59-72

|59|

5. Hermeneutiek van het kerkrecht

Dr. A. van de Beek

 

1. De noodzaak van een hermeneutiek van kerkrecht

Men kan zich afvragen of hermeneutiek van het kerkrecht wel nodig is. Moet men niet simpel de regel toepassen? En behoort een rechts­regel niet eenduidig te zijn, zodat in tegenstelling tot bijvoorbeeld li­teraire teksten over de betekenis niet valt te twisten? Leidt elke interpretatie niet tot subjectiviteit die uiteindelijk ondermijnend werkt op de rechtszekerheid?
Onder hedendaagse juristen bestaat de neiging eerder het tegendeel te zeggen: een positivistische opvatting van rechtsregels heeft als ef­fect dat men niet onderscheidt wat men doet en de rechtsregel wille­keurig toepast. Juist in het strikte ‘Regel is regel’ ligt de wortel van de willekeur. Het effect is niet anders dan het toepassen van losse bij­belteksten in concrete situaties. Waar dat gebeurt, bestaat gewoon­lijk een grote huiver voor ontkrachting van het schriftgezag, terwijl juist in het niet onderkennen van de hermeneutische situatie het Woord Gods ontkracht wordt. Ook een juridische tekst heeft uitleg nodig om te vermijden dat men naar willekeur daarover gaat beschikken voor eigen goede of meestal kwade bedoelingen. De regel uit de Her­vormde kerkorde dat het ene ambt niet over het andere heerschappij mag voeren (art. V,1), zou door een dominee gebruikt kunnen wor­den om een kerkeraad die kritiek op zijn wijze van preken heeft, zijn plaats te wijzen: ouderlingen en diakenen mogen niet heersen over het ambt van de predikant. Deze toepassing van artikel V,1 is evenwel niet naar de bedoeling van de wetgever. Dat blijkt al uit het vol­ledige artikel zelf: om te vermijden dat het ene ambt over het andere gaat heersen, ‘wordt de regering der Kerk uitgeoefend in vergaderin­gen, waarin de ambten bijeen zijn’. Het gaat in de vergadering om de wederzijdse verantwoordelijkheid van de verschillende ambten en niemand, ook niet het ene ambt, kan zelf beslissen over wat in de kerk behoort. Nu zou de dominee zich vervolgens kunnen beroepen op ordinantie 13,2,1 waarin staat dat de verkondiging des Woords zijn taak is en niet die van de ouderlingen. Hij zou zelfs kunnen ver­wijzen naar een artikel in de kerkorde van de Gereformeerde Kerken, waar expliciet is geformuleerd dat de ambten weliswaar niet in waardigheid en eer zijn gescheiden, maar wel in opdracht en werk (art. 2,2); en de Gereformeerde Kerken behoren tenslotte tot

|60|

dezelfde traditie als de Hervormde Kerk. Maar juist daarin kan weer een belangrijk argument tegen zijn positie worden gevonden. Artikel V,1 in de Hervormde kerkorde gaat terug op artikel 84 van de Dordtse kerkorde, waar het niet over elkaar heersen vooral betrekking heeft op het heersen van de ambtsdragers over elkaar, met op de achter­grond de historische situatie in de Rooms-Katholieke kerk, waar er een hiërarchische ambtsopvatting is. Nog eerder had de Synode van Embden (1571) het anti-hiërarchische artikel daarom reeds helemaal voor­aan gezet. Tegen de hiërarchie kwam men tot de keuze voor het presbyteriaal-synodale stelsel. Als de Hervormde kerkorde het heer­sen van ambtsdragers vervangt door het heersen van ambten, moet dit dus in dezelfde anti-hiërarchische context worden gelezen. Aan­gezien het risico van heersen van dominees met de Schrift en de exe­gese in de hand juist bij de uitleg van de Schrift erg groot is, zal dit ambt hier in het bijzonder op zijn tellen moeten passen. Men zou zelfs kunnen zeggen dat de ouderling eerder het primaat heeft in de Gereformeerde traditie. Heeft tenslotte, zoals Noordmans heeft op­gemerkt, Calvijn de paus niet mat gezet met de pion van de ouder­ling? Toch is ook dat weer niet de bedoeling: het gereformeerde kerkrecht kent het presbyteriaal-synodale stelsel: het presbyterium, dat wil zeggen de kerkeraad, heeft de beslissing en niet de presbyter. Dat betekent dus dat in de vergadering, dus in gemeenschappelijk over­leg besloten wordt. En tenslotte had de hele argumentatie ook veel korter gekund door te verwijzen naar ordinantie 14,1, waar staat dat aan de ouderlingen is toevertrouwd ‘het dragen van medeverantwoor­delijkheid voor de bediening des Woords’. De bediening van het Woord is dus een zaak van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en kan noch door een beroep op ordinantie 13,2,1 noch op art. V,1 door de predikant geclaimd worden.
Bij fundamentele artikelen die te maken hebben met de eigen aard van de traditie van de kerk, kan de discussie over de interpretatie van een artikel of zinsnede zeer gecompliceerd zijn. Bij andere artikelen kan deze vaak veel eenvoudiger verlopen. Maar in wezen behoeft elk artikel interpretatie en is er dus discussie over mogelijk. De regels voor deze discussie probeert de hermeneutiek te formuleren.

2. De aard van de hermeneutiek van het kerkrecht

Rechtsteksten zijn in eerste instantie aan dezelfde hermeneutische pro­cessen onderhevig als elke andere tekst. ‘Juristische Hermeneutik ... ist als solche nicht von so grundsätzlicher Verschiedenheit gegenüber geschichtlicher oder literarischer Hermeneutik, dass sie eine

|61|

eigene juristische Hermeneutik verlangen würde’, schrijft J. Esser.1 Primair moet dus in het oog gehouden worden dat een juridische tekst een tekst is, die verstaan moet worden.
Toch noemt Esser twee verschillen met historische en literaire hermeneutiek2:
a. het recht is prescriptief. Het wil niet alleen iets vertellen over de geschiedenis en niet slechts duiden maar het wil een weg aanwijzen door de geschiedenis die gegaan moet worden. Het is ‘Weisung’. Ook als rechtsregels casuïstisch geformuleerd zijn, zijn het naar de bedoe­ling imperatieven. Rechtsteksten zijn dus een heel bepaald soort teksten. Het recht is op de toekomst gericht, en zelfs op een specifie­ke wijze daarop gericht: niet wat verwacht wordt ten aanzien van de toekomst of wat gewenst wordt, maar wat vereist is: zó zal de toe­komst eruit moeten zien. Een rechtstekst beschrijft niet wat was of wat is, maar wat zijn moet.
b. het recht is betrokken op een situatie in het heden. Niet alleen de situatie van het ontstaan van de tekst of de interne structuur van de tekst moet worden onderzocht, maar ook hoe de tegenwoordige situatie is, waarin de tekst met het oog op de toekomst moet functio­neren. Er is dus een extra hermeneutische spanningsboog tussen de tekst in zijn eigen context van ontstaan en de situatie van nu.
Ik denk dat er nog een derde, door Esser niet vermeld, aspect is, dat zelfs fundamenteler is dan de beide genoemde. Er zijn meer teksten die prescriptief zijn en vragen om een analyse van de eigen situatie. In feite geldt dat voor alle teksten met een boodschap of oproep. Ook de Max Havelaar van Multatuli is prescriptief: het is een oproep om op een bepaalde wijze met mensen om te gaan. En wie het boek nu leest, moet zijn eigen situatie analyseren of er nu geen Sahidja’s en Adinda’s zijn, die tussen de raderen van de uitbuiting en de macht vermalen worden. Wie de Max Havelaar niet zo leest, doet de auteur geen recht. Toch is het boek geen juridische tekst. Daarvoor is een extra dimensie nodig, namelijk dat deze door een bepaalde gemeen­schap is aanvaard als voorschrift van de gemeenschap met sancties van die gemeenschap in het geval de imperatief niet gehoorzaamd wordt. Een rechtstekst dient dus gelezen te worden tegen de achtergrond van de gemeenschap die haar als zodanig heeft gesanctioneerd. Een rechtstekst is dus nooit een individuele maar steeds een collectieve tekst.


1 J. Esser, Vorverständnis und Methodenwahl in der Rechtsfindung. (Studiën und Texte zur Theorie und Methodologie des Rechts, 7.) Frankfurt am Main 1970, S. 134.
2 A.w., S. 135f.

|62|

Vanwege deze bijzondere eigenschappen van een rechtstekst is de hermeneutiek van het recht een nog meer complexe zaak dan die van andere teksten.
Men kan zich voorts afvragen of de hermeneutiek van het kerkrecht van eigen aard is ten opzichte van ander recht. Ook hier kunnen we inzetten bij de identiteit tussen beide. Kerkrechtelijke teksten zijn on­derhevig aan dezelfde hermeneutische processen als andere rechtsteksten. Men kan bijvoorbeeld nimmer een beroep doen op de eigen aard van het kerkrecht om daarmee het feit, dat de rechtsregel bindend is, te ontkrachten. Men kan niet zeggen dat terwille van de genade die in de kerk moet zegevieren het recht ongeldig is. Want het recht is niet ongenadig, het is veeleer de vormgeving van de gena­de. Het belemmert niet de vrijheid maar waarborgt deze. Een beroep op de genade tegenover het recht leidt snel tot onrecht en dus juist tot genadeloosheid. Tegenover de opvatting van R. Sohm3, dat recht en genade elkaar uitsluiten, zal moeten worden gehandhaafd dat het recht de gestalte van de genade is, en dat de christelijke gemeenschap dus zodanig recht moet scheppen dat dit inderdaad uitdrukking van genade is. Inhoudelijk kan het kerkrecht dus verschillen van het recht van andere gemeenschappen, maar dat geldt voor elke verschillende gemeenschap. En iedere rechtshermeneutiek zal recht moeten doen aan de eigen aard van de gemeenschap waarin het functioneert.
Toch heeft juist de eigen aard van de christelijke gemeente ook for­mele consequenties voor de hermeneutiek van het kerkrecht. Daar­bij gaat het niet om de tegenstelling tussen genade en recht, maar om het feit dat de kerk niet haar eigen wetgever is maar zich gebonden weet aan de Schrift. Iedere andere gemeenschap vormt geleidelijk of via revoluties haar eigen recht. Maar de kerk is gebonden aan een ex­terne gezagsinstantie uit het verleden. Daardoor is er niet alleen de hermeneutische cirkel tussen de tekst van de wet en de hedendaagse situatie, maar zijn beide ook in een hermeneutische relatie gebracht met de bijbel, die zowel voor het vigerende recht als voor de situatie van nu een kritische instantie is. Zodoende ontstaat er iets van een hermeneutische driehoek of een samenstel van drie hermeneutische cirkels, waardoor de hermeneutiek van het kerkrecht nog complexer is dan die van ander recht. Alles van het gewone recht geldt hier ook, maar de eigen aard van dit recht geeft extra complicaties.


3 Zie hoofdstuk 3.

|63|

3. Soorten van hermeneutiek

Uit het bovenstaande blijkt dat hermeneutiek van het kerkrecht een complexe zaak is. Men kan daarin verschillende niveaus onderscheiden:
a. literaire hermeneutiek: wat is de bedoeling van een regel binnen de literaire context waarin deze staat. In het onder § 1 genoemde voor­beeld: blijkens het gehele art. V,1 van de Hervormde kerkorde moet de eigenheid van het ambt gelezen worden in het kader van de amb­telijke vergaderingen.
b. structurele hermeneutiek: welke betekenis heeft de regel binnen het geheel van de wetgeving? Als de dominee zich beroept op ordinantie 13,2,1 is dat een voorbeeld van structurele hermeneutiek. Het komt overeen met ‘Schrift met Schrift vergelijken’ in de bijbelse hermeneutiek.
c. historische hermeneutiek: in welke historische context is de rechts­regel ontstaan? Wat hebben de opstellers ermee willen zeggen? Wat is de functie in het verleden geweest? Historische hermeneutiek heeft drie aspecten:
* wetshistorisch: wat betekende de regel als positief recht ten tijde van de opstelling? Toen de Hervormde kerkorde werd ingevoerd had men niet de intentie dominees absolute vrijheid te geven tegenover de rest van de kerkeraad, maar juist in het samenspreken van de ambten over­heersing te vermijden. Naar de oorspronkelijke, wetshistorische, be­doeling is het beroep van de dominee dus ten onrechte.
** rechtshistorisch: tegen welke voorgeschiedenis is de regel ontstaan? De regel bleek ingebed in een lange anti-hiërarchische traditie en uit­eindelijk gericht tegen een episcopale overheersing. Tegen de achter­grond van deze historie van het Gereformeerde kerkrecht kan men niet voorzichtig genoeg zim om de plaats van de ouderling te relativeren.
*** naar de geschiedenis van het functioneren (Wirkungsgeschichte). Is er sprake van jurisprudentie? Hoe heeft men in het verleden de regel toegepast? Een jonge kandidaat werd bevestigd in een Hervormde ge­meente. Zo’n eerste bevestiging gebeurt met handoplegging. Daartoe worden volgens ordinantie 3,21,5 de aanwezige dienaren des Woords uitgenodigd. Bij de bevestiging zou ook een bevriende predikant van een buitenlandse kerk aanwezig zijn. Het lag voor de hand ook deze predikant uit te nodigen. Wat is immers mooier dan dat een jonge dominee bij zijn bevestiging is verbonden met de wereldkerk? Maar het mocht niet. Want in het verleden is de uitdrukking ‘dienaren des Woords’ geïnterpreteerd als ‘dienaren des Woords in de Hervormde Kerk’.

|64|

Nu kan men bij deze redenering kritische kanttekeningen maken. In het verleden kan het misschien nuttig geweest zijn om in een be­paalde situatie een zo nauwe interpretatie van het artikel te geven (door een strikte interpretatie vermijdt men bijvoorbeeld dat allerlei volk uit obscure groepen ergens ter wereld zich aandient en als dominee moet worden erkend), maar past het wel in de oecumenisch gerichte traditie van de Hervormde Kerk om een buitenlandse predikant van een kerk die lid is van de Wereldraad zo uit te sluiten? En symboli­seert de handoplegging door de andere dienaren des Woords niet juist de band met de kerk van alle eeuwen en plaatsen? Daarmee zijn we gekomen bij
d. de systematische hermeneutiek: Hierbij wordt de betekenis van de rechtsregel binnen het geheel van de theologische traditie van de kerk geplaatst. Daarin kan ook het beroep op de kerkorde van zusterker­ken een rol spelen. De dogmatische bezinning wordt van groot be­lang. De kerkorde is een van de expressievormen van die traditie en dient dus ook tegen deze achtergrond gelezen te worden. Daar de tra­ditie niet stilstaat maar een levend proces is, zal ook de interpretatie van de kerkorde steeds weer nieuw moeten worden bezien. Bij een voortgaande theologische bezinning is er ook een voortgaande syste­matische hermeneutiek van het kerkrecht nodig.
Daarmee zijn we gekomen bij het terrein waar de hermeneutiek haar grootste reikwijdte en ook haar grootste spanning krijgt:
e. de teleologische hermeneutiek: een hantering van het kerkrecht ge­richt op het doel: dat er recht wordt gedaan aan het rechtsgevoel van de gemeenschap, soms redenerend vanuit bestaande juridische regelgeving, soms om te voorzien in leemten in de wet, soms zelfs tegen de letterlijke tekst van de wet in.

4. Rationaliteit van de rechtspraak

Hermeneutiek van het recht is nodig voor de rechter, ook voor de kerkelijke rechter. Kerkeraden, classicale vergaderingen, synoden, spe­ciale rechterlijke commissies moeten weten hoe zij de kerkorde moe­ten hanteren. Maar uiteindelijk is het kerkrecht er niet voor de kerkelijke rechters, maar als regel voor het kerkelijk samenleven. Het kerkrecht dient voor de ordening van het leven van gemeenten en ambtelijke vergaderingen. Het verschaft hun rechtszekerheid en daar­om veiligheid in hun beslissen en handelen. Om deze rechtszeker­heid te waarborgen is het nodig dat men niet alleen de letterlijke regels kent maar ook op de hoogte is van de gebruikelijke interpretatie.
Hermeneutiek van het kerkrecht is dus in het belang van het

|65|

gemeenteleven. Men moet inzicht hebben in de uitleg van rechtscolle­ges. Men moet weten wat men verwachten kan en daarom moet de rechtspraak ook inzichtelijk zijn. In de rechtswetenschap gebruikt men hiervoor het begrip rationaliteit: men moet de redelijkheid van de toe­passing van het recht aantonen.
Vooral binnen kerken waarin men werkt met een eenvoudige kerk-orde, speelt de rationaliteit van het recht een grote rol. Waar gewerkt wordt met de Dordtse kerkorde zal zich veel vaker een situatie voor­doen waarin men op grond van redelijkheid en rechtsgevoel moet oor­delen, dan in een kerk met een zeer gedetailleerde kerkorde zoals de Hervormde of de Rooms-Katholieke Kerk. Toch ontkomt geen kerk, net zo min als enige burgerlijke rechtspraak, aan het zoeken naar rationaliteit.
Men zou kunnen veronderstellen dat men in het geval van een een­voudige kerkorde meer vrijheid heeft in de kerkelijke rechtspraak. Dat is maar zeer ten dele waar. Juist daar waar de formele rechtsregel ontbreekt, is een uiterste zorgvuldigheid geboden om het rechtsge­voel niet te kwetsen en daardoor de rechtszekerheid voor de toekomst geen schade toe te brengen. Steeds weer zal men zich moeten afvra­gen of de beslissing als rechtvaardig erkend wordt. Daartoe kan men verschillende methoden hanteren:
a. analyse van de situatie. Dat is vooral van belang waar er wel een regel is die toepasbaar lijkt. Maar dan moet men zich toch steeds af­vragen, of deze regel wel voor déze situatie bedoeld is. Mag men ordinantie 3,11,9 en 10 van de Hervormde kerkorde aangaande bezwaren in belijdenis en wandel van gekozenen gebruiken om in gemeenten met avondmaalsmijding gemeenteleden die niet aan de viering deelnemen uit het ambt te weren?4
b. het analogieprincipe. Er is een rechtsregel voor analoge situaties. Mag een predikant voor buitengewone werkzaamheden die in een bepaalde gemeente woont daar ouderling zijn? Er is geen regel die dat expliciet verbiedt. Ordinantie 1,16,2 verbiedt wel dat iemand in een gemeente meer dan éen ambt heeft, maar een predikant voor bui­tengewone werkzaamheden heeft geen ambt in de gemeente maar is verbonden aan een bredere vergadering. Op grond echter van het ver­bod om in een gemeente meer dan éen ambt te hebben of in twee gemeenten tegelijk ambtsdrager te zijn, kan men concluderen dat cumulatie van ambten niet is toegestaan.


4 Zie hierover: A. van de Beek, Tussen traditie en vervreemding, Nijkerk 1985, blz. 115-125 en het herderlijk schrijven van de Hervormde Synode Ambt en avondmaalsmijding, ’s-Gravenhage 1986.

|66|

De analogie kan ook betrekking hebben op vroegere beslissingen: als een provinciale kerkvoogdijcommissie aan een gemeente toestem­ming heeft gegeven om de pastorie tegen geschatte executiewaarde te verkopen aan de dominee, kan zij moeilijk deze transactie bij een volgende predikant verbieden. Precedentwerking heeft een sterk rechtsbewustzijnsvormend effect. Niets is schadelijker voor het recht­vaardigheidsgevoel dan het adagium: ‘Quod licet Iovi non licet bovi’.
c. als er geen expliciete analogie is, kan men ook een beroep doen op het algemene gevoelen van billijkheid en recht. Men kan zich voor­stellen, dat een gemeentelid met een ernstig zieke vrouw die zich ge­haast heeft om nog naar de gemeenteavond te gaan maar net een minuut te laat komt, de deur definitief gesloten vindt en van de stem­ming over de ambtsdragers wordt uitgesloten, deze uitsluiting als on­rechtvaardig ervaart. Met name bij het afwegen van recht en billijkheid is het zaak om uiterst zorgvuldig af te wegen. Er is in de gemeente iemand die een moord heeft gepleegd. Hij heeft diepe spijt van zijn daad en heeft bovendien enige tijd in de gevangenis doorgebracht. Mag de kerkeraad zo iemand weren van het avondmaal? Is dat niet tegen alle regels van vergeving en genade in de kerk van Christus? Moet de schuldige niet worden opgenomen? Maar mag men van de moe­der van het vermoorde kind eisen dat zij komende zondag naast de moordenaar van haar dochtertje zit? Is dat geen groter onrecht?
In de regel zal de rationaliteit van het recht in een minder dramati­sche situatie bepaald moeten worden. Maar in alle gevallen geldt, dat mensen het besef moeten hebben dat hun geen onrecht gedaan wordt en dat, als zij volgens de beginselen van de gebruikelijke hermeneu­tiek van het kerkrecht leven, zij juridisch juist leven en hun rechtsze­kerheid gewaarborgd is.

5. Rationaliteit van de wet

In de Nederlandse rechtspraak is er de laatste tijd een toenemende neiging om aan de interpretatie van het recht gewicht toe te kennen tegenover de positieve rechtsregel, niet alleen waar de regel daartoe ruimte laat (gaten in de wet, onduidelijkheden, verwijzing naar bil­lijkheid) of om te verwijzen naar het al of niet toepasbaar zijn van de regel, maar ook in het accepteren van de rechtsregel zelf. J. van Schellen heeft er in zijn oratie op gewezen, dat de Hoge Raad steeds meer uitspraken doet die de houdbaarheid van de wet toetsen.5 Een


5 J. van Schellen, Wat leert de Hoge Raad? Denkpatronen bij de Hoge Raad in de tachtiger jaren, Deventer 1983.

|67|

bekend voorbeeld hiervan is de abortus-kwestie. Toen abortus nog strikt verboden was in de wet, werden artsen die hiertoe waren over­gegaan niet veroordeeld, omdat de illegitimiteit van abortus maatschap­pelijk ter discussie stond en voor brede lagen van de bevolking niet meer vanzelfsprekend was. Een veroordeling zou tegen het rechtsge­voel van veel Nederlanders indruisen. Hier gaat het dus niet meer om rationaliteit van de rechtspraak, maar om rationaliteit van de wet zelf: is het redelijk dat de wet zo is geformuleerd. Men zou kunnen stellen dat de rechter zelf het recht verkracht. Toch is dat te simpel gedacht. Het gaat immers niet om de simpele toepassing van de regel, maar om het functioneren van het recht in de maatschappij, of beter: om het vormgeven aan de traditie van de rechtsbeleving. Soms kan de wetgeving achterblijven bij de ontwikkelingen van de maatschap­pelijke bezinning en leidt juist strikte toepassing tot onrecht. Hier bereikt de teleologische hermeneutiek haar hoogtepunt. Terwille van het recht moet men het omgekeerde doen van wat de wet gebiedt.
Ook in de kerk kunnen zulke situaties ontstaan. Ook daar kan de wetgeving achterblijven bij de theologische ontwikkelingen. De uit­leg van het artikel over de handoplegging was in tegenspraak met he­dendaagse oecumenische opvattingen. Maar dat geldt niet alleen voor de uitleg, dat geldt ook voor de kerkorde zelf. Het is in het licht van de samenwerking in de Raad van Kerken een anachronisme dat de Rooms-Katholieke Kerk in de Hervormde kerkorde alleen voorkomt in de ordinantie over het apostolaat als object van evangelisatie (ordinantie 4,29,2). De praxis binnen de Raad van Kerken druist in tegen het principe van kerstening van het volksleven naar reformatorisch karakter6 dat aan de Hervormde kerkorde ten grondslag ligt. Toch zou het in het algemeen binnen de Hervormde kerk als onbillijk wor­den ervaren als de generale commissie voor bezwaren en geschillen deze praxis verbood — en dat doet zij dus ook niet.
Nog scherper komt de discrepantie tussen wet en als rechtvaardig ervaren praxis naar voren ten aanzien van de deelneming van kinde­ren aan het avondmaal. In alle kerken van de gereformeerde traditie is het alleen aan belijdende leden toegestaan deel te nemen aan de vie­ring van het avondmaal. Kerkordelijk en historisch vanuit de


6 Zowel artikel VIII als de ordinantie over het apostolaat van de Hervormde kerkor­de zijn op deze basis geformuleerd. Het was een van de belangrijkste motieven bij het ontwikkelen van de nieuwe kerkorde. Zie hierover: Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd kerkrecht, Nijkerk 1951, blz. 206v; G.D.J. Dingemans, Een huis om in te wonen: schetsen en bouwstenen voor een kerk en een kerkorde van de toekomst, ’s-Gravenhage 1987, blz. 32-37.

|68|

Gereformeerde traditie is deze regel goed gefundeerd. Toch wordt het in veel gemeenten als onjuist ervaren kinderen van deelname aan de vie­ring uit te sluiten. In de Gereformeerde kerken is geprobeerd om via wijziging van de kerkorde de belemmeringen weg te nemen. Maar ondanks grondige voorbereiding en diepgaande discussies is artikel 75 onverlet gebleven, hetgeen echter met verhindert dat in Gerefor­meerde kerken kinderen deelnemen aan het avondmaal, waartoe de weg door synodebesluiten geëffend werd.7 In de Hervormde kerk is de situatie niet veel anders. Alleen is daar nog geen poging onderno­men om de kerkorde te wijzigen of richtlijnen te geven.
Is het nu onjuist dat kinderen aan het avondmaal deelnemen? Ik meen van niet: waar in een gemeente ouders en kinderen de viering van de maaltijd alleen gemeenschappelijk als zinvol ervaren, werkt strikte toepassing van de regel frustrerend op het leven van de gemeen­te en is het kerkrecht niet meer expressie van het evangelie. Het aan­gaan van kinderen mag dan wel onwettig zijn, maar is geen onrecht.
Is het nu niet beter om de kerkorde te wijzigen? Dat is minder een­voudig dan het lijkt. In ordinantie 10,2,1 van de Hervormde kerkor­de, in artikel 75 van die van de Gereformeerde kerken of in artikel 61 van de Dordtse kerkorde simpel de wijziging aanbrengen dat ook kinderen mogen deelnemen, heeft tot gevolg dat voortaan in alle ge­meenten van de betrokken kerk kinderen kunnen deelnemen. Ook in een ultra-orthodoxe gemeente, waar zelfs de belijdende leden am­per aan het avondmaal gaan, moet men dan kinderen toelaten. De kerkeraad heeft dan geen artikel in de kerkorde om zich op te beroe­pen voor een andere praxis. En zo wordt in die gemeenten weer on­recht aangericht. Kerkordelijke oplossing van het probleem vraagt om een veel meer fundamentele herstructurering van de kerkorde dan wijziging van éen artikel. In zo’n geval is het het simpelste om de regel te laten staan, om waar dat nodig is een rechtelijke mogelijk­heid te hebben voor een bepaalde praxis, en tegelijk een zware her­meneutiek te gebruiken voor die situaties waar toepassing tot kennelijk onrecht leidt.

6. Criteria

Ondertussen dringt zich de vraag op naar de criteria die voor de her­meneutiek gehanteerd kunnen worden. Waar vindt men vaste grond onder de voeten om te weten wat recht en onrecht is? Voor de basis


7 Uitvoerige informatie kan men vinden in Kerkinformatie 65, december 1976.

|69|

van de rechtsvinding worden door G.E. Langemeijer8 drie mogelijk­heden genoemd:
a. het natuurrecht. Deze opvatting is vooral binnen de Rooms-Katholieke traditie in trek. De kerk geeft het ware natuurrecht te­rug. Het ware kerkrecht is in wezen het ware recht van de wereld. Het beroep op de natuur geldt als basis voor het recht. Meestal gaat het in feite niet om de natuur maar om een bepaalde vanzelfsprekend geachte cultuur. De natuur zelf is ambivalent. Als men in de kerk homofilie verbiedt, kan men dat doen met een beroep op de natuur: er zijn nu eenmaal mannen en vrouwen. Maar met eenzelfde beroep op de natuur kan men verdedigen dat men nu eenmaal homofiel geboren is. Wat in het eerste geval een beroep op de natuur lijkt, is in wezen een beroep op een bepaalde culturele vanzelfsprekendheid dat homofilie niet mag. Een beroep op ‘de natuur’ kan soms zinvol zijn als kritiek op bepaalde culturele rechtssystemen. Zo heeft men in Duitsland na de oorlog veelal het recht in de natuur gefundeerd te­gen een cultuur van Germanendom. Maar men doet er goed aan te bedenken, dat men het begrip ‘natuur’ zo oneigenlijk gebruikt: als chiffre voor kritiek op een bepaalde cultuur.
b. de historisch-culturele context, het maatschappelijk draagvlak.9 Men spreekt geen recht in het luchtledige. In het voorafgaande heeft dit uitgangspunt een belangrijke rol gespeeld. Toch blijft er hierbij een belangrijk probleem over. Immers, de enkeling kan binnen de gemeenschap weliswaar zich oriëteren op wat recht is, maar de gemeenschap in haar geheel is stuurloos. Zij is overgeleverd aan de toevallige gang van haar eigen traditiegeschiedenis. Daarom is er gezocht naar een verdere fundering. Deze werd gezocht in
c. het geweten. P. Scholten, die deze optiek met name heeft uitte­werkt10, bedoelt daarmee niet het individuele geweten van het abso­lute subject dat zichzelf ten wet is, oncontroleerbaar, maar het besef dat we met elkaar als gemeenschap ons geroepen weten op een diepe­re wijze dan we op dit moment aan expliciete meningen over goed en kwaad hebben. Het geweten gaat verder dan de waan van de dag of het decennium. Dit geweten is niet zo gemakkelijk te verwoorden.


8 G.E. Langemeijer, ‘Das Billigkeitsermessen des Zivilrichters in den Niederlanden’, in: Ermessensfreiheit und Billigkeitsspielraum des Zivilrichters (Arbeiten zur Rechtsvergleichung 24, hrsg. van E. von Caemmerer), Frankfurt am Main/Berlin 1964, S. 85-104, S. 89f. Zie ook: G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Zwolle 1972.
9 Deze opvatting kan men met name aantreffen bij J. Esser, a.w.
10 Asser-Scholten, Algemeen deel. Zie ook: P. Scholten, Recht en liefde (Synthese IV), Haarlem 1917.

|70|

Maar de rechter zal moeten pogen om het te thematiseren en communicabel te maken voor anderen, om misschien tegen hun op de voorgrond aanwezige vanzelfsprekende oordeel een beroep te doen op een diepere verantwoordelijkheid en menselijke roeping.

Binnen het kerkrecht en zeker binnen het protestantse kerkrecht is het niet moeilijk om de keus voor het laatste te maken. Daarbij kan worden opgemerkt dat de roeping van de mens niet in hemzelf gele­gen is, maar een roeping is van Godswege.11 Het is de roeping die tot ons komt vanuit het evangelie. Ons geweten is niet autonoom maar staat onder kritiek van en wordt gevormd door de Schrift. Het Woord van God is echter niet een objectief gegeven. Het is het in de kerk gelezen en gehoorde Woord, gehoord in onze eigen context, die zelf weer door het horen van de Schrift mede gevormd is. Zo kan het kerkrecht ook niet zonder de fundering in de gemeenschap. En om kerkelijke exclusiviteit te vermijden en niet met een beroep op God de mens te vertrappen kan het kerkrecht ook niet zonder te luiste­ren naar wat mensen buiten de kerk over recht en onrecht zeggen. Iets van de notie van het natuurrecht komt zo toch weer binnen.

7. Een hermeneutisch netwerk

Er bestaat dus een ingewikkeld samenspel van de kerk die in een be­paalde richting gegroeid is, die kerkordelijke regels heeft met een ei­gen geschiedenis, die deel uitmaakt van een bepaalde maatschappelijke constellatie, die de Schrift hoort, welke zelf ook weer in allerlei situ­aties is ontstaan. In dit complexe geheel moeten de kerkrechtelijke beslissingen worden genomen. Er zijn allerlei hermeneutische cirkels die met elkaar verbonden zijn en samen een hermeneutisch netwerk vormen. Slechts in het telkens weer doorlopen van alle hermeneuti­sche cirkels doet men de complexe werkelijkheid recht en kan men recht doen in de complexe werkelijkheid. Zo wordt rechtshandelen ‘ein Mosaik, welches sich nur allmählich mit grosser Anstrengung aus immer neu hinzukommenden Stücken zusammenfüge’.12 In een struc­tuur wegen bepaalde elementen zwaarder dan andere. Het leren af­wegen van het gewicht van de elementen is buitengewoon belangrijk. Om niet eindeloos elke beslissingsprocedure helemaal nieuw te moe­ten doorlopen, zijn er bepaalde regels die generaal voor beslissingen kunnen gelden. Deze moeten als door de gemeenschap geijkte regels


11 Ook voor Scholten zelf gold deze roeping trouwens als hoogste gewetensinstantie.
12 Langemeijer, a.w., S. 99.

|71|

zwaar wegen, maar zijn in een hermeneutische structuur nooit abso­luut. Er is nieuwe bezinning op de Schriften, er zijn nieuwe ontwik­kelingen in kerk en maatschappij, er is gewoontevorming in de gemeente. Niet iedere regel van een kerkorde heeft daarom ook een­zelfde gewicht. Men moet zich bijvoorbeeld afvragen hoe deze ge­woonlijk wordt gehanteerd, zoals bij kinderen aan het avondmaal. Aan sommige regels blijkt men zich streng te moeten houden, bij­voorbeeld de wijze waarop ambtsdragers worden gekozen. Andere hebben meer het karakter van raadgeving en oriëntatie, zoals de re­gel voor de censura morum.
In de vormgeving van de kerk is zij niet willekeurig overgeleverd aan het spel van krachten van maatschappij en geschiedenis. Zij weet zich gevormd door het evangelie en wil zich er door laten vormen. Daarom is er ook steeds weer kritische theologische bezinning nodig op haar functioneren. Daarbij gaat de theologie zelf ook alle geschetste hermeneutische cirkels door: in samenspraak met de Schrift, de tra­ditie, de concrete kerkelijke en maatschappelijke situatie. Kerkrecht is daarbij die theologische wetenschap, die in de complexiteit van het theologische gebeuren in het bijzonder aandacht heeft voor de func­tie van de vastgelegde rechtsregels, in samenhang met het geheel van de bezinning op de betekenis van het evangelie in de wereld waarvan de kerk zelf een onderdeel is. Er is dus niet een simpel schriftberoep mogelijk in het kerkrecht; er is niet een simpel beroep op de wens van een bepaalde gemeente mogelijk; er is niet een simpel beroep op ambtelijk gezag mogelijk; er is evenmin een simpel beroep op een kerkorde-artikel mogelijk. Alleen in de totale samenhang van de kerkelijke werkelijkheid is de contingente beslissing te nemen, die zelf vervolgens medebepalend wordt voor de samenhang: zij hoort voor­taan bij de rechtsgeschiedenis.

 

LITERATUUR

E. von Caemmerer (hrsg.), Ermessensfreiheit und Billigkeitsraum des Zivilrichters (Arbeiten zur Rechtsvergleichung 24). Frankfurt am Main/Berlin 1964.
J. Esser, Vorverständnis und Methodenwahl in der Rechtsfindung: Rationalitätsgarantien der richterlichen Entscheidungspraxis (Studiën und Texte zur Theorie und Methodologie des Rechts). Frankfurt am Main 1970.
H. Frost, Strukturprobleme evangelischer Kirchenverfassung. Rechtsvergleichenden Untersuchungen zum Verfassungsrecht der deutschen

|72|

evangelischen Landeskirchen. Göttingen 1972.
P. Scholten, ‘Algemeen deel’ in: C. Asser — P. Scholten, Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk recht. Zwolle 19743.
—, Recht en liefde (Synthese IV). Haarlem 1917.
G. Schubert (ed.), Judicial decision-making. London 1963.
I. Szabo, Die theoretischen Fragen der Auslegung der Rechtsnormen (Sitzungsberichte der deutschen Akademie der Wissenschaften zu Berlin, 1963, 3). Berlin 1964.
G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding. Zwolle 1972.