173. Moet na kermisbezoek door de schuldigen belijdenis worden gedaan voor den kerkeraad of voor den predikant?

 

(1905.)

288. Over het door u mij voorgestelde geval kan art. 75 K.O. niets zeggen, daar dit art. handelt over de verzoening van afwijkingen, die uit hun aard openbaar zijn of door verachting der kerkelijke vermaning openbaar zijn geworden, en gij mij schrijft over afwijkingen, die slechts ondersteld worden, en waarvan de vermoedelijke schuldigen zelfs nog niet bekend waren; dus zoo weinig openbaar als maar mogelijk is. Voor dezulken geldt veeleer art. 72-74 K.O. Waaruit volgt, dat de opzieners der gemeente (pred. en ouderlingen) zeker wel te onderzoeken hebben, indien zij gegrond vermoeden van iets ergelijks hebben, wie daaraan schuldig staan (zonder daarbij al te inquisitoriaal op te treden); maar als dan overtreding blijkt, en schuld wordt erkend, moet de opziener de zaak niet in den kerkeraad brengen. Naar de juiste beginselen van art. 72-74, volgens Mt. 18.

De officieele aanwijzing van één opziener (den pred.), voor wien eventueele en nog onbekende schuld te belijden is, en de oproeping daartoe in de samenkomst der gemeente, acht ik ook niet overeenkomstig de K.O. en de schriftuurlijke, Gereformeerde, beginselen. In den grond is dat eigenlijk een begin van de Roomsche

|260|

biecht, al bedoelt men zulks ook volstrekt niet. Alle opzieners staan in dit opzicht volkomen gelijk; en wat aan één hunner persoonlijk beleden is (zonder welke belijdenis hij de afwijking niet eens zou weten), mag die opziener dan niet meer in den kerkeraad brengen.

In de toekomst zou ik in uw geval dus liever zulke handelingen vermijden.