189. Mogen degenen, die van het Heilig Avondmaal zijn afgehouden, deelnemen aan kerkelijke verkiezingen?

Zie bij art. 22 vr. 37.

(1901.)

319. In artt. 76 en 77 K.O. heb ik nooit iets anders kunnen lezen, dan wat gij er ook in leest, nl in art. 76 tijdelijke afhouding van het Avondmaal, met vermaningen enz., langen tijd herhaald, en daarna, als dit niet baat, art. 77 excommunicatie in drie stadiën. Dat is overduidelijk uit de vorige redactie van die artt. in 1571 vgg. Maar ook uit de tegenwoordige redactie (dateerend uit 1586), waar art. 76 duidelijk aanwijst, wat voorafgaat aan het „komen tot de uiterste remedie nl. de afsnijding”, en in art. 77 duidelijk staat, dat bij de eerste van de drie daar genoemde „vermaningen” of trappen, reeds moet te gewagen zijn van „de naarstigheid” aan hem bewezen in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal (naar art. 76) en menigvuldige vermaningen. De K.O. stelt dus twee stadiën of trappen; en de tweede is weêr in drie stadiën of trappen verdeeld. ’t Geen dus onderstelt, dat afkondiging in de gemeente van tijdelijke afhouding, naar art. 76, niet als noodig

|289|

is te stellen; eerder het tegendeel. Maar inzake van die afkondiging is ook zeker te rekenen met de omstandigheden der zaak, met plaatselijke usantiën enz. Hier in Amsterdam geschiedt afkondiging alleenlijk bij den eersten trap der excommunicatie, naar art. 77; niet bij tijdelijke afhouding, naar art. 76.

 

(1907.)

320. Afhouding van het H. Avondmaal (d.i. toepassing van art. 76 der K.O.) kan „den 1en trap van censuur” genoemd worden, als men ’t woord „censuur” in ruimen zin neemt, d.i. van alle toepassing van kerkelijke discipline; en als men ’t zoo neemt dan is de tweede trap de excommunicatie (d.i. toepassing van art. 77 K.O.), welke zelve dan wederom in drie stadiën of trappen verloopt (mededeeling aan de gemeente zonder naam — idem met naam, — en finale uitsluiting).

Doorgaans echter gebruikt men ’t woord „censuur”, en „onder censuur staan” in engeren zin, d.i. alleenlijk van de afhouding van het H. Avondmaal; en dan onderscheidt men ze van de „excommunicatie”, met hare drie trappen, die is toe te passen, wanneer de censuur door afhouding van het Avondmaal, na vele herhaalde vermaningen, ten slotte blijkt niet te kunnen baten.

Dit alles is duidelijk uit art. 76 en 77 K.O. wanneer men die goed leest (te meer nu art. 77, in het begin, door de Utrechtsche Synode in 1905 nog wat meer is verduidelijkt).

Daaruit volgt nu, dat de censuur door afhouding van het Avondmaal (volgens art. 76 toegepast) in den regel nog niet aan de gemeente is mede te deelen, daar dit, volgens art. 77 eerst geschieden moet, wanneer die censuur niet baat, en ook dan nog eerst zonder naam, en later, met naam, slechts op advies der Classe.