166. Moeten leden der Gereformeerde kerk, die geregeld elders kerkgaan, of weinig in de kerk komen, gecensureerd worden, of ook geëxcommuniceerd?

 

(1901.)

279. Uwe vraag betreft niet een kerkrechtelijk beginsel of regel, maar de toepassing ervan op een bepaald geval, waarbij natuurlijk alles afhangt van de gesteldheid van persoon en omstandigheden. Daar ik deze niet ken, en ook uit een brief niet genoegzaam kan kennen, kan ik over de bedoelde toepassing geen beslist advies geven. Bijna alles hangt in een geval, als hier schijnt te zijn, af van de reden, waarom de bedoelde zuster zoo weinig in de kerk komt. Er zijn natuurlijk allerlei wettige motieven van wegblijven; ook wel eens motieven, die iemand niet goed kan mededeelen. Daarom zou ik altijd voorzichtig zijn, eer ik officieel uitsprak, gelijk door excommunicatie geschiedt, dat zulk een zuster, enkel door haar wegblijven, toont buiten Gods koninkrijk te staan.

|249|

Maar hoe met die zuster te handelen is, kan ik natuurlijk niet zeggen, nu ik haar en hare omstandigheden niet ken, noch weet, wat zij tot haar verontschuldiging aanvoert of kan aanvoeren.

 

(1907.)

280. Het gaat zeker niet aan, een lid der Geref. kerk, die verklaart zulks te willen blijven, eenvoudig als zoodanig te schrappen, omdat de kerkeraad oordeelt, dat zoodanig lid door „daden toont de Geref. kerk verlaten te hebben″. Dat zou met de eischen van kerkelijk opzicht en tucht in strijd zijn; en zoodanig oordeel zou ook niet eens met de werkelijkheid overeenkomen: het zou dan, om geheel waar te zijn, moeten inhouden, dat zoodanig lid zich kerkelijk niet gedraagt, gelijk een lid der Geref. kerk zich moet gedragen, en dan daarom door den kerkeraad, tegen den wil van het lid zelf, buiten de kerkelijke gemeenschap gezet wordt.

Dit nu is excommunicatie, en zou dan ook aldus moeten heeten. Op andere wijze kan de kerk iemand niet buiten hare gemeenschap zetten. Maar wanneer de beweegreden gelegen is, niet in ergerlijke ketterij of levenswandel, maar in het deelnemen aan de samen komsten in eene andere kerkgemeenschap, met verwaarloozing van de eigen diensten, moet een kerkeraad m.i. niet spoedig tot censuur overgaan. Het ontbreekt zulk een lid dan aan kerkelijk besef en aan alle begrip van ’t geen de geinstitueerde kerk is, en van ’t geen het voorrecht van daartoe te behooren eischt en medebrengt. Door onderwijzing en vermaning moet dan voortdurend op zoodanig lid gewerkt worden. En het kan ook zijn (wanneer zulke onderwijzing niet baat), dat zoodanig lid moet gewezen worden op het tegenstrijdige en valsche der positie, ook al komt het dan tot de conclusie van opzegging door het lid zelf, en van overgang tot de „Herv. Gem.″.

Over het bij u voorkomend geval kan ik natuurlijk geen precies advies geven, daar ik de bedoelde persoon niet ken.

|250|

(1913.)

281. Ge schrijft mij, dat in uwe kerk de kerkeraad het besluit heeft genomen, de leden, die geregeld de Christel. Geref. kerk bezoeken, maar wier belijdenis en wandel geen recht of reden geeft de kerkelijke tucht volgens art. 76 (en vervolgens art. 77) op hen toe te passen, — eenvoudig als leden der Geref. kerk te schrappen en ge vraagt mij, of dit kerkrechtelijk juist is.

Die vraag is in onze Gereformeerde kerken, in vroeger eeuwen en ook in onzen tijd (laatstelijk nog op de Generale Synode te Utrecht in 1905; zie hare Acta, die in elk kerkeraadsarchief, en dus ook te X voorhanden zijn) meermalen gedaan, en dan altijd beantwoord met besliste ontkenning, op zeer deugdelijke gronden; zoodat het wel vreemd is, dat uw kerkeraad, desniettegenstaande, toch een dergelijk besluit van „schrapping″ genomen heeft. Indien dit punt, door appèl van de daardoor getroffenen of ook anders zins op eene meerdere vergadering aan de orde kwam, zou de kerkeraad zonder twijfel in het ongelijk gesteld worden; zoo al niet door de Classe, dan toch door de Particuliere en Generale Synode.

Natuurlijk kan een gemeentelid zich zelf afscheiden, omdat niemand kan of mag gedwongen worden tot eene kerk te behooren. Maar wanneer een gemeentelid bij onze kerk wil blijven, dan kan dat lidmaatschap alleenlijk ophouden (behalve door overlijden en door verhuizing naar buiten) door excommunicatie, wettiglijk uitgesproken, en dus naar de procedure, die daarvoor in art. 77 van de Kerkenordening is bepaald.

Wat men „schrapping″ of „verwijdering uit het lidmatenboek″ noemt, is in alle opzichten hetzelfde als „excommunicatie″; maar — zonder dat daarbij de wettige weg gevolgd wordt, en zonder dat daarbij de noodige waarborgen zijn tegen overijling of verkeerde behandeling, en zonder het toch altijd noodige „advies van de Classe″, en zonder dat de voor eene uitbanning noodige gronden (met name de overtuiging, dat de alzoo verwijderde „buiten Gods koninkrijk staat tenzij hij zich bekeere″) aanwezig zijn, ja zelfs zonder eenige kerkelijke procedure en zonder eenigen waarborg voor den uitgebannene, gelijk toch bij een dergelijk zeer ernstig besluit onmisbaar is, opdat de kerkelijke tucht niet geheel ontaarde.

Daarmede wordt nu zeker niet bedoeld, dat een kerkeraad het

|251|

„elders kerken” maar moet laten begaan. Wel kunnen er gevallen zijn, waarin dat tot op zekere hoogte te verschoonen is; maar die gevallen zijn toch zeldzaam; en als regel moet gelden, dat de leden onzer kerk ook den dienst des Woords en der Sacramenten in die kerk gebruiken. Daarop moet de kerkeraad dus met allen ernst aandringen, ook al schijnt dit langen tijd niet te baten. Maar ook clan is „schrapping” nooit geoorloofd: de gezonde kerkelijke discipline moet worden in eere gehouden.

Over dit punt zult ge ook met vrucht kunnen nalezen wat Prof. Bouwman (te Kampen) speciaal daarover schrijft, in zijn onlangs verschenen werk : „De kerkelijke tucht naar het Geref. kerkrecht”, waar hij drie blz. hieraan toewijdt, blz. 163-165, vooral blz. 165. Met welke beschouwing (eigenlijk die van onze kerken zelve) ik het geheel eens ben.