging eenige verandering te brengen, besloot, dat zij hare vrijheid wilde behouden tot gedeputeerden te kiezen, die zij daarvoor de meest geschikte keurde. Men koos oudtijds bij vrije

|218|

stemming met gesloten briefjes. Later is hierin verandering gekomen, toen de kerkelijke deputaten voor hun arbeid een vastgesteld salaris ontvingen, hetzij van de kerkelijke vergadering, hetzij van de overheid. Behalve vacatiegeld voor het bijwonen der synoden kregen zij o.a. voor de visie van de autographa, of voor het bijwonen der peremptoire examens, zelfs voor het schrijven van brieven een vastgestelde som, zoodat in de 18de eeuw het voorkwam dat het inkomen van een deputaat in Zuid-Holland gemiddeld per jaar was 650 à 700 gulden, waarbij dan nog extra kwam voor den praeses ƒ 220.50 en voor den scriba ƒ 42.—. Geen wonder dat voor velen de benoeming tot deputaat een zeer begeerlijke zaak was, en dat allerlei middelen werden aangewend om een benoeming als deputaat te verkrijgen. Maar was dit jacht maken op deputaatschappen bewijs van de diepe inzinking van het geestelijk leven, het droeg eveneens bij tot het verval der kerk. Voor al zulke misbruiken moeten de kerk en de kerkelijke deputaten zich wachten. Al behooren de deputaten vergoeding te ontvangen voor de door hen gemaakte noodzakelijke onkosten, hun arbeid dient te geschieden uit liefde voor het welzijn der kerk, en elke kerkelijke vergadering moet geheel vrij blijven in de benoeming van hen, die zij voor de te vervullen taak de meest geschikte acht 1).

De benoeming van deputaten behoort te geschieden door de kerkelijke vergadering zelve, die door een vrije stemming of door haar adhaesie te hechten aan een voordracht van het moderamen de personen kan aanwijzen. Het spreekt van zelf, dat de praktijk hierin een woord meespreekt. Bij het verkiezen van een moderamen der synode is het gemakkelijk een geheel vrije stemming te houden uit de aanwezige leden der synode. Doch de benoeming van deputaten aan het einde der synodale zittingen kan bezwaarlijk door een schriftelijke stemming geschieden, omdat licht allerlei verwarring kan plaats grijpen en niet altoos de rechte personen worden aangewezen. De beste wijze van benoeming is wel deze, dat het moderamen voor de verschillende deputatiën een voordracht doet, dat deze voordracht minstens één dag voor de sluiting eener generale synode aan de vergadering wordt aangeboden, opdat de vergadering haar kan beoordeelen, desnoods anderen aan de voordracht kan toevoegen, zoodat tenslotte de benoeming tot stand komt òf door schriftelijke stemming òf door goedkeuring der voordracht. Op deze wijze worden eindelooze stemmingen voorkomen, en wordt het volle recht der synode gehandhaafd.

Wanneer nu de synode deputaten heeft benoemd, hebben deze niet het recht op eigen gezag anderen aan hun getal toe te voegen. Wel


1) Dr H.C. Rutgers, Kerkelijke Deputaten, bl. 39-64.

|219|

staat het hun vrij, wanneer zij dit voor de uitvoering van hun opdracht noodig oordeelen, het advies van anderen in te winnen, maar zij gaan buiten hun bevoegdheid, wanneer zij andere personen, die de synode niet gewild heeft, tot hun getal toevoegen. Daardoor wordt aan personen een bijzonderen invloed gegeven, welke de synode hun zeer waarschijnlijk niet heeft willen geven, wijl zij anders hen tot het getal der deputaten zou hebben toegevoegd.

 

De duur van den dienst der deputaten is in ’t algemeen van de vergadering, die benoemt, tot de volgende samenkomst, voor die van de particuliere synode één jaar en voor de generale deputaten drie jaar. In bijzondere gevallen kan van dezen regel worden afgeweken. Toen wegens de Arminiaansche twisten van 1608 tot 1618 geen synoden gehouden werden, bleven de in 1608 benoemde deputaten al die tien jaren fungeeren. Men drukte dit ook wel in de acta uit. Veelal volgden de particuliere synoden de gewoonte, dat de deputaten voor twee jaren zitting hadden, en dat alle jaren de helft aftrad, opdat de nieuwen in het werk zouden kunnen worden ingeleid. Soms ook werden zij benoemd „om de commissiën des synodi desen aenstaenden jaere wt te voeren” 1) en soms om te dienen „tot het naest te houden synodus” 2). De door de synode van Dordrecht gestelde regel (Art. 49), dat de deputaten dienen van synode tot synode, waarbij het dan in de vrijheid der synode ligt hen te continuëeren, is wel zeer aan te bevelen. Waarom zou de synode bepaalde deputaatschappen als die voor de zending, voor het verband met een instelling van Hooger Onderwijs, voor de correspondentie met de Hooge Overheid, enz. niet zoo geregeld mogelijk verlengen, indien de daartoe aangewezen mannen, die ingegroeid zijn in dien arbeid, hun werk naar behooren volbrengen? En het is de goede gewoonte, dat iemand, wanneer de synode hem aanwijst voor een deputaatschap, haar niet afwijst. Hij geeft zich voor dat werk, tenzij hij overwegende bezwaren mocht hebben, waarover hij  de vergadering laat oordeelen.

 

Het ligt niet op de lijn van het Gereformeerde kerkrecht om het kerkelijke leven in allerlei bijzonderheden te reglementeeren. De oudste synoden zijn hiervoor ook bewaard. Maar in de 18de eeuw begon men al meer belang te stellen in reglementeering, aan welke zucht de synode van ’s Gravenhage (1738, Art. 2) uiting gaf, door te besluiten „alle de pligten van D.D. Deputati” te verzamelen „onder den titel van de Kerkelijke Reglementen”. Dit neemt niet weg, dat de oude synoden wel in


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 203.
2) Reitsma en Van Veen, Acta II. 46.

|220|

korte bewoordingen de plichten van hare deputaten in het algemeen hebben omschreven. De meest algemeene regel werd gesteld door de synode van Edam 1), die deputaten benoemde „omme desen aenstaenden jare de synodale lasten uijt te voeren”. Anderen synoden, o.a. die van Groningen, 1603 2), en van Friesland, 1605 3), gaven een breed omschreven opdracht, terwijl de Generale synode van Dordrecht, 1618/19, in de door haar opgestelde kerkenordening eene korte omschrijving gaf, die eenigszins als model kan dienen, en die meer dan twee eeuwen als regel gegolden heeft. In Art. 49 dezer kerkenordening wordt bepaald, dat de deputaten hebben te verrichten wat hun door de synode wordt opgedragen, en voorts om de synode te vertegenwoordigen bij de Hooge Overheid, bij de classes, in het bijzonder om tegenwoordig te zijn bij de examens en haar in bepaalde gevallen met raad te dienen, en haar in voorvallende zwarigheden de hand te bieden, opdat de goede eenheid, orde en zuiverheid der leer behouden en bevestigd zou worden. Door de Generale synode van de Gereformeerde kerken in Nederland is dit artikel nog eenigszins verkort. De synode van 1892 liet weg de woorden: „zoowel bij de Hooge Overheid als”, terwijl in 1905 door de synode van Utrecht werden geschrapt de woorden: „bij de respectieve classen onder haer sorterende”, zoodat niet meer dan de algemeene bepaling in het begin van het artikel overbleef: „om alles wat de synode geordonneerd heeft te verrichten”, en Art. 49 sedert aldus luidt: „Iedere synode zal ook eenigen deputeeren, om alles wat de synode geordonneerd heeft te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de classes de hand te bieden, waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans, ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst, voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat.”

1. De taak der Deputaten in het algemeen wordt samengevat in deze weinige woorden uit te voeren wat de synode geordonneerd, d.w.z. hun opgedragen of bevolen heeft. In deze woorden ligt reeds heel de taak der deputaten opgesloten. De synode kan, omdat zij naar Gereformeerde opvatting niet een permanent bestuurslichaam is, niet alle door haar genomen besluiten uitvoeren. Daarom benoemt zij voor de uitvoering harer besluiten, of voor het vervullen van een opdracht, hetzij om een


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 362.
2) A.w. Acta VII. 70.
3) A.w. Acta VI. 154.

|221|

kwestie te onderzoeken en eenige zaak voor de behandeling op een volgende synode voor te bereiden, hetzij om de kerken in bijzondere gevallen te representeeren bij andere kerken of bij de overheid, of ook om de eenheid en het welzijn der kerken te bevorderen, hare deputaten, met een wel omschreven instructie, waaraan zij gebonden zijn.

Als regel geldt en dient te gelden, dat voor de onderscheidene zaken telkens afzonderlijke deputaten benoemd worden. En ofschoon een synode rekening moet houden met de geschiktheid der personen, is het aan te bevelen, dat zij niet al te veel opdrachten aan dezelfde personen geve, niet alleen om deze personen niet al te zeer te bezwaren, maar ook opdat hun invloed niet de rechte maat overschrijde. Deze algemeene bepaling geldt zoowel voor de particuliere als voor de generale synoden.

2. Deputaten voor de correspondentie met de Hooge Overheid.
De bijzondere verhouding, waarin de Gereformeerde Kerken na 1572 tot de overheid stonden, bracht mede, dat er door de synoden deputaten werden benoemd om met haar te handelen. De kerken wilden gaarne, dat de overheid de kerkenordening bevestigde, en had daartoe haar veel invloed in kerkelijke zaken gegeven; en omdat de overheid de beurs had, waaruit de tractementen vloeiden, kwam het dat de kerk zoveel had te vragen aan de Staten. Eerst werden voor ieder der zaken afzonderlijke deputaten benoemd, maar omdat er zoveele en zo velerlei zaken met de Staten te behandelen waren, was het onpractisch en omslachtig om voor allerlei kwesties nieuwe deputaten te benoemen, en zoo kwam het, dat men al meer aan dezelfde mannen opdroeg.

Voor een niet gering deel bestond het werk van deze deputaten in het indienen van requesten, dat de Staten zouden zorgen voor verbetering der tractementen en pensioenen, dat zij maatregelen zouden nemen tegen de Paapsche stoutigheden en de roepende zonden, en dat zij zouden waken tegen het inkomen van secten, zooals de Arminianen, de Socinianen, de Kwakers, de Hernhutters en anderen. Voorts werd aangedrongen op een generale huwelijksordinantie, en werd den Staten verzocht op te treden ten gunste van verdrukte geloofsgenooten. Bovendien waren er zoovele terreinen, waarop kerk en overheid elkander ontmoetten, dat er geregeld aanleiding was om de overheid te raadplegen en verzoeken tot haar te richten. Met groot geduld en aanhoudenden ijver hebben deputaten de verzoeken om hulp en de klachten over het niet handhaven der plakkaten aan de Regeering voorgelegd. En al werd hun arbeid niet altoos met goed gevolg bekroond, de invloed der kerken door hare deputaten bij de Regeering is zeer groot geweest.

Een bijzonder deel van den arbeid der deputaten bij de Hooge Overheid waren de audiënties bij de overheidspersonen, het aanbieden van gelukwenschen bij verjaardagen en heugelijke gebeurtenissen in de

|222|

gezinnen der stadhouders, welke gelegenheid de kerkelijke mannen wel eens aangrepen om bijzondere belangen in de gunst van den stadhouder aan te bevelen. Van niet minder beteekenis was de geregelde begroeting van den raadpensionaris, aan wien de deputaten gewoon waren geregeld te rapporteeren over hun arbeid, en zijn advies in te winnen over de in te dienen requesten bij de Staten. Van vrijwel denzelfden aard waren de bezoeken bij den Commissaris-politiek. De commissarissen-politiek hadden zeer veel te zeggen in de kerkelijke vergaderingen. De magistraat had zich het recht weten te verzekeren, hetwelk zelfs in de Kerkenordening (Art. 37) was vastgelegd, dat zij zich in den kerkeraad kon doen vertegenwoordigen, door een of twee harer leden, „wesende Lidtmaten der Ghemeente” met deliberatieve stem, zoodat de kerk daardoor voor goed onder den duim van de magistraat was gekomen, en er niet ten onrechte is gezegd dat de gemeenten beheerd werden op het stadhuis in de „Bierbank, daer de Magistraten op de Dorpen veeltijds hare saeken plegen te verrichten”. In al de provinciën, behalve Zeeland en Drenthe, werden geregeld Provinciale synoden gehouden, en deze vergaderingen werden ook bijgewoond door commissarissen-politiek. Zij werden gewoonlijk voor hun leven benoemd, doch ontvingen jaarlijks nieuwe commissies. „Rechtens bezaten zij een adviseerende stem, doch feitelijk een dictatoriaal gezag, en bemoeiden zich veelal met alle voorkomende zaken, als waren zij de bestuurders der kerk” 1). De synoden waagden het tenminste niet van hunne adviezen af te wijken, en wanneer deputaten een enkele maal met commissarissen in botsing kwamen, moesten zij wel gehoorzamen 2).

Omdat thans de verhouding van kerk en overheid een geheel andere is dan in de dagen der republiek, en de macht van de overheid met betrekking tot kerkelijke zaken is vervallen, is ook de taak van de Deputaten voor de Correspondentie met de Hooge Overheid een andere geworden. Hun taak is volgens de besluiten der synoden van 1893, art. 138 en van 1908, art. 52: 1. Alle stukken, die van de Regeering bij hen inkomen, bestemd voor de kerken, ter harer kennis te brengen; 2. alle veranderingen in de bij de Regeering berustende lijst door de kerken medegedeeld aan de Regeering bij haar te bevestigen, en van de veranderingen in die lijst mededeeling te doen aan de kerken; 3. „in buitengewone gevallen van rouw en vreugde, het Koninklijk huis betreffende, betuiging van deelneming in naam der kerken aan de Hooge Overheid te brengen; 4. aan de Hooge Overheid op eventueele vragen naar het gevoelen der kerken over bepaalde zaken antwoord te geven, voorzoover


1) Dr G.J. Vos, Gesch. d. Vad. kerk, 1888, bl. 150.
2) Dr H.C. Rutgers, Kerkel. Deputaten, bl. 93.

|223|

onze kerken zich (na 1892) over deze en dergelijke zaken hebben uitgesproken in Generale Synode, en van de eventueele vragen der Regeering en de daarop gegeven antwoorden mededeeling te doen.” 5. Het ontvangen en bewaren van alle mededeelingen en afschriften, betrekking hebbende op rechtsgedingen en alle belangrijke correspondentie, enz.

3. In de derde plaats is het de taak der Deputaten om aan de classes bij voorvallende zwarigheden hulp te verleenen, opdat de eenheid, de orde en de zuiverheid der leer behouden en bevestigd worden. Oorspronkelijk, vóórdat er nog synodale deputaten waren, was de behartiging dezer zaak aan de synodale classis opgedragen. De synode van Schoonhoven (1579, art. 12) besloot aan de classis, die geroepen was de synode saam te roepen, op te dragen, dat zij, zoo er eenige zwarigheid of oneenigheid voorviel in de classes, zou zorg dragen om of zelve of door hare deputaten deze te beëindigen, en dat zij zoo zij daarin zelve niet slaagt bevoegd is eene vervroegde synode samen te roepen. Deze last van deputaten werd later op aandrang der Staten uitgebreid. Zelfs machtigde de synode van Rotterdam in 1605 de deputaten om zich bij intercessie in alle in de kerken ontstane geschillen te mengen. Zij zette hierbij de eerste schrede op den weg, die er toe kon leiden, dat deputaten een soort superintendenten werden. En om dit te voorkomen bepaalde Dordrecht (1619), dat deputaten werd opgedragen „den classen de hand te bieden”, waardoor werd uitgedrukt, dat deputaten het verzoek der classen om hulp te bieden moesten afwachten, en zich niet als deputaten mochten bemoeien met zaken, waarin door partijen hun raad niet gevraagd was. Herhaaldelijk drongen de Staten er door hare commissarissen op aan, om de bevoegdheid van deputaten uit te breiden, opdat deze zelf terstond zich in alle geschillen mochten mengen en beslissen, maar de synoden wilden, ofschoon zij er prijs op stelden, dat de classen in alle gewichtige zwarigheden de hulp van deputaten zouden inroepen, aan het verlangen der Staten niet toegeven en handhaafden de bepaling, in Art. 49 der Dordtsche Kerkenordening gesteld 1), terwijl zelfs de synode van Brielle (1726) uitdrukkelijk een verklaring gaf van de Dordtsche bepaling in deze clausule: „welverstaande, dat hun Eerw. des verzogt worden door de resp. Classen”.

Aan deputaten mag geen bevoegdheid gegeven worden om zelfstandig uit eigen beweging zich in te laten met de beslechting van geschillen. Er zijn naar Gereformeerd kerkrecht slechts vier kerkelijke vergaderingen, die eene besturende en beslissende macht bezitten. Wanneer deputaten verder zouden gaan dan de Dordtsche Kerkenordening heeft


1) Acta v. d. Syn. v. Schoonhoven 1630, art. 33; ’s Gravenhage 1634, art. 32; Brielle 1726, art. 2; Dr H.C. Rutgers, Kerkel. Deputaten, bl. 156.

|224|

bepaald, zouden zij licht ontaarden in een soort bestuur. Dit neemt echter niet weg, dat de classen, wanneer zij de hulp van deputaten inroepen, deze zaak niet behooren af te doen zonder deputaten. Vooral geldt dit, wanneer in een zeer ingrijpende kerkelijke kwestie, zooals deze ontstond naar aanleiding van het optreden van Dr Geelkerken, in 1926, de Generale synode deputaten benoemt als commissie van advies aan kerkeraden en classen.

De synode van de Gereformeerde kerken van 1905 heeft voor deze kerken de breede Dordtsche redactie van Art. 49 verkort, en alleen laten staan: „en in voorvallende zwarigheden aan de classen de hand te bieden.” Naast de bijzondere zwarigheden bieden de deputaten der synode hulp in zaken, die bij de vastgestelde orde der kerken geregeld zijn, als: de losmaking van predikanten naar art. 11; de emeriteering van predikanten naar art. 13, bij de toelating van predikanten uit andere kerken, gelijk door de Gereformeerde kerken bepaald is voor een Hervormd predikant, die tot de Gereformeerde kerken wenscht over te gaan (1893, art. 166), en eveneens voor een predikant uit de Chr. Geref. kerk (1914, art. 79), die wenscht over te gaan, van predikanten, die den band met de Gereformeerde kerken verbreken en later wenschen terug te keeren (1899, art. 153), terwijl in sommige gevallen zelfs het oordeel van de volle particuliere synode vereischt is bij de toelating tot het ambt van afgezette predikanten (1927, Art. 96) en van predikanten, die moedwillig den dienst in de gemeente hebben verlaten (1930).

Deze deputaten zijn in den regel dezelfde, die ook over de peremptoire examens staan. In bijzondere gevallen kan echter de synode ook afzonderlijke deputaten benoemen, gelijk dan ook de Generale Synode van Utrecht (1905) bepaalde, dat voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten benoemd moeten worden.

4. Het bijwonen van de peremptoire examens der aankomende predikanten. De kerken hebben reeds heel vroeg deputaten der particuliere synode voor de examens gewild. Reeds op de Zuid-Hollandsche synode van 1579 was de vraag besproken of het niet noodig was, geregeld deputaten te benoemen 1), en weldra werden niet alleen in Zuid-Holland, maar ook in de meeste andere provinciën zulke gedeputeerden benoemd. De Leidsche classis bracht hiertegen bezwaar in, en oordeelde dat bij de examinatie van studenten, die aan de Leidsche academie bij mannen als Trelcatius, Junius en Gomarus, die geen enkele reden van wantrouwen hadden gegeven, hadden gestudeerd, geen synodale deputaten vereischt werden. De synode van Schoonhoven (1597, art. 18, 19, 24)


1) Reitsma en Van Veen, Acta II. 181.

|225|

oordeelde echter, dat de examinatie ten overstaan van deputaten synodi niet in strijd was met art. 18 der synode van 1586; dat ook de professoren noch de classen hierdoor in hun rechten verkort werden, maar dat de tegenwoordigheid der deputaten „diendt tot meerder verseeckertheydt van de beqaumheydt der dienaren”, en zij bepaalde „dat voortaen alle die dienaren des classis, zooveel doenlycken is, sich sullen laten vinden by de examinatie, ten eynde sy alle van de gelegentheydt des geexamineerden kennisse moghen draghen ende met ghemeene stemmen advyseren, item dat de lidtmaten des classis stemmen sullen, naerdat de ghedeputeerde des synodi eerst haer advys gegeven sullen hebben”. De synoden van Dordrecht (1598, art. 12), Leiden (1600, art. 48, 53) en Schiedam (1602, art. 15) bevestigden dit besluit. Enkele provinciën, o.a. Zeeland, volgden dit gebruik niet, en daarom heeft de synode van Dordrecht (1618/19), om eenparigheid te bevorderen, een artikel in de Kerkenordening opgenomen.

De reden, waarom de synoden zulke deputaten ad examina wilden, is hiermede duidelijk aangegeven. Een predikant wordt volgens art. 4 K.O. dienaar uit kracht van de roeping door de plaatselijke kerk. Maar uit kracht van het kerkverband wordt hij door alle kerken eerst als wettig dienaar erkend, en als dienaar op de meerdere vergaderingen toegelaten, en tevens bevoegd geacht zonder nader onderzoek in andere kerken te dienen, wanneer hij door de classis in tegenwoordigheid van de synodale deputaten is onderzocht. Opdat dus de kerken den vereischten waarborg hebben, dat de candidaat bekwaam en geschikt is, en opdat er eenheid zij in de gestelde eischen, is het noodig, dat vertegenwoordigers der synode bij het examen tegenwoordig zijn en hunne toestemming geven.

Er is wel eens over gesproken, dat terwille van de gelijkheid der exameneischen in plaats van deputaten der Particuliere Synode deputaten der Generale Synode moesten aanwezig zijn. Doch hiertegen gelden de volgende bezwaren: a. dat zulke deputaten al te veel overwicht in het kerkelijk leven, ook op de studie, zoowel in materieel als in formeel opzicht, zouden verkrijgen; b. dat zulke deputaten veel te veel werk zouden hebben en veel te veel tijd zouden verliezen door de afstanden, en deze maatregel ook te duur zou zijn; c. dat de generale synoden slechts alle drie jaren samenkomen, en beslissingen in voorkomende moeilijkheden te lang moeten wachten; d. dat te sterke centralisatie tot veel machtsaanmatiging en misbruik aanleiding zou kunnen geven.

De deputaten ad examina zijn niet aangesteld om examen af te nemen, maar om toezicht te houden op het examen en advies uit te brengen. Wel kunnen zij zoo noodig vragen stellen aan den candidaat,

|226|

maar de classis examineert. In tegenwoordigheid van deputaten wordt over het gehouden examen beraadslaagd, en nadat deputaten hun advies hebben uitgebracht, beslist de classis over al of niet toelaten van den candidaat tot de heilige bediening.

Komt de beslissing der classis overeen met het advies der deputaten, dan loopt de zaak gemakkelijk. Bezwaar zal ook wel niet ontstaan, wanneer deputaten tot toelating adviseeren en de classis iemand niet toelaat. Maar omgekeerd, wanneer de classis tegen het advies der deputaten wel toelaat, kan dit groote moeilijkheid opleveren. Blijkt het verschil alleen te bestaan over de kennis in een enkel vak, dan zou herexamen gewenscht kunnen zijn. Doch wanneer de classis tegen het advies der deputaten iemand zou toelaten, dan ligt het op den weg der deputaten de classis ernstig te waarschuwen, en daarvan te rapporteeren op de synode, die alsdan beslist hoe gehandeld moet worden. In afwachting van deze beslissing behoort het in dienst treden van den geëxamineerde uitgesteld te worden. In den regel zal in zulk een geval de synode haar deputaten handhaven en een nieuw examen gelasten. Dat eene classis zich niet zou voegen naar de uitspraak der synode, is ondenkbaar, want dan zou de classis hiermede het kerkverband verbreken, en zou de betrokken predikant buiten de classis niet erkend worden.

 

De bevoegdheid der deputaten.

Deputaten zijn afgevaardigden eener kerkelijke vergadering met opdracht om een bepaalde werkzaamheid of bepaalde werkzaamheden, die de vergadering zelve niet kon doen, namens haar te verrichten, of wel wat door haar besloten werd uit te voeren, met macht om te adviseeren, te vermanen, te waarschuwen, enz., maar niet met de macht om zelfstandig te handelen. Zij moeten en mogen hunne bemoeiingen niet uitstrekken tot kerkelijke zaken en aangelegenheden, waaromtrent zij geen opdracht hebben, opdat zij geen aanleiding geven te denken, dat zij bisschoppen of superintendenten zijn. Hiervoor hebben de Nederlandsche Gereformeerde kerken altoos beslist gewaarschuwd, gelijk onmiskenbaar blijkt uit Art. 1 van de Kerkenordening van Emden, welk artikel in de latere redacties steeds onveranderd gebleven is: „Geen kerk zal over eene andere kerk, geen dienaar over eenen anderen dienaar ... eenige heerschappij voeren.” Voetius 1) licht deze gedachte toe met de volgende vergelijkingen: „Als een dienaar of ouderling door den kerkeraad gezonden wordt om een van zijne mededienaren of medeouderlingen iets aan te zeggen of op te leggen, dan brengt dit niet


1) Pol. Eccl. IV. 146.

|227|

mede, dat hij daardoor verheven wordt of zich verheft boven zijnen mededienstknecht, of dat hij geacht wordt met een nieuw ambt van bisschoppelijkheid of hoogheid bekleed te worden, of dat eene nieuwe en bijzondere kerkelijke macht wordt ingevoerd. Desgelijks als de leden der gemeente, op voorgang van den kerkeraad, met hem, en als het ware in hem een lid excommuniceeren, dan brengt dat niet mede, dat zij zichzelven eene hoogheid of heerschende macht over hunne broeders toekennen.” En zoo ook brengt de zending van kerkelijke deputaten door een classis of eene synode benoemd niet mede, dat deze een bijzondere macht of een kerkelij ken rang bezitten, maar hunne werkzaam­heden hebben zich niet verder uit te strekken dan waarvoor zij een bepaalde opdracht bezitten, met inachtneming van de in de kerk levende orde en met verantwoording aan de hen zendende kerkelijke vergadering. Het ontbreekt dan ook niet aan voorbeelden in de acten der synoden, dat de deputaten verslag deden van hunne handelingen en dat de vergadering het werk van deputaten onderzocht en goedkeurde of ook daarin verandering aanbracht 1).

In zeer bijzondere en spoedeischende gevallen kunnen deputaten de classen of kerken te hulp komen, maar dan toch alleen in dien zin wanneer zij daartoe geroepen worden door de vergadering, die raad of steun behoeft. „Maar dan toch” — zooals Voetius zegt 2) — „alleen door raadgeving, en (om het zoo eens uit te drukken) door tusschenspraak en door aanteekening van verzet; om het dreigend gevaar, de zeer ernstige beroering of misschien wel verwoesting der kerken en de algeheele schending der orde te voorkomen, of althans zoolang tegen te houden, totdat de synode of classe kon worden samengeroepen.” Zoo heeft ook de synode van Assen (1926, art. 210) in het geval Dr Geelkerken een commissie van advies benoemd, aan wie het recht werd toegekend, zich — indien noodig — anderen te assumeeren, om waar dit noodig bleek, van advies te dienen. Doch de kerken waakten er doorgaans voor, dat zulke deputaten geen beslissende, maar alleen uitvoerende of raadgevende macht hebben. In concrete gevallen, in een moeilijke tuchtzaak, of wanneer een revolutionaire woeling de kerk dreigt te verwoesten, is wel eens aan een commissie een bijzondere macht toegekend om namelijk met synodale macht op te treden, zooals in de procedure tegen de Remonstranten wel is geschied, gelijk dan ook de Zuid-Hollandsche synode van Delft (art. 69) bepaalde: „Tegen alle welcke (predikanten die onwettig in den dienst waren gekomen, en door verkeerde leeringen ergernis hadden gegeven) persoonen de voors.


1) Reitsma en Van Veen, Acta VI, bl. 287; Rutgers, Acta, bl. 561, 571 v.v.
2) Pol. Eccl. IV. 145.

|228|

gedeputeerde handelen sullen met soodanigen authoriteyt, alsoff de synode selue ware tegenwoordich, naerdat sy sullen vinden te behooren, mits conditie nochtans, dat diegene, die haer by de wtsprake der gedeputeerden vinden gegraveert, sich sullen beroupen mogen ad synodum nationalem.”

Wanneer echter de kerken of classen niet luisteren en zich niet willen voegen naar den raad van synodale deputaten, dan kunnen deze niet eigenmachtig optreden, maar wel dringend raden en vermanen, en zoo noodig zich wenden tot de synodale of roepende kerk, met verzoek eene buitengewone synode samen te roepen. Zoo heeft ook de classis Amsterdam in 1926 op advies der Provinciale deputaten, gehoord het advies der hoogleeraren te Kampen en te Amsterdam, besloten „zich tot de Particuliere synode van Noord-Holland te wenden met het verzoek ten spoedigste een vervroegde Generale Synode te doen bijeenkomen, ten einde over deze zaak (van Dr Geelkerken) in haar geheel een beslissing te nemen” 1). Hoe gevaarlijk het echter is, dat de synode een al te ruime opdracht geeft aan hare deputaten, bleek in de Schotsche kerk 2). Men had in 1560 slechts 12 predikanten, waarvan 7 aangewezen werden voor de hoofdplaatsen, terwijl aan de 5 overige opgedragen werd rond te reizen, overal voor de organisatie van nieuwe gemeenten te zorgen en toezicht te houden op het leven en de uitoefening van het ambt der dienaren, om daarvan rapport uit te brengen aan de Generale Synode. Deze instelling van superintendenten was tijdelijk bedoeld. De synode achtte haar niet in strijd met het beginsel, dat alle dienaren gelijk zijn, aangezien die superintendenten geheel aan het toezicht der synode onderworpen waren. Voorts moest deze instelling slechts tijdelijk zijn. Toch bleek naderhand deze instelling verkeerde gevolgen te hebben. De superintendenten wilden hun macht uitbreiden. En later wees men, toen pogingen werden aangewend om in Schotland het episcopaat in te voeren, op deze instelling, en een zoon van een dezer superintendenten, die onder koning Jacobus I tot bisschop benoemd werd, zeide, dat hij niets anders deed dan zijn vader had gedaan.

Bij de bepaling van de macht der deputaten behoort nauwkeurig gelet op de grenzen der bevoegdheid zoowel van de synode, die zendt, als van deputaten, die gezonden worden. Elke synode kan alleen beslissen in de zaken, die volgens de kerkenordening tot haar gebied behooren. En hieruit volgt, dat zij aan hare deputaten geen bevoegdheden schenken kan, welke haar zelven niet toekomen. Maar tevens kan


1) Memorieboek, 1926, bl. 11.
2) Brandes, John Knox, S. 243, 433.

|229|

de synode niet al hare macht, die zij als kerkelijke vergadering bezit, overdragen op hare deputaten. Er bestaat ook geen enkele bepaling van kerkorde of synode, die haar zulk een macht voor alle voorkomende zaken verleent. De deputaten behooren een wel omschreven last te ontvangen voor een bepaalde zaak. Doch hieruit volgt ook, dat deputaten niet voor langeren tijd benoemd moeten worden dan tot de naastvolgende synode, op welke zij van hunne handelingen rapport hebben te doen, en zich hebben te verantwoorden.

Op eigen gezag behooren deputaten geen zaak te doen. In den regel hebben dan ook deputaten geweigerd zich in te laten met zaken, waartoe zij geen last hadden ontvangen. Toch kan het geval zich voordoen, dat de hulp of raad van deputaten wordt ingeroepen. In zulke gevallen kunnen zij met mededeeling, dat zij hiervoor geen opdracht hebben ontvangen, wel als personen dienen van raad en advies, daarbij in aanmerking nemende wat naar hun overtuiging de synode in zulk een geval zou gedaan hebben. Ook kunnen zij, zooals ook wel geschiedt, de vragende kerken of personen verwijzen naar de meerdere vergaderingen, classen en synoden, die gehouden worden voor de synode samenkomt, en ook daar — desgevraagd — dienen van advies.

Het ligt in den aard der zaak, dat deputaten der particuliere synode voor het bijwonen van de examens, enz. en deputaten der Generale Synode, die volgens hun opdracht met de classen of synoden hebben te handelen, op de uitvoering van een besluit hebben aan te dringen of regelingen hebben te treffen, of die voor de behandeling eener zaak van orde en tucht zijn aangewezen, door eene mindere vergadering behooren te worden ontvangen, en in de gelegenheid te worden gesteld zich van hun opdracht te kwijten, maar zij hebben niet het recht zelf eene vergadering van classis of synode samen te roepen, wijl zij dan optreden als een bestuur, en dit geheel buiten hun competentie ligt 1). Wanneer dan ook eene synode aan hare deputaten het recht verleent, zooals de synode van Den Briel (1623, art. 7, 40) deed, om, bij het ontbreken of bij weigering van de deputaten der classis eene vergadering saam te roepen, zelf een vergadering te convoceeren, is dit geheel in strijd met het recht dat aan eene synode toekomt.

In bijzondere tijden, wanneer — zooals vroeger herhaaldelijk voorviel — de kerkelijke vergaderingen niet geregeld konden samenkomen, hebben kerkelijke mannen wel eens zelfstandig moeten handelen. Daardoor is historisch in Hongarije een speciale vorm van kerkregeering ontstaan, namelijk een samenweving van het bisschoppelijke ambt met het synodaal-presbyteriaal systeem, dat in onderscheiden tijdperken


1) Dr H.C. Rutgers, Kerkel. Deputaten, bl. 186-224.

|230|

zegenrijk voor de kerk aldaar heeft gewerkt, maar dat in gewone tijden ook een schadelijke zijde heeft. Doch in ons land was het gebruik, dat de synoden later, wanneer zij weder konden samenkomen, de handelingen harer deputaten goedkeurden.

Vroeger duurde het deputaatschap eener Provinciale synode twee jaar, en werd telken jare een ander benoemd, die met het lid dat zitting bleef houden het werk dat opgedragen werd verrichtte. In lateren tijd, en zoo ook thans in onze kerken, duurde het in den regel drie jaren van Generale tot Generale Synode, terwijl een deputaatschap eener particuliere synode duurt van de eene tot de andere synode, dus in den regel één jaar. Deputaten zijn en blijven aan hun last gebonden totdat de synode hen er van ontheft, gelijk art. 49 der K.O. zegt: „Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst voor en aleer de synode zelve hen daarvan ontslaat.” Gewoonlijk wordt dit zoo opgevat, dat wanneer de synode is samengekomen de deputaten hun mandaat hebben verloren. Alzoo was de oude beschouwing niet, en alzoo is het niet naar de letter van art. 49 K.O., volgens hetwelk zij niet ontslagen zijn van hun werk, vóór de synode hen daarvan ontslaat.

 

Tot de deputaten der synode behooren ook de correspondenten, die in vroeger en tijd uit de meeste provinciën naar de provinciale en particuliere synoden gezonden werden. De oorzaak van de instelling dezer correspondentie tusschen de verschillende synoden ligt daarin, dat de Heeren Staten het samenkomen eener Nationale Synode verhinderden. In 1586 was op de Nationale synode van ’s Gravenhage nog verklaard: „De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, tenware dat er eenige dringende nood ware om den tijd korter te nemen.” Maar in 1589 werd de synode niet saamgeroepen. Niettegenstaande er dringende nood was, doordat allerlei dwalingen het kerkelijke leven onrustig maakten, bleef de Generale Synode uit. Daarom gingen de kerken omzien naar middelen om in het gebrek eener Nationale Synode te voorzien.

Reeds in 1591 gevoelde de particuliere synode van Zuid-Holland, dat er iets moest gedaan worden om betere correspondentie te verkrijgen (Art. 35). En de particuliere synode van Zuid-Holland, 1593 te Den Briel vergaderd, besloot (Art. 23) „onder correctie ende believen der heeren Staten ende van de Noordthollandsche synode, dat uyt elcke synode van Hollandt twee sullen gedeputeert werden om respectivelyck twee van d’ eene in d’ andere synodale vergaderinge te verschynen.” Zij zond twee afgevaardigden naar de N. Hollandsche synode om deze zaak aldaar te bespreken ten einde deze correspondentie „voortaen in alle synodale vergaderingen van Hollandt geëffectueert moge worden.”

|231|

Dit voorstel werd door N. Holland aanvaard, en in het volgende jaar zond zij ook hare afgevaardigden naar de Zuid-Hollandsche synode. Tusschen Overijssel en Gelderland bestond de correspondentie nog vroeger. Reeds in 1579 zochten die van Deventer, Kampen en Zwolle correspondentie met Gelderland, welke correspondentie echter later door Overijssel werd afgebroken, omdat de Geldersche broeders een keer op de synode van Overijssel een al te hoogen toon hadden aangeheven. Gelderland echter hield niet van het isolement, en zocht onder leiding van Johannes Fontanus betrekkingen aan te knoopen met Zuid-Holland. De Zuid-Hollandsche synode besloot tot correspondentie met Gelderland onder voorbehoud dat ook Noord-Holland toestemde. En bij die gelegenheid 1) werd gesproken om pogingen aan te wenden „dat men uyt alle Synoden deser Geunieerde Provintien eenen op elcken synode mocht sien te becommen om den standt der kercken int ghemeene te weten ende alsoo beter conformiteyt te houden.” Maar met het houden van correspondentie met andere provinciën behalve met Gelderland en Noord-Holland liep het niet zoo vlot, en daarom besloot de Zuid-Hollandsche synode de zaak voorshands te laten rusten 2). Tot op de synode van Dordrecht (1618/19) zijn de particuliere synoden van Noord- en Zuid-Holland en Gelderland vrij trouw in correspondentie gebleven, terwijl Groningen meermalen en Overijssel een enkele maal mede tegenwoordig was.

Juist, omdat de kerken door de correspondentie met elkander gemeen­schap konden hebben, en van elkanders toestand op de hoogte bleven en elkander konden sterken, is het te verstaan, dat de Zuid-Hollandsche synode het gravamen, dat er voor ’t vervolg correspondentie tusschen alle particuliere synoden zou zijn, doorzond naar de Generale synode van Dordrecht, onder dese restrictie „dat sulx niet en verhindere een nationalem Synodum, ende dat de gedeputeerde rapport doen van haer wedervaren aen den particulieren Synodum” 3). Op deze wijze is art. 48 van de Dordtsche Kerkenordening ontstaan. De correspondentie werd goedgekeurd, doch niet voorgeschreven. Er werd bepaald: „Het sal yegelijcken Synodo vrystaen, correspondentie te versoecken ende te houden met synen Benabuerden Synodo ofte Synodis in sulcker forme, als sy meest profijtich achten sullen voor de gemeene stichtinghe.”

Zoo is dan de correspondentie langzamerhand tusschen bijna al de provinciën gewoonte geworden. In 1624 trad Utrecht toe, in 1630 ook Friesland, waar de Staten aanvankelijk geen toestemming wilden geven. Zeeland's Staten wilden geen verlof geven, en Drenthe deed ook niet


1) Acta Syn. Den Haag 1599, Art. 14, 19.
2) Acta 1600, Art. 11.
3) Acta 1618, Art. 39.

|232|

mede. Maar overigens vinden wij tegen het einde van de zeventiende eeuw de namen van alle de correspondenten en de vermelding van de besluiten, door de andere synoden genomen, in de acten der provinciale synoden opgeteekend.

Welke rechten hadden de gedelegeerden der eene synode op de andere synode? De synode van Rotterdam (1594) 1) bepaalde, dat de gedeputeerden met de vergadering der andere provinciën zouden „delibereren ende adviseren, sonder te hebben stemmen om te decideren in eenige saecken, ten ware deselve haerluyden mede aenginge.” En dit alles bij provisie. Toch is deze regel wel de meest aanbevelenswaardige, overeenstemmend met die van de correspondentie met de buitenlandsche kerken. Het ligt voor de hand, dat afgevaardigden van zusterkerken wel in de gelegenheid gesteld worden hun oordeel te zeggen en te adviseeren over belangrijke kwesties, maar dat zij niet een beslissende stem hebben in zaken, die niet hun eigen kerken aangaan, want de beslissing in zaken van eigen kerken berust bij de kerken zelve. Op de synode van Dordrecht (1618/19) was aan de buitenlandsche afgevaardigden een beslissende stem toegestaan in zaken van de leer, want juist voor dat doel waren zij genoodigd, maar toen de beslissing over de zaak der Remonstranten was genomen, lieten de buitenlanders als van zelf het eindoordeel aan de Nederlandsche afgevaardigden 2).

De taak van de gedelegeerden na 1618 was om met de vergaderde synode eener provincie te beslissen in de handelingen aangaande de Bijbelvertaling, en om bij de H.H. Staten aan te dringen op afschaffing en wering van allerlei booze misbruiken in het volksleven. Ook hadden zij gelijk recht met de leden der synode, wanneer het ging over een onderzoek naar buitenlandsche kerken, en om hulp te verleenen aan verdrukte en vervolgde kerken en christenen. Ook kwam de invloed der gedelegeerden uit in de zaken der leer, en in de benoeming van predikanten bij het leger. Mede werd door de correspondentie bereikt de eenheid in de liturgie en de inrichting der kerkelijke vergaderingen. Op deze wijze was in de jaren tusschen 1618 en het einde der 18e eeuw de correspondentie eenige vergoeding voor het gemis van eene generale synode van al de Gereformeerde kerken in ons land.

Toen echter de Gereformeerde kerken in de 19de eeuw vrijgemaakt waren van het valsche juk eener haar opgelegde synode, en zij zelve in synode konden samenkomen, kon het hulpmiddel van de correspondentie naar art. 48 der kerkenordening wegvallen. De in dat artikel bedoelde correspondentie wordt veel beter onderhouden, wanneer de


1) Reitsma en Van Veen, Acta III. 19.
2) Voetius, Pol. Eccl. IV. 199.

|233|

kerken zelve in generale synode vergaderen. Alleen in bijzondere gevallen, wanneer de kerken uit onderscheidene provinciën samenwerken voor de Zending of anderszins, kunnen zij nog met een wel omschreven regeling met elkander gemeenschap houden. Doch deze correspondentie geschiedt naar een regeling, door de Generale Synode van de Gereformeerde kerken goedgekeurd.


Bouwman, H. (1934)


COMMENTAAR OP
Kerkorde GKN (1905) Art. 48
Kerkorde GKN (1905) Art. 49