196. Mag bij ergerlijke en opzienbarende zonde terstond worden overgegaan tot den eersten trap van excommunicatie, met overslaan van de censuur?

 

(1916.)

328. In uw brief, vraagt ge, met betrekking tot een in X voorkomend geval, mijn gevoelen over de manier van

|299|

toepassing der kerkelijke tucht; waaromtrent in uwen kerkeraad verschil van gevoelen is.

Voor zooveel ik door uwe mededeelingen met deze zaak bekend ben, komt het mij voor, dat dit verschil op twee punten betrekking heeft, nl. op deze twee vragen: 1º of hier te handelen is naar art. 76 K.O., dan wel naar art. 77; en 2º of hier, indien naar art. 76 gehandeld wordt, daaraan is toe te voegen, dat deze censuur terstond aan de gemeente wordt bekend gemaakt.

Wat het eerste punt betreft, wordt de genoemde vraag eigenlijk reeds duidelijk beslist door den inhoud van die twee artikelen der K.O., waarvan de bepalingen, reeds bij den aanvang der Reformatie in de 16e eeuw, door onze Gereformeerde kerken aldus op grond van Gods Woord zijn vastgesteld en sedert streng gehandhaafd.

Volgens die bepalingen heeft de kerkelijke discipline twee graden, waarvan de eerste bestaat in afhouding van het H. Avondmaal volgens art. 76, welke tuchtoefening uit den aard der zaak niet in meerdere trappen kan onderscheiden worden; en waarvan de tweede graad bestaat in de excommunicatie, die noodig kan worden wanneer de tijdelijke uitsluiting uit de gemeenschap blijkbaar geheel onvruchtbaar is, en die, volgens art. 77 K.O., dan drie trappen heeft bekendmaking aan de gemeente zonder vermelding van den naam, herhaalde bekendmaking met den naam (doch alleen met advies der Classe), en excommunicatie.

Dat is door onze vaderen aldus geregeld, omdat zij diep doordrongen waren van den ontzettenden ernst der excommunicatie, en van de heilige roeping der kerk om toch alles te doen, teneinde den gevallen broeder nog, zoo het eenigszins mogelijk was, tot bekeering te brengen. De weg, dien de kerkelijke discipline te bewandelen heeft, is dan wel lang, maar juist daardoor des te meer in overeenstemming met het doel der tuchtoefening.

Daarom mag men dien weg dan ook niet gaan verkorten, door, bij een voorkomend geval, art. 76 geheel ter zijde ter stellen, en aanstonds over te gaan tot de excommunicatie in haren eersten trap, volgens art. 77; ’t geen nog des te minder kan, omdat dit artikel in zijn begin uitdrukkelijk stelt, dat de toepassing van art. 76 reeds lang te voren heeft plaats gehad.

In het hier bedoelde geval kan dus zeker niet worden overgegaan

|300|

tot den eersten trap der excommunicatie volgens art. 77, maar moet gehandeld worden naar art. 76.

Daarbij kan dan nog gevraagd worden (wat ik hierboven als 2e verschilpunt noemde), of in het hier bedoelde geval aan de toepassing van artikel 76 nog kan of moet worden toegevoegd, dat de censuur terstond aan de gemeente wordt bekend gemaakt.

Dat is zeker niet bedoeld in onze Kerkenordening, die, blijkens art. 77, zulke bekendmaking eerst wil doen plaats hebben, als men meent tot de excommunicatie te moeten overgaan, en dus nog niet bij de toepassing van art. 76. En daarom is zeker niet goed te keuren, dat, met name in de 19e eeuw, sommige kerken zulke bekendmaking als gewoonte aannamen. Daar X die gewoonte niet heeft, zou ik dus zeker niet aanraden, haar thans te gaan invoeren.

Ook niet voor het bepaalde geval, dat zich nu voordoet.

Wel is voor den broeder, dien het hier geldt, de schuld van zijne echtbreuk des te zwaarder, omdat hij, jaren geleden, voor een dergelijk feit reeds gecensureerd is geweest. Maar destijds is hij, na openlijke schuldbelijdenis, toch van die censuur weér kunnen ontheven worden, en is hij daarna door den kerkeraad zelfs geëerd, door hem als collectant voor de kerk te doen fungeeren. De vroeger begane echtbreuk moet dus m.i. wel maken, dat hem thans een langere proeftijd gesteld wordt, voordat hij, na blijkbare ingetogenheid van leven, van de censuur zal kunnen ontheven worden; maar zij geeft toch geen voldoenden grond om thans ten zijnen aanzien van den regel der K.O. en van de gewoonte der kerk af te wijken.

En die reden kan ook niet liggen in de overweging, dat de kerkeraad door eene bekendmaking zou toonen waakzaam te zijn op het punt der tucht. Immers, die wordt geoefend, niet om der wille van den kerkeraad, van wiens waakzaamheid de gemeente niet door een ongewone handeling behoeft overtuigd te worden.

Denkelijk zal de bedoelde broeder wel reeds als collectant ontslag gevraagd hebben. En anders zou hem dit nu ongevraagd te geven zijn. In een eervolle kerkelijke functie kan hij thans niet meer optreden.

|301|

(1916.)

329. Uit uw schrijven blijkt mij, dat men in uwen kerkeraad nu toch algemeen inziet, dat in het hier bedoelde geval van kerkelijke tucht niet art. 77 K.O., maar art. 76 is toe te passen; ’t geen hier m.i. het principieele punt was, en nu aan u is toegegeven.

En de quaestie schijnt dan nu nog alleenlijk te zijn, of in dit geval de regel van „stille censuur” moet blijven gelden, dan wel, of hier redenen zijn om op dien regel eene uitzondering te maken (’t geen in onderscheidene gevallen raadzaam zijn kan, en dan ook in onze kerken geschied is en geschiedt).

Op dit punt nu zie ik geen bezwaar tegen dat zich neérleggen bij den aandrang van velen; ’t geen hier te eerder kan, omdat het vergrijp toch al in de gemeente publiek is. In ieder geval zou ik in uw geval over dit niet-principieele punt geen kerkelijke quaestie maken.