§ 5. De indeeling.

De wetenschappelijke behandeling van het kerkrecht eischt eene indeeling, welke ten nauwste samenhangt met het beginsel, waarvan men uitgaat. Het kerkrecht is eene theologische wetenschap, welke beschrijft het recht, dat in de kerk geldt en gelden moet. De wil van Christus is grondslag van het kerkelijke leven. Hij zelf heeft het instituut der kerk verordend, heeft haar ambten en bedieningen gegeven, haar den regel des levens voorgeschreven en nog moet de kerk naar de beginselen des rechts, door haar Koning verordend, de kerk inrichten en besturen. Daarom moet ook de wetenschappelijke beoefening van het kerkrecht steeds vragen naar den eisch van Gods Woord. Evenwel moet nimmer uit het oog verloren worden, dat de H. Schrift niet is een handboek voor de wetenschap, en dus ook niet een volledig afgerond stelsel van kerk­regeering geeft, maar alleen de hoofdbeginselen dezer wetenschap, welke onder de leiding des H. Geestes, in verband met de tijden en de omstandigheden, tot nadere ontplooiïng moeten worden gebracht. Om die reden is het eisch, dat het recht der kerk zich grondt in de belijdenis der kerk. Het geloofsleven, het belijden, de wandel, het bestuur en de inrichting der kerk moeten met elkander in harmonie zijn.

Juist wijl men bij de behandeling van het kerkrecht niet steeds van een zuiver theologisch beginsel uitging, kwam ook de indeeling van dit vak niet tot haar recht. De gebondenheid aan de structuur van de bronnen bracht mede, dat de systematische behandeling van het canonieke recht eenvoudig het schema van de verzameling der pauselijke wetten overnam, zooals het in dit hexameter is uitgedrukt: „Judex, judicium, clerus, sponsalia, crimen” (judex = drager van de macht in de kerk; judicium = het ambt van rechter; crimen = de kerkelijke straffen). Deze verdeeling werd het eerst gebruikt door Bernhard van Pavia, tegen het einde der 12de eeuw, en later door zeer velen gevolgd, zelfs door de eerste bewerkers van het Protestantsche kerkrecht, zooals Melchior, Kling, en nog door J.H. Böhmer in zijn groot werk „Jus ecclesiasticum Protestantium”, 1734. Deze indeeling had voor, dat zij zich terstond aansloot bij de voorhandene stof, maar had dit bezwaar, dat zij, streng genomen, geen systeem gaf, wijl de deelen los naast elkander stonden. Niet veel beter was de verdeeling, ontleend aan Justinianus, „Institutiones” II, 12, waarbij het kerkrecht in drie deelen wordt ingedeeld, namelijk: personen, zaken en hande­lingen, volgens den regel: „Omne autem jus, quo utimur, vel ad personas pertinet, vel ad res, vel ad actiones”. Door Paolo Lancelotti

|51|

werd in zijne „Institutiones”, welk werk in het Westen bijzonder gezag had, deze indeeling overgenomen. Ook Voetius heeft zich in zijne „Politica Ecclesiastica” hierbij aangesloten.1) Onder de personen behan­delde men gewoonlijk: de ambtsdragers en de inrichting der kerk, onder de zaken: de cultus en het vermogen der kerk, en onder de handelingen: de uitoefening van de macht der kerk, de tucht, enz. Het bezwaar tegen deze indeeling is, dat heel het kerkrecht daardoor beschouwd wordt van uit het oogpunt van het privaatrecht.

Onder den invloed van het natuurrecht beproefden in het laatst van de 18de eeuw beoefenaars van het kerkrecht (Schnaubert, 1789, Schmalz, 1795, e.a.) eene systematische indeeling van de stof, maar hunne systemen waren te abstract en rekenden niet genoeg met de bronnen. Dit werd anders met het opkomen van de historische school, met den vertegenwoordiger Karl Friedrich Eichhorn (1781-1854), die als taak van de systematiek noemde: „die obersten Prinzipien des Kirchenrechts aus den Quellen historisch zu begrunden und die einzelnen geltenden Bestimmungen in einem inneren wissenschaft­lichen Zusammenhang aus jener abgeleitet zusammenzustellen”, („Kirchenrecht” I, 1831, S. 437). Daar Eichhorn nog te zeer onder den ban van het rationalisme lag en het wezen van het christendom en de kerk niet voldoende kende, kon hij ook geen bevredigend systeem geven. Evenmin gaven dit die geleerden als Walter e.a., die indeelden in het openbaar- en privaatrecht, wijl niet alleen vele kerkelijke verhoudingen onder beide gezichtspunten kunnen worden bezien, maar ook, omdat het theologisch karakter door deze schrijvers wordt voorbijgezien. Daarom kan ook de indeeling in uitwendig en inwendig kerkrecht niet voldoen, omdat zij de stof verscheurt en het juridisch karakter van het kerkrecht ten koste van het theologische naar voren schuift. Richter heeft duidelijk gezien, dat het kerkrecht een eigen indeeling, in verband met het object dezer wetenschap, moet bezitten. Zijne stelling: „Das Kirchenrecht tragt sein System in sich; denn nach dem Begriff der Kirche gliedert sick der ganze Stoff naturgemäsz in die Lehre von der Verfassung und Verwaltung der Kirche, als einer geordneten Anstalt, in der Lehre von dem Kirchlichen Leben, in welchem dieselbe ihre Aufgabe löst, und in die Lehre von den Kirchengütern, als den Mitteln ihrer zeitlichen Bestehens” is door de meeste beoefenaars van het kerkrecht in Duitschland (Mejer, Friedberg, Frantz, Sehling, Heiner, Vering, e.a.) in hoofdzaak overgenomen. Deze schrijvers deelen dan het kerkrecht in den regel in drie deelen in: de inrichting, het bestuur der kerk en de verhouding van de kerk tot


1) Pol. Eccl. I. 7, Prol. 4.

|52|

den staat, terwijl veelal vooraf gaat eene bespreking van de bronnen en de geschiedenis van het kerkrecht. Ofschoon bij deze indeeling de materie wel naar goeden gang kan worden verwerkt, kleeft aan haar dit bezwaar, dat het koningschap van Christus en het eigenlijke karakter van de kerk in hare ambten en bedieningen niet genoeg naar voren komt.

Om die reden deelen wij het kerkrecht in twee hoofddeelen in, in een historisch deel, omdat in het N. Testament ons wel de beginselen van het kerkrecht, maar niet een afgerond systeem gegeven is, en wij moeten nagaan, hoe in de verschillende deelen der christelijke kerk over het recht der kerk gedacht is, en waarom wij Gereformeerden het zoogenaamde presbyteriale stelsel volgen, en in een thetisch deel. Dit thetisch deel moet worden ingedeeld in verband met de ambten, door Christus aan zijne kerk gegeven, in verband met de regeering, door Hem gewild, de orde, die naar zijn wil moet worden gehandhaafd, in verband met de bijzondere instellingen, sacramenten en ceremoniën, door de kerk naar de verordening van Christus gebruikt, en in verband met de tucht die moet worden geoefend. En wijl de kerk leeft temidden van de wereld, van maatschappij en staat, moet als slothoofdstuk worden behandeld: de verhouding van de kerk tot de overheid.

Wij deelen dus het kerkrecht in twee deelen in:
A. Het recht der kerk in zijn historische ontwikkeling.
B. Het recht der kerk, zooals het naar Gods Woord moet zijn en in de praktijk wordt geoefend; welk thetisch deel wordt uiteen­gezet in vijf afdeelingen:
I. De kerk en het ambt.
II. De kerk en hare regeering.
III. De kerk en de bediening van de sacramenten en ceremoniën.
IV. De kerk en de handhaving van haar belijdenis en de oefening der tucht.
V. De kerk en hare verhouding tot de overheid.


Bouwman, H. (1928)