179. Moeten gemeenteleden, die in de Hervormde kerk geregeld kerken en daar zelfs aan het Avondmaal deelnemen, gecensureerd worden?

 

(1909.)

294. Het is zeer treurig, dat de BB. A. en B. aan hun individueel oordeel over kerkelijke handelingen zoo stijfhoofdig vasthouden, en er zelfs toe gekomen zijn zich nu aan de kerkelijke gemeenschap veelszins te onttrekken en zich kerkelijk aan te sluiten bij de Herv. Kerk, ja zelfs aldaar aan het Avondmaal deel te nemen.

|266|

Op zulk een houding en gedragslijn is het besluit van de Utrechtsche Synode van 1905 (Acta, art. 14) zeer zeker niet toepasselijk. Integendeel, de bovengenoemde BB. moeten erkennen en belijden, dat zij door zulke aansluiting bij de Hervormde kerk, vooral door de Avondmaalsviering aldaar, gezondigd hebben evenals ook door het zich onttrekken aan de kerkelijke gemeenschap in de Gereformeerde kerk.

Zijn zij door herhaalde vermaning en waarschuwing daartoe niet te brengen, dan moet m.i. kerkelijk tegen hen geprocedeerd worden.

Niet, door bij kerkeraadsbesluit uit te spreken, dat zij „door deelname aan de Avondmaalsbediening in de Hervormde kerk daadwerkelijk zich onttrokken hebben.” Want dat zou eigenlijk niet anders zijn, dan eene excommunicatie zonder vorm van proces; zonder alles wat in Gereformeerde kerken voor eene wettige excommunicatie vereischt wordt.

Maar wel, door de censuur van afhouding van het H. Avondmaal en dus van de volle kerkelijke gemeenschap.

Natuurlijk zou daar ten slotte, bij volharding, excommunicatie op moeten volgen. Maar dan niet zonder voorafgaand herhaald vermaan; ’t geen in onze kerken doorgaans jarenlang werd volgehouden (b.v. in ’t begin der 17e eeuw bij leden, die bij de Arminianen kerkten en Avondmaal vierden). Ziedaar in ’t kort mijn gevoelen.