179-180

D. De situatie in de Christelijke Gereformeerde Kerken sinds 1892

Dr. W. van ’t Spijker

 

De Christelijke Gereformeerde Kerk ging na 1892 verder in het spoor van voordien. Allereerst betekende dit, dat men minder gevaar zag in het handhaven van een reglement, dat door de Nederduitsch Ge­reformeerde Kerken als een obstakel op de weg van de vereniging werd gezien. Evenals voor de Vereniging van 1892 behartigde een ‘synodale commissie’ tal van zaken, die tot de kerken in hun verhouding tot de overheid behoorden.
Daarnaast voorzag men zich van een uitgave van de kerkorde van Dordrecht, die tal van bepalingen uit de oude afgescheiden kerk be­vatte, zoals deze door Hel. de Cock waren verzameld. De bepalingen die in onbruik geraakt waren, werden in de verschillende uitgaven gespatieerd gedrukt. Er zijn edities geweest in 1894, 1923 en 1937, waarin docent P.J.M. de Bruin de hand had, daarin bijgestaan door zijn collega’s aan de Theologische School. In 1947 kwam een geheel herziene uitgave tot stand, waartoe de Generale Synode van 1944 had besloten. Op de synode diende een instructie waarin werd uitgesproken

|180|

dat een herziene uitgave noodzakelijk was met het oog op de be­zwaren die verbonden waren aan de redactie van een aantal bepalingen. Men besloot daarbij niet meer op te nemen de artikelen en synodale bepalingen, die door de besluiten van generale synoden waren ver­vallen en reeds in onbruik waren geraakt. Nadien zijn door enkele synoden veranderingen en aanvullingen aangebracht, die echter als geheel beschouwd geen afbreuk hebben gedaan aan het karakter van de kerkelijke orde, zoals deze sinds de synode van Dordrecht groten­deels vastgelegd is.