4. Vrouw, cultuur en kerk
1999
|40|
door Hilde van Hulst-Mooibroek
In de afgelopen jaren ben ik in aanraking gekomen met allerlei verschillende landen en culturen. Ik heb kennis gemaakt met diverse in die culturen functionerende kerken en met de mannen en vrouwen in die kerken in hun verschillende rollen. Naarmate ik mij daarin meer verdiep, blijkt mij hoe ingewikkeld deze zaken met elkaar verweven zijn. De kerk manifesteert zich in een bepaald cultuur. De cultuur uit zich in de vormgeving van een kerk. Dat uit zich ook in de rollen die mannen en vrouwen binnen een bepaalde kerk vervullen. Al is dat niet de enige factor. In de praktijk worden die rollen evenzeer bepaald door het type zending waaruit de plaatselijke kerk is voortgekomen. Maar ook door de kerkelijke kleur van de betreffende zending en door de vraag uit elk al dan niet koloniserend land de zendelingen kwamen. De aldus gevormde plaatselijke kerk weerspiegelt in haar manier van bijbelinterpretatie vaak al die verschillende invloeden, ook als het gaat om de plaats van mannen en vrouwen in kerk en samenleving.
Een voorbeeld uit het Caraïbisch gebied op het westelijk halfrond
vormt de Evangelische Baptistengemeente in Haïti. Deze kerk
bestaat sinds 1928 en is voortgekomen uit zendingswerk vanuit de
Verenigde Staten.
- Tot op heden gebruikt men het in het Creools vertaalde
Amerikaanse gezangenboek en beweegt men nauwelijks tijdens het
zingen in de kerkdienst. Dat is eigenlijk best merkwaardig, want
de bevolking is Afrikaans van oorsprong (ex-slaven) bij wie
muziek en beweging in het bloed zit. De dominante religie in
Haïti is de Voodoo, met juist zeer
|41|
uitzinnige rituele dansen. Pas onlangs, na haar 70-jarig bestaan
als kerk, is er een beweging opgekomen om eigen Haïtiaanse muziek
te componeren voor de eredienst en om bijvoorbeeld bijbelliederen
vanuit de eigen cultuur vorm te geven.
- De zending heeft geleerd dat vrouwen wel ‘teach’ maar niet
‘preach’. Dat betekent dat er vrouwen ingeschakeld zouden kunnen
worden voor het leiden van de zondagsschool en het geven van een
bijbelcursus. Ook zouden er diaconessen kunnen zijn. De praktijk
is echter dat er weinig capabele vrouwen beschikbaar zijn, omdat
het de gewoonte was dat een gezin zijn beperkte middelen liever
uitgaf aan onderwijs voor de jongetjes dan aan onderwijs voor de
meisjes, aangezien de eersten belangrijker zijn. Dus zijn er nu
binnen de kerk weinig geletterde vrouwen van rijpere leeftijd. En
die oudere leeftijd is hier traditioneel gezien nodig in verband
met levenservaring en het verkrijgen van respect. Sinds enkele
tientallen jaren stimuleert de kerk dat ook meisjes naar school
gaan en zich kunnen ontwikkelen, omdat er meer oog is gekomen
voor het bijbelse gegeven dat mensen (van beide seksen) voor God
een gelijke waarde hebben.
- In de kerk nemen de mannen de beslissingen (in de kerkenraad).
Evenzo zitten er enkel mannen in het bestuur voor
ontwikkelingszaken en zijn alleen mannen afgevaardigd in het
watercomité, ook al is in de praktijk het halen van water en het
gebruik ervan typisch een vrouwenzaak. Officieel en formeel nemen
de mannen alle beslissingen, zowel in de kerk als in de
dorpsgemeenschap.
Bij een kijkje achter de schermen blijkt echter eerder het
omgekeerde: er ontstaat meestal een fikse huiselijke rel als
manlief thuiskomt met een beslissing die bij zijn vrouw niet in
goede aarde valt, en hij wordt er vervolgens op uitgestuurd om de
dingen weer recht te zeggen. Als het even kan krijgt hij vooraf
een stemadvies mee, waarna hij de wind van voren krijgt als het
anders uitpakt dan gewenst. Deze beslissingscultuur komt
opvallend genoeg vrijwel overeen met die in West-Afrika (in
Nigeria bijvoorbeeld), het gebied van waaruit de voorouders van
de Haïtianen weggevoerd zijn in slavernij. De beslissingscultuur
in de kerk sluit naadloos aan bij de beslissingscultuur in de
samenleving.
Wie alleen naar de beslissingscultuur van deze kerk kijkt, zou misschien geneigd zijn hen aan te sporen om te komen tot een manier van besluitvorming waarbij vrouwen ook officieel stemrecht in de kerk krijgen. Wij achten dat in onze cultuur immers voluit bijbels, het is een structuur die uitgaat van de bijbelse grondlijn dat man en vrouw beiden geschapen zijn naar Gods beeld en voor Hem van gelijke waarde zijn. Beiden hebben gaven, intelligentie en beoordelingsvermogen gekregen, die per individu weliswaar
|42|
kunnen verschillen, maar waarbij deze verschillen niet langs de lijn der seksen lopen.
Opvallend is dat de Haïtiaanse kerk deze bijbelse grondlijn wel gaande weg is gaan ontdekken. En dat dit ook een toepassing heeft gevonden, namelijk in het stimuleren van een gelijke mate van scholing en training van meisjes en jongens. Aangezien de scholen van de kerk de eerste scholen in de streek waren, bereikte het onderwijs in de dorpsgemeenschap beide seksen in dezelfde mate. Kerk en cultuur (dorp) bleven in die zin op elkaar afgestemd.
Maar het onderkennen van de bijbelse grondlijn van de gelijkwaardigheid van de seksen heeft nog niet geleid tot een andere structuur voor de besluitvorming in de kerk. Voor mij is het de vraag of zo’n andere structuur er per se móet komen. Een beslissingscultuur in de kerk (met bijvoorbeeld vrouwenkiesrecht) die verschilt van die in de cultuur om de kerk heen, werkt namelijk vervreemdend naar twee kanten. En deze kerk heeft juist zoveel werfkracht omdat zij midden in de cultuur staat. De jonge mensen, mannen en vrouwen, staan open voor de leiding van de Geest om de lofprijzing en bijbelliederen in de kerk meer aan te laten sluiten bij de eigen cultuur. De kerken doen in de dorpen erg veel baanbrekend werd in het geven van onderwijs en training aan zowel meisjes als jongens, waarbij de hele gemeenschap betrokken wordt (ook in het dragen van financiële verantwoordelijkheden). Als ik dat overzie, dan zie ik een levende kerk, afgestemd op haar omgeving. En ik vertrouw erop dat deze kerk ook haar eigen besluitvorming zal laten aanraken door diezelfde Geest. Dan zal de buitenkant er misschien nog net zo uitzien (een groep mannen die onder de mangoboom of in een kerkzaal vergadert en beslist). Maar van binnenuit zal men op een geestelijke manier meer gebruik maken van ieders gaven en inzichten, ook die van vrouwen. De laatste jaren is hierin al heel wat veranderd!
Een ander voorbeeld van de ingewikkelde verwevenheid van cultuur, zending en kerk, en van de positie van vrouwen en mannen daarin, komt uit Afrika. Een continent waar het heel gewoon is te zeggen (ook in een kerk) dat mannen heersen over vrouwen omdat vrouwen het eerst gezondigd hebben en daarom vervloekt zijn. Ik bezoek in Zuid-Afrika een Anglicaanse gemeente, indertijd ontstaan vanuit de Engelse Anglicaanse Kerk. Door de sterk patriarchale gerichtheid van de zending vanaf het begin tot in de jaren zestig, was de rol van vrouwen in de kerk voornamelijk ondersteunend en aanvullend. Tot in de jaren zeventig maakte de kerk slechts
|43|
gebruik van de capaciteiten van vrouwen voor zover die het
krijgen van kinderen en de zorg voor het gezin betroffen. Hun
directe invloed op de richting waarin de kerk ging en op de
prioriteiten die daarbij werden gesteld, was beperkt. Van hun
talenten om daar constructief aan bij te dragen werd weinig
gebruikgemaakt.
- Ten tijde van de apartheid, die in de streek van de gemeente
veel slachtoffers maakte, voelde men zich als een van de weinige
gemeenten werkelijk gedrongen om op de bres te gaan staan voor
hen die onrecht lijden. En om ook daadwerkelijk hulp te verlenen
aan slachtoffers of aan hun gezinnen. Vaak werd daarbij de
kerkhal omgevormd tot slaapzaal, en het waren vooral de vrouwen
die eten probeerden te vinden en hulp boden. Zij namen als het
ware het voortouw bij deze nieuwe invulling van kerk-zijn.
- De Anglicaanse Kerk kende daar vanouds strenge vormen en een
vaste liturgie, en maakte zoals gezegd weinig gebruik van wat
vrouwen te bieden hadden. De strijd tegen de apartheid maakte
echter duidelijk dat vrouwen een belangrijke rol konden
vervullen, die ook als voluit bijbels onderkend werd. Een
veranderingsproces begon plaats te vinden.
- Bij de afkondiging van het nieuwe Zuid-Afrika, waarbij men door
de politiek opgeroepen werd gezamenlijk te werken aan een
vernieuwde samenleving, heeft deze gemeente zichzelf een spiegel
voorgehouden. Men besloot dat een vernieuwde samenleving ook een
vernieuwde kerk nodig had: een kerk die open staat voor mensen
van elk ras en elke kleur, uit elke sociale klasse en van elke
sekse. Een kerk waar een ieder welkom is en meedoet omdat God
zelf deze houding leert.
- Om niemand voor het hoofd te stoten werd besloten dat er twee
soorten kerkdiensten naast elkaar zouden worden gehouden binnen
dezelfde gemeente: de oude traditionele dienst met de vaste
rituelen en verantwoordelijkheden, en een nieuwe waarin ieder
naar capaciteit en geestelijk niveau een functie kon vervullen.
Dat laatste houdt ook in een vrijere invulling van de dienst,
zodat verschillende mensen vanuit verschillende sociale en
culturele achtergronden zich er thuis voelen (en er zijn veel
verschillen in het Zuid-Afrika van nu!). Voor vrouwen betekent
dit dat zij nu op alle terreinen kunnen bijdragen, voor de
enkelen die hiervoor de gave hebben inclusief het houden van een
preek. Juist vrouwen moeten volgens deze gemeente maximaal
ingeschakeld worden, omdat zij tot voor kort een zwaar
gediscrimineerde bevolkingsgroep waren.
De twee soorten diensten zullen naast elkaar bestaan zolang daar
behoefte aan is, zo vertelde men mij, omdat God op vele manieren
gediend kan worden en omdat de gemeenteleden open willen blijven
staan
|44|
voor aanpassingen in de kerk, om zo aansluiting te blijven vinden bij een maatschappij die ontzettend in beweging is.
Ook in dit voorbeeld zien we dat de kerk met beide benen in de maatschappij wil staan. Zij vindt daarbij niet zozeer theologische hinderpalen op haar weg, alswel die van vorm en traditie. De gemeenteleden zijn zich dat bewust, en omdat zij niemand willen afstoten laten zij twee manieren van eredienst naast elkaar bestaan. Het komt niet zo vaak voor dat een cultuur zo radicaal omgegooid wordt, in enkele jaren van apartheid naar niet-apartheid. Mijns inziens getuigt dit voorbeeld van een bijzondere werking van de Geest, die de mensen in de kerk bereid maakte om zonder ongeestelijk gekrakeel een open gemeente te willen zijn. Een gemeente die daarbij vormen aanpast, wanneer deze vormen gediscrimineerde bevolkingsgroepen (inclusief vrouwen) zouden verhinderen Christus te volgen.
Een derde voorbeeld betreft weer een ander continent, namelijk
Azië, en weer een andere traditie, namelijk de pinksterkerken.
Ook een andere culturele omgeving, namelijk één die gedomineerd
wordt door moslims. Hier in Indonesië vinden we de Bethelkerken,
die ruim voor de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan onder invloed
van de Amerikaanse Bethel Temple Mission. Deze kerk bestaat nu
uit zo’n 3000 gemeenten overal verspreid op de Indonesische
archipel, variërend van grote stadsgemeenten met meer dan 2000
leden, tot kleine huisgemeenten.
- De traditionele, culturele verschillen tussen man en vrouw zijn
in de kerk weinig zichtbaar, want men gaat uit van het werk van
de Geest die zijn gaven uitdeelt en mensen inschakelt, ongeacht
man of vrouw. Zo vervullen in de steden juist ook vrouwen een
belangrijke rol in de uitbreiding van de kerk: zij komen in hun
eigen woonomgeving in aanraking met behoeftigen, zij doen sociaal
werk met hen en stichten een celgroep of huisgemeente waarin
zijzelf vaak voorgaan. Als deze gemeente geïnstitueerd kan
worden, dan neemt een afgestudeerde (m/v) van de bijbelschool het
roer over, op weg naar verdere groei naar volwassenheid. Vaak
zijn er inmiddels mensen uit een andere wijk bijgekomen, rond wie
zich een nieuwe celgroep vormt, waaruit weer een nieuwe
huisgemeente ontstaat, enzovoort. Doordat de vrouwen meestal de
sociale contacten in de wijk onderhouden, zijn zij vaak de
voortrekkers in dit werk van kerkplanting. Zij zorgen er ook voor
dat de kinderen van de betreffende contacten aangemeld kunnen
worden op christelijke scholen.
|45|
- Op het platteland worden vaak echtparen als evangelisten
uitgestuurd om een nieuwe gemeente te stichten. Op de
bijbelschool krijgen ze daartoe ook training in
ontwikkelingswerk, want om een goede ingang te krijgen bij de
dorpelingen moeten ze niet alleen leven zoals zij, maar vooral
ook iets inbrengen waar de gemeenschap baat bij heeft,
bijvoorbeeld een verbeterd watersysteem. Zo gaan sociale en
geestelijke ontwikkeling hand in hand.
- Deze celgroepen, maar ook de scholen, zijn een belangrijk
middel in de strijd tegen de moslim-dominantie. Bij het winnen
van mensen voor Christus worden alle leden van de kerk ingezet,
het is daarbij geen punt van discussie of iemand rijk of arm, man
of vrouw, jong of oud is, het gaat erom wat hij of zij kan
bijdragen.
Misschien zijn de besproken situaties en kerken wat ver van ons bed. Het betreft toch heel andere landen, andere culturen, een andere kerkgeschiedenis. Er kunnen zelfs behoorlijke theologische verschillen zijn op niet onbelangrijke punten als kerkregering, avondmaal, de werking van de Geest, enzovoort.
Maar wat opvalt is dat ook deze mannen en vrouwen in alle bescheidenheid ernst maken met het volgen van Christus, en daarbij met beide benen midden in de maatschappij willen staan. Dat betekent soms dat de kerk intern dingen verandert, door bijvoorbeeld eigen muziek of bijbelliederen te gebruiken, of door verantwoordelijkheid te geven aan allen die daarvoor de gaven hebben — inclusief de vrouwen. In een ander geval betekent het dat de kerk een belangrijke bijbelse grondlijn daadwerkelijk aanpakt in de maatschappij, door bijvoorbeeld op te komen voor hen die onrecht lijden of voor de gelijke rechten van jongens en meisjes op onderwijs. In weer een ander geval is men zo doordrongen van de ernst van de geestelijke strijd, dat men daar alles op inzet (in het helpen van de armen, in christelijk onderwijs, in celgroepen, of in ontwikkelingswerk door voorgangersechtparen), zonder dat het onderscheid man/vrouw een rol speelt: ieder zet zich in naargelang zijn/haar gaven.
Wanneer we in het licht van wat hierboven is beschreven naar onze kerken in Nederland kijken, dan dringen zich twee vragen op.
De eerste betreft de veranderende cultuur in Nederland en de manier waarop de kerk daarop aansluit. De afgelopen twintig jaar is Nederland in zeer snel tempo veranderd: in het maatschappelijke, sociale, economische en politieke leven is de vrouw volkomen geëmancipeerd; Nederland is
|46|
multicultureel geworden; de jongerencultuur is drastisch veranderd; de seksuele moraal is individualistisch ingekleurd en het algemene levensgevoel is materialistisch van aard. Kom je echter in de kerk, dan zie je weinig vrouwen in publieke functies. Je ziet een ‘witte’ kerk, en weinig ruimte voor de eigenheid van de jongeren van nu. Tegelijk blijken veel gemeenteleden zich in de praktijk van het alledaagse leven nauwelijks te kunnen ontworstelen aan het individualistische en materialistische levensgevoel. Op het gevaar af te generaliseren vraag ik me toch af, of we in onze kerken niet teveel allerlei vormen en tradities overeind houden (rond vrouwen, allochtonen en jongeren), maar ondertussen wel assimileren als het gaat om individualisme en materialisme. Zijn we niet in het eerste geval te weinig gelijk, en in het tweede te weinig anders? Daardoor missen we zowel uiterlijk als innerlijk de aansluiting met onze verander(en)de maatschappij. Verliezen we zodoende niet onze geloofwaardigheid als kerk?
De tweede vraag betreft ons ‘vijandbeeld’. Nederland is geen christelijke natie meer, dat is een groot verschil met twintig jaar geleden. Satan rukt op en is heel machtig om ons heen. Maar het lijkt er soms op dat we in de kerk geen gezamenlijk vijandbeeld hebben en dat we niet weten waar de frontlinies liggen. Zodat we te weinig de barricaden onderscheiden en zoeken. Het gekrakeel is vaak intern gericht, of op andere Christusbelijdende kerken. In de gezamenlijke strijd tegen abortus, tegen zinloos geweld, voor acceptatie van medelanders en vreemdelingen, voor acceptatie van en zorg voor sociale randfiguren, tegen een onzedelijke moraal, enzovoort, is toch geen plaats voor het onderscheid man of vrouw, oud of jong, blank of zwart? We kunnen toch alleen tot schade van het Koninkrijk geen gebruik maken van de gaven en capaciteiten van zoveel verschillende mensen, mannen en vrouwen?
Drs. Hilde van Hulst-Mooibroek werkt als stafmedewerker buitenland bij de evangelische hulp- en ontwikkelingsorganisatie TEAR Fund.