Artikel 71-80.

Van de censuur en kerkelijke vermaning.

Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijke gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.

|236|

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, een geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welken Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

Zoo iemand, van eene heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangegeven worden.

Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn, zal de verzoening (wanneer men genoegzame teekenen van boetvaardigheid ziet) in zulken vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken beoordeeld.

Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie een openbare of anderszins eene grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en

|237|

de daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen, in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem (tenzij hij zich bekeere) van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan.

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve vóór de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden Avondmale (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie) openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Wanneer Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel des Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode.

|238|

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns dienstes of indringing in eens anderen dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin; kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

 

160. Moet iemand, die Zondagsarbeid verricht, gecensureerd worden?

 

(1897.)

269. Ik kan het door u bedoelde geval niet geheel beoordeelen, daar ik met den broeder, dien het geldt, niet bekend ben. Maar in ieder geval blijkt wel, dat hij zich tegen de vermaning geenszins verhard heeft, maar zich daarnaar geschikt heeft, zooveel hem slechts mogelijk scheen, zoodat hij wel niet te rangschikken is onder „de verachters van God en zijn Woord en de heilige Sacramenten”, waarvan het Avondmaalsformulier, met het oog op het 4e gebod spreekt. Op dien grond, en onder belofte zijnerzijds, dat hij alle pogingen zal blijven aanwenden om van allen Zondags arbeid af te komen, zou misschien de censuur kunnen worden opgeheven, en de zaak aan zijn eigen conscientie, voorgelicht door Gods woord, worden overgelaten; mits in ieder geval ook blijke, dat hij in den dienst des Woords genoeg belang stelt, om eraan deel te nemen; zoo niet altijd des Zondags, dan in ieder geval eventueel in de week.

 

(1901.)

270. Hiernevens de ontvangen missive inzake weigering van huwelijksbevestiging terug. In die zaak ligt verkeerdheid: allereerst

|239|

bij den bedoelden man, hierin. dat hij nog niet tot belijdenis en toelating tot het Avondmaal kwam; en voorts bij den kerkeraad, die hem daarin, naar het schijnt, ongemoeid liet. Ook hierin, dat de kerkeraad, naar het schijnt, vroeger niet met hem gehandeld heeft over zijn Zondagsarbeid. — Deze laatste quaestie is natuurlijk veel te omvangrijk om in enkele woorden te worden behandeld. Er zijn er, die meenen dat alle Zondagsarbeid aan spoorwegen, posterijen, telegrafen, enz. enz., zóó beslist zondig is, dat wie dat anders inziet en dus daarin volharden wil, moet geacht worden buiten Gods Koninkrijk te staan, en dus te censureeren en voorts te excommuniceeren is. Anderen achten zulken arbeid onvermijdelijk. En nog anderen achten dien in het algemeen af te keuren, maar oordeelen dat die zaak, binnen zekere grenzen, aan ieders conscientie moet worden overgelaten; terwijl een algemeene regel, voor alle mogelijke gevallen, niet te stellen is. Ik zou het laatste gevoelen het meest juiste achten, en dan ook niet aan ieder den peremptoren eisch stellen, terstond zijn betrekking en broodwinning op te geven; vooral niet als ik hem die niet aanstonds op andere wijze kon vergoeden. En daarom zou ik, waar geen opzettelijke en bewuste overtreding van het 4e gebod is, en waar de bedoelde arbeid genoegzaam gelegenheid overlaat voor gebruik maken van den dienst des Woords en der Sacramenten, censuur door afhouding van het Avondmaal en voorts (want dat moet dan ten slotte volgen) door excommunicatie niet voldoende gemotiveerd achten. Maar - die quaestie is niet met een paar woorden af te doen. En ook is de vraag, of het goed is, een stuk, als het hier bedoelde, in een kerkbode op te nemen. Particulier kunt ge dien vrager ook wel antwoorden wat ge hem in den kerkbode zoudt willen zeggen. En eigenlijk hooren klachten over een kerkeraadsbesluit niet terstond voor ’t publiek, maar voor Classe en Synode.

 

(1904.)

271. Het is altijd moeielijk, een bepaald advies te geven over de toepassing van kerkelijke censuur in een concreet geval, als men met personen en omstandigheden niet genoeg bekend is. En

|240|

speciaal in het door u bedoelde geval komt daarbij, dat ik ten aanzien van zuivelfabrieken niet genoeg kan beoordeelen, of en in hoeverre het bewerken van melk op Zondag aldaar een werk van noodzakelijkheid kan genoemd worden. Ook bij werkzaamheden, die op Zondag niet absoluut noodzakelijk zijn, kan er toch een betrekkelijke en gedeeltelijke noodzakelijkheid zijn, als b.v. bij post en telegraaf, middelen van vervoer, enz.; om welke reden gemeenteleden, die daaraan verbonden zijn, hier in Amsterdam door onzen kerkeraad niet gecensureerd worden, maar men zich bepaalt tot onderwijzing en vermaning, en een werken op de conscientie, aan welke men het dan verder overlaat.

In het gegeven geval schijnt er wel iets voor te zijn, om, wanneer voortgezette vermaningen ten slotte niet baten, tot censuur over te gaan, daar de bedoelde broeder zelf bekent, in een zondigen weg te wandelen, en dus tegen zijne conscientie ingaat. Klaar ik kan niet beoordeelen, in hoeverre hij ten dien aanzien werkelijk overtuigd is, dan wel degenen, die hem aanspreken, min of meer napraat, ’t geen ook wel voorkomt. Ook geloof ik, dat, indien men censureert, de kerkeraad en de gemeente zedelijk geroepen zijn, te doen wat zij kunnen, om hem aan eene andere broodwinning te helpen. Men kan lichtelijk zeggen: gij moet uwe broodwinning opgeven; maar dat is voor dengene, die het geldt, zeer zwaar, als hij dan het vooruitzicht heeft aanstonds gebrek te lijden. M.i. moet de kerk dan, althans aanvankelijk, voor hem zorgen.

 

(1912.)

272. En bij het andere geval volgt de kerkeraad alhier, als het post, telegraaf, telefoon, spoorweg en dergelijke kringen betreft, waarbij Zondagsarbeid soms tot noodzakelijke werken behoort, den regel, dat hij vermaant, onderwijst, waarschuwt, enz., maar voorts de zaak voor ieders conscientie legt zonder in zulke gevallen te censureeren. Hoe het nu gesteld is bij dien jongeling, over wien ge schrijft, weet ik natuurlijk niet; en ook niet, welke diensten hij zou willen aanvaarden. En ook komt hierbij wel in aanmerking, hoe de zaak in de gemeente algemeen beschouwd wordt.