20-31

|20|

2. Geschiedenis van de wetenschap van het kerkrecht

Drs. W. Bakker

 

Hoewel de kerk van het begin af haar regels en gebruiken heeft ge­kend en daarmee ook een eigen recht, dat geleidelijk in omvang toe­nam, dateert de wetenschappelijke beoefening van het kerkrecht pas van omstreeks het midden van de twaalfde eeuw. Daarvóór beperkte men zich ertoe de kerkelijke rechtsstof te verzamelen en te ordenen.
Reeds de Didachè of Leer van de twaalf apostelen, die wellicht nog voor het einde van de eerste eeuw is ontstaan, geeft, naast morele en liturgische voorschriften, regels voor het leven der gemeente, o.m. over profeten, opzieners en diakenen. Andere vroeg-christelijke kerkorden zijn de Traditio apostolica (± 215), van de Romeinse presbyter en latere tegenbisschop Hippolytus, de Didaskalia (eerste helft 3e eeuw) en de Constitutiones apostolorum (± 380) — de beide laatste, evenals de Didachè, uit het Oosten, waarschijnlijk uit Syrië afkomstig. Vooral de Apostolische constituties vormen, met hun acht boeken, een omvangrijke kerkrechtelijke verzameling; de drie andere zijn er, be­werkt en uitgebreid, in opgenomen, terwijl het laatste hoofdstuk 85 ‘apostolische canones’ bevat, die handelen over de verkiezing, de wij­ding en de plichten van de clerus. Kenmerkend voor heel deze groep is hun pseudepigrafisch karakter: met een beroep op de apostolische herkomst trachten de opstellers het gezag van hun voorschriften te versterken.
Naast dit ‘apostolische’ kwam weldra ook het van de kerk zelf uit­gaande recht. Synoden en concilies spraken zich uit over de leer, de liturgie en de kerkinrichting. Van hun besluiten (canones) werden ver­zamelingen aangelegd. In het Westen schiepen de pausen, als eerste Siricius I in 385, met hun decretalen (litterae decretales) — beslissin­gen in rechtsvragen — een eigen kerkelijke wetgeving.
Aan het begin van de zesde eeuw vatte de Scythische monnik Dionysius Exiguus (‘de kleine’) in Rome het synodale en het pauselijke decretalenrecht samen in twee collecties, die naderhand bijeengevoegd werden. Dit Corpus canonum, ook aangeduid als (Collectio) Dionysiana, vond later als Dionysio-Hadriana — paus Hadrianus had haar in 774 ter hand gesteld aan Karel de Grote — ingang in het Karolingi­sche rijk. Daar stond echter ook het rechtsboek van de Spaanse kerk, de Hispana, dat toegeschreven werd aan bisschop Isidorus van Sevilla

|21|

(✝ 636), in hoog aanzien. Van deze laatstgenoemde vertaling werd ge­bruik gemaakt bij het vervaardigen van de grote kerkrechtelijke falsi­ficatie die bekend staat als de Pseudo-isidorische Decretalen. Hierin waren naast authentieke teksten tal van vervalste pauselijke decreta­len en andere apocriefe stukken, zoals de befaamde Constantijnse Schen­king, opgenomen. In de strijd tussen paus en keizer zou de Pseudo-isidoriana, die omstreeks het jaar 850 in het bisdom Reims moet zijn ontstaan, een belangrijke rol spelen. Pas na de reformatie werd de onechtheid ervan door de Franse protestantse geleerde David Blondel overtuigend aangetoond (1628).
Tot nu toe had men de verzamelde stof steeds chronologisch geor­dend. De kerkelijke praktijk vroeg echter om een zakelijke indeling. Een poging om in deze behoefte te voorzien waren de systematische collecties van Burchard van Worms (Decretum Burchardi, ± 1010) en Yvo van Chartres (✝ c. 1115) (Decretum Panormia). Yvo citeerde als eerste ook uitvoerig de wetgeving van de christelijke keizers. Duide­lijk bleek tot welk een omvang het kerkelijk recht gedurende het eerste millennium was uitgedijd. Maar ook traden de tegenstrijdigheden aan het licht die er tussen de ‘auctoritates’ (= gezaghebbende uitspraken) uit zoveel eeuwen en van zo verschillende herkomst — algemene en provinciale concilies, de kerkvaders, biechtboeken, liturgische geschrif­ten, Romeinse wetten en Frankische capitularia — wel moesten bestaan. Dit noopte tot een streven naar harmonisatie en daarmee tot wetenschappelijke bewerking van de voorhanden rechtsstof.
De opkomst van de Scholastiek en de herleefde studie van het Ro­meinse recht in Italië schiepen daarvoor de gunstige omstandigheden. Omstreeks 1140 bracht Gratianus, een Camaldulenzer monnik in Bologna, een systematische bronnenverzameling tot stand waarin hij de tegenstrijdige bepalingen met behulp van de dialectische methode van de Scholastiek trachtte te harmoniseren; vandaar de naam Concordia discordantium canonum. Later ging men spreken van Decretum Gratiani. Dit Decretum, waarin het overgeleverde recht was samenge­vat, werd nu als leerboek ten grondslag gelegd aan het onderwijs in het canonieke, d.i. het kerkelijke, recht aan de universiteiten. Zo ont­wikkelde de canonistiek zich allengs tot een zelfstandige wetenschap, naast de theologie en het Romeinse recht. Gratianus gold als de va­der ervan — Dante gaf hem daarom zelfs een plaats in het paradijs, samen met Thomas van Aquino en Albertus Magnus!
Het Decretum Gratiani valt in drie delen uiteen. Het eerste, over de aard en de bronnen van het recht en over kerkelijke personen en ambten, omvat 101 distinctiones, die weer onderverdeeld zijn in

|22|

capitula (men citeert: c. 1 D XII = capitula 1, Distinctio XII). In het tweede worden 36 rechtsgevallen — Causae — besproken, vnl. over proces-, vermogens-, orde- en huwelijksrecht. De causae zijn verdeeld in quaestiones, deze in capitula (bijv. c. 1 C X q. 1). Als quaestio 3 van Causa 33 is een afzonderlijke verhandeling over het boetewezen ingevoegd, in 7 distinctiones (citeerwijze: c. 1 D VI de poen. (-itentia)). Het derde deel vormt een zelfstandig tractaat de consecratione, in vijf distincties, over de cultus en de overige sacramenten (c. 1 D IV de cons.).

De canonistiek nam weldra een hoge vlucht. Aan de universiteiten waren het de Dekretisten — in onderscheid van de legisten, de profes­soren in het Romeinse recht — die het Dekreet verklaarden en be­commentarieerden, zoals Huguccio (✝ 1210) en Johannes Teutonicus (✝ 1245). Voor de pausen werd de kerkelijke rechtswetenschap een middel om tegenover de keizer hun positie te versterken. Tal van nieu­we decretalen werden uitgevaardigd, die na verloop van tijd in drie afzonderlijke verzamelingen werden bijeengebracht. Het zijn:
1. de Decretalen van Gregorius IX, of Liber Extra (sc. decretalium ex­tra Decretum vagantium), in 1234 door paus Gregorius IX toegezon­den aan de universiteiten van Parijs en Bologna. Omvat in vijf boekende decretalen die sinds de verschijning van het Decretum Gratiani wa­ren uitgevaardigd (geciteerd als: X);
2. de Liber Sextus, van Bonifatius VIII, uit 1298 (gec: in VIto);
3. de Clementinae (sc. constitutiones), in 1317 door Johannes XXII ge­publiceerd, met de besluiten van het concilie van Vienne (1311/12) en de decretalen van zijn voorganger Clemens V (gec. als: c. 1 in Clem. de poenis V 8). Samen met het Decretum Gratiani werden deze drie verzamelingen het Corpus Iuris Canonici genoemd, naar analogie van het Corpus Iuris Civilis. Later voegden uitgevers nog twee private col­lecties toe: de Extravaganten van Johannes XXII en de zgn. Extravagantes communes. Een officiële uitgave, bezorgd door de zgn. Correctores Romani, verscheen op gezag van paus Gregorius XIII in 1582 te Rome. Een moderne kritische editie in twee delen gaf E. Friedberg (Leipzig, 1879, herdrukt Graz 1955-59).
De verschijning van de Liber Extra leidde een bloeitijd van de ca­nonistiek in. In de plaats van de Dekretisten traden nu de Dekretalisten op, o.a. Hostiensis (Hendrik van Susa, bisschop van Ostia, ✝ 1271), Johannes Andreae (✝ 1348) en Nicolaus de Tudeschis, aartsbis­schop van Palermo en vandaar ook: Panormitanus (✝ 1445). Hostien­sis kende aan het canonieke recht als scientia scientiarum zelfs de eerste plaats toe in de hiërarchie van de wetenschappen, omdat het zich zowel

|23|

over de wereldlijke als de geestelijke dingen uitstrekte. En inder­daad was er bijna geen levensterrein waar het zijn invloed niet deed gelden. Ook op terreinen die voor ons tegenwoordig van zuiver we­reldlijke aard zijn, als het erfrecht en het huwelijksrecht, was de ker­kelijke wetgeving van toepassing. Dit had echter ook zijn schaduwzijden. Steeds meer werd het leven der christenen omgeven door een netwerk van door het kerkelijk gezag gesanctioneerde re­gels. De verrechtelijking van geloof en kerk werd in toenemende ma­te als onverdraaglijk ervaren. Een reactie kon niet uitblijven.
Zij kwam met de Reformatie. Luther verwierp het canonieke recht als een instrument van de pauselijke tirannie. Demonstratief verbrand­de hij op 10 december 1520 bij de Elsterpoort te Wittenberg het Corpus Iuris Canonici. Alleen door de zuivere prediking van het evangelie kon z.i. de herordening van het kerkelijk leven bewerkt worden: sine vi, sed verbo. De historische omstandigheden waaronder de begin­nende reformatie zich voltrok leidden echter tot het ontstaan van het zgn. landsheerlijke kerkbestuur, waarbij het uitwendige bestuur van de kerk, het ‘Kirchenregiment’, bij de landsvorst kwam te berusten, die dit in de regel uitoefende door middel van ‘consistoriën’, colleges waarin zowel juristen als theologen zitting hadden. Het waren de vorsten of stadsmagistraten die de kerkorden uitvaardigden. Geen wonder dat het kerkrecht bij uitstek een zaak werd van de juristen. Deze laatsten grepen echter op tal van punten weer terug op het ca­nonieke recht, dat in Duitsland trouwens rijksrecht was en ook in de praktijk onmisbaar bleek.
Het gevolg was dat zich pas na verloop van tijd een protestantse kerkrechtswetenschap ontwikkeld heeft. De aanzet daartoe werd ge­geven door de pogingen het landsheerlijke kerkbestuur nu ook theoretisch te rechtvaardigen. In dit verband spreekt men meestal van drie, elkaar opvolgende systemen: het episcopale, territoriale en collegiale systeem. De belangrijkste vertegenwoordiger van het Episkopalsystem is Benedict Carpzov (1595-1666) te Leipzig, een orthodox lutheraan, die als eerste een systematische beschrijving gaf van de consistoriale praktijk, zoals men die in Keursaksen kende (Jurisprudentia ecclesiastica seu consistorialis, 1649). Carpzov geldt als de grondlegger van de lutherse kerkrechtswetenschap. Bij lateren deed zich meer de in­vloed van het Verlichtingsdenken gelden, zoals bij Christian Thomasius (1655-1728) te Halle, die een geseculariseerd natuurrecht verdedigde. Zijn leerling Just Henning Böhmer (1674-1749), eveneens te Halle, gaf het protestantse kerkrecht een vaste theoretische grondslag in zijn omvangrijke Jus ecclesiasticum Protestantium (6 dln.,

|24|

1714vv.). Beiden waren aanhangers van het Territorialisme. Conse­quent natuurrechtelijk was het Collegialisme, o.a. gerepresenteerd door de theoloog Christoph Matthaeus Pfaff (1686-1760) en de Göttinger hoogleraar in de rechten Georg Ludwig Böhmer (1715-1797), wiens Principia juris ecclesiastici (1762, 71802) nog tot in de dertiger jaren van de negentiende eeuw als leerboek gebruikt werd.
Anders is de ontwikkeling binnen het Gereformeerd Protestantisme geweest. Daar was het Johannes Calvijn (1509-1564) die in zijn Insti­tutie en in zijn commentaren op het N.T. de beginselen van het presbyteriaal-synodale stelsel van kerkregering aangaf en deze in Genève, althans ten dele, in praktijk wist te brengen. In onderscheid van Luther zocht Calvijn, die in dit opzicht mee de invloed van de Straatsburgse reformator Martinus Bucer (1491-1551) heeft ondergaan, het voorbeeld voor de kerkinrichting in het N.T. en de organisatie van de vroege kerk. Tekenend is dat de meeste gereformeerde confessies meer of minder uitvoerige passages bevatten over de wijze waarop de kerk dient te worden ingericht — de hoofdlijnen van de kerkorde werden zo tot een onderdeel van de belijdenis.
Wellicht het oudste geschrift dat aan het gereformeerde kerkrecht is gewijd, is de Dilucida Explicatio van Waker Travers (ca. 1548-1635), een van de leiders van de Engelse puriteinen. De titel luidt voluit: Ecclesiae disciplinae et Anglicanae ecclesiae ab illa aberrationis, plena e Verbo Dei, et dilucida explicatio. Het verscheen anoniem en met een gefingeerde drukplaats, doch waarschijnlijk te Heidelberg, in 1574. Nog in hetzelfde jaar kwam er een Engelse vertaling: A Full and Plaine Declaration of Ecclesiastical Discipline out off the Word off God. Voor Travers is het presbyteriaal-synodale stelsel het enig schriftuurlijke, de ‘true discipline of Christ’s church’. Later bond hij de kerkelijke discipline nog nauwer aan de bijbel en wees elke andere vorm als antichristelijk af (Defense of the Ecclesiastical Discipline, Middelburg 1588). In 1644 verscheen tijdens de Synode van Westminster A Directory of Church Government, de Engelse vertaling van een slechts in manu­script bekend werk van Travers uit 1587: Disciplinae Ecclesiae ex Dei Verbo descripta, dat bedoeld was als een praktische handleiding voor de verwerkelijking van de presbyteriaanse ideeën.
Uit een andere omgeving afkomstig is Politica ecclesiastica (1595) van Wilhelm Zepper, een werk dat door Voetius veelvuldig geciteerd wordt. Zepper was als hofprediker van graaf Jan van Nassau betrok­ken bij de invoering van de reformatie in gereformeerde geest in Nassau-Dillenburg. In feite is zijn boek een commentaar op de Dillenburger kerkorde van 1582. Zepper tracht het consistoriale met het

|25|

synodale element te verbinden. Een Nederlandse vertaling zag in 1622 te Utrecht het licht, onder de titel: Christelycke bedenckinge voorslach ende raedt, aenwysende door wat middel de kercke Gods te helpen sy.
Als de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht in Nederland tenslotte geldt Gisbertus Voetius (1589-1676), van 1634 tot zijn dood hoogleraar te Utrecht. Op zijn colleges, die bijna het gehele terrein van de theologie bestreken, behandelde Voetius ook het kerkrecht, overigens niet als afzonderlijk vak maar bij de verklaring van de Ned. Geloofsbelijdenis en de Heidelbergse Catechismus, derhalve in ver­band met de dogmatiek. Befaamd waren Voetius’ zaterdagse dispuut­colleges. Uit de daar behandelde stof ontstond zijn vierdelige stan­daardwerk Politica ecclesiastica (1663-1676). Dit bestaat uit een om­vangrijke verzameling disputaties, waarin telkens, op scholastieke wij­ze, na een zorgvuldige begripsbepaling, eerst een principieel-thetische uiteenzetting gegeven wordt, dan allerlei praktische kwesties bespro­ken en eventuele vragen en tegenwerpingen beantwoord worden. ­Belangrijk is voor Voetius de gedachte dat de kerkelijke gemeenschap tot stand komt mee dank zij de vrije bewilliging van de betrokkenen. Aangenomen wordt dat zich hierbij de invloed doet gelden van ge­matigde independenten als Robert Parker, een naar Nederland uitge­weken puritein, die door Voetius herhaaldelijk met instemming wordt genoemd.
Sinds Voetius is het gereformeerde kerkrecht niet meer zo breed en tegelijk zo grondig behandeld. Wel had nu in ons land de gedachte burgerrecht verkregen dat het kerkrecht thuishoort in de theologie, overigens zonder dat het vooralsnog een eigen plaats in het curricu­lum ontving. Pas in de negentiende eeuw zou het vak, met name door F.L. Rutgers, in aansluiting bij de Utrechtse canonist, verder tot ont­wikkeling worden gebracht.
Naast dit presbyteriaal-synodale kerkrecht staan binnen het Gere­formeerd Protestantisme — in de brede zin genomen — echter ook andere opvattingen. Zo loopt er een lijn van de staatskerkelijke situa­tie in het Zürich van Zwingli en Bullinger naar de verdedigers van de Anglicaanse staatskerk in Engeland en naar de Nederlandse Re­monstranten. Als de theoreticus van dit staatskerkelijk systeem in Zwitserland kan men Wolfgang Musculus (1497-1563), hoogleraar te Bern, beschouwen. Musculus wijdde het laatste hoofdstuk van zijn dogmatiek (Loci communes, 1560) aan de overheid. Hij kent aan de overheid het recht van kerkregering toe, de staat is bij hem feitelijk de zichtbare kerk geworden. Voor de Anglicaanse kerkorde werd een brede theologische en filosofische fundering gegeven door Richard

|26|

Hooker (1554-1600), in zijn in schitterend Engels geschreven On the Laws of Ecclesiastical Polity (8 boeken, I-IV 1594, V 1597, VI-VIII postuum). Hooker werd door een conflict met Waker Travers, die korte tijd samen met hem predikant was aan de Temple Church in Londen, ertoe gebracht de geschillen tussen anglicanen en presbyte­rianen te bestuderen. Naar zijn mening kan de kerkvorm niet uit de bijbel worden afgelezen, zij wordt met behulp van de door God ge­schonken rede door de kerk zelf, naar behoefte van de omstandighe­den, vastgesteld.
Een tegenhanger van deze staatskerkelijke stroming vormt het Independentisme of Congregationalisme, dat eerst in Frankrijk gepro­pageerd werd door Jean Baptiste Morely (✝ 1594) (Traicté la discipline et police Chrestienne, 1562), later verdedigers vond onder de Engelse puriteinen en tenslotte invloed kreeg in de Noordamerikaanse kol­oniën. De al genoemde Robert Parker (1564?-1614), gestorven als pre­dikant te Doesburg, heeft met zijn postuum in 1616 verschenen De Politeia Ecclesiastica (2e ed. Amsterdam 1638) onder de congregationalisten groot gezag genoten.

In de Rooms-katholieke kerk begon na het tijdvak van de klassieke canonistiek (12e-16e eeuw) met het Concilie van Trente (1545-63) de na-klassieke periode die tot na het eerste Vaticaanse Concilie (1870-71) zou duren. Aanvankelijk leverde vooral Italië belangrijke canonisten o.a. Giovanni Paolo Lancelotti (✝ 1590), die in zijn veelgebruikte leer­boek Institutiones iuris canonici (1583) de uit het Romeinse recht be­kende indeling: personae, res, actiones overnam, en de jezuïet kardinaal Robertus Bellarminus (1542-1621). Later traden ook Spanjaarden en Fransen op de voorgrond. De Franse gallicaan Louis Thomassin (✝ 1697) wordt beschouwd als de vader van de kerkelijke rechtsgeschiedenis. Invloedrijk representant van het Episcopalisme en Gallicanisme was ook de Leuvense hoogleraar Zeger Bernhard van Espen (1641-1728). Zijn leerling Nicolaas van Hontheim publiceerde in 1763 onder het pseudoniem Justinus Febronius een opzienbarend werk De statu ecclesiae et legitima potestate Romani pontificis tegen de absolute macht van de paus, die naar zijn mening beperkt moest worden door de macht van de bisschoppen en de vorsten. Niet lang daarvoor had Prosper Lambertini, de latere paus Benedictus XIV (1758) met zijn canonistisch hoofdwerk De synodo dioecesana (1748, uitgebreid 1756) een juridische fundering geleverd voor het jurisdictieprimaat van de paus, dat in 1870 dogmatisch vastgelegd zou worden.

|27|

Pas in de negentiende eeuw is de beoefening van het kerkrecht op een modern wetenschappelijk niveau gebracht. Het zwaartepunt kwam nu in Duitsland te liggen, waar de ‘historische rechtsschool’ van Carl Friedrich von Savigny (hoogleraar Berlijn, 1799-1861) zich, mee onder invloed van de Romantiek, tegen het abstracte, natuur­rechtelijke denken van de Verlichting keerde. Voor haar was het recht met het willekeurig produkt van de wetgever, maar een levend orga­nisme dat groeit in en met het volk, een uiting van het volksbewust­zijn. Dit leidde tot een historische benadering. De eerste die in Duitsland deze historische methode op het kerkrecht toepaste, was K.F. Eichhorn (1781-1854), vriend van Savigny en de vader van de Duitse rechtsgeschiedenis. Eichhorn trachtte de ontwikkeling van het kerkrecht te verklaren uit de ‘publiek opgestelde leer’ van de kerk, maar was zelf nog niet vrij van rationalistische vooringenomenheid. Anders was dat met Aem. Ludw. Richter (1808-1864), die zich nauw verbonden wist met het kerkelijk belijden. Richter ging uit van de reformatorische kerkorden van de zestiende eeuw, waarvan hij ook een uitgave verzorgde. Zijn Lehrbuch des katholischen und evangelischen Kirchenrechts mit besonderer Rücksicht auf deutsche Zustände (1842; 8e dr. bewerkt door R. Dove en W. Kahl, 1886) bleef lang het toonaan­gevende werk. Hele generaties Duitse kerkrechtsgeleerden hebben zich in navolging van Richter verdienstelijk gemaakt door onderzoek en bronnenpublicaties. Genoemd kunnen worden, naast vele anderen: Paul Hinschius (1835-1898), die op 28-jarige leeftijd de eerste kriti­sche editie van de Pseudo-isidorische Decretalen tot stand bracht, Emil Friedberg (1837-1910), de uitgever van het Corpus Iuris Canonici, Emil Sehling (1860-1928) aan wie wij Die evangelischen Kirchenordnungen des 16. Jahrhunderts (5 dln., 1902-13) te danken hebben, een publica­tie die sinds 1955 wordt voortgezet door het Institut kür evangelisches Kirchenrecht in Göttingen. Als laatste grote vertegenwoordiger van de historische school geldt Ulrich Stutz (1868-1938), hoogleraar te Ber­lijn, wiens aandacht zich vooral richtte op de invoeden van het Ger­maanse recht in het kerkrecht. Overigens moet bedacht worden dat het hier gaat om juristen, die vaak ook een actieve rol speelden in de kerkelijke politiek van hun landsregering. In de geest van het negentiende-eeuwse positivisme beperkten zij zich in hun systemati­sche werken bovendien meer en meer tot de beschrijving van het gel­dende recht. De diepere, theologische achtergrond geraakte tenslotte geheel op de achtergrond.
Dit laatste moet in feite ook van Rudolph Sohm (1841-1917) ge­zegd worden, die in zijn Kirchenrecht (I. Die historischen Grundlagen,

|28|

1892; II. Die katholische Kirche, 1922, uit de nalatenschap uitgegeven) kerk en recht, of liever: de eigenlijke, onzichtbare kerk en het recht, als onverenigbaar tegenover elkaar plaatste: ‘Das Wesen des Rechts steht mit dem Wesen der Kirche in Widerspruch’. Toch zijn de vragen die Sohm stelde, die naar het wezen van de kerk, naar de oorsprongen van het kerkrecht in het N.T. en naar de verhouding van kerk en recht, sindsdien niet meer van de agenda afgevoerd. Mag men de ‘Geist-’ of ‘Wesenskirche’ en de ‘Rechtskirche’ wel zo van elkaar losmaken als Sohm dat deed? Maar hoe is dan de relatie tussen beide? En waarin onderscheidt zich het kerkelijke van het wereldlij­ke recht? Noch Günther Holstein (Die Grundlagen des evangelischen Kirchenrechts, 1928) noch Hans Liermann (Deutsches evangelisches Kirchenrecht, 1933, met poging tot rechts-sociologische benadering) slaag­den er in Sohms dualisme te boven te komen.

Tijdens de Duitse kerkstrijd (1933vv.) won echter, mee onder in­vloed van Karl Barth, steeds meer de overtuiging veld, dat de orde­ning van de kerk niet aan willekeurige machten of omstandigheden kan worden overgelaten, maar direct te maken heeft met het belij­den, ja zelf een vorm van belijden is. Het kerkrecht vraagt om een theologische fundering. Deze grondgedachte is typerend voor de drie grote systematische ontwerpen uit de jaren ’50 en ’60, die van Johannes Heckel (Lex Charitatis 1953; 21973), Erik Wolf (Die Ordnung der Kirche 1961) en Hans Dombois (Das Recht der Gnade. Oekumenisches Kirchenrecht I 1961, 21969; II 1974; III 1983). Maar bij het niet ge­ringe verschil in opzet en uitwerking tussen deze drie concepties wekt het geen verbazing dat de discussie over de grondslagen van het kerk­recht nog niet is afgesloten (zie daarvoor verder hoofdstuk 3). Naast de rechtstheologische blijven uiteraard ook tal van historische en praktische kwesties de aandacht vragen. De bijzondere verhouding tussen kerk en staat in de Bondsrepubliek brengt mee dat het zgn. staatskerkrecht in Duitsland vrij intensief beoefend wordt, o.m. door Axel Freiherr von Campenhausen (Staatskirchenrecht 21982) en Martin Heckel. Veel informatie geeft het Zeitschrift für evangelisches Kirchen­recht (opgericht in 1953).
In de Rooms-katholieke kerk heeft de canonistiek zich in onze eeuw allereerst gericht op de bestudering en commentariering van de in 1918 in werking getreden Codex Iuris Canonici. Het gezaghebbende leer­boek werd geschreven door Eduard Eichmann (1870-1946) (Lehrbuch des katholischen Kirchenrechts auf Grund der CIC, 1923); na diens dood is het voortgezet en herschreven door Klaus Mörsdorf (11e dr. in 3 dln., 1964-1979). De kerkelijke rechtsgeschiedenis schetste W.M. Plöchl

|29|

(Geschichte des Kirchenrechts, 4 dln., I 21960, II 21962, III 1959, IV 1966). In Frankrijk verschijnt sinds 1955 een op talrijke delen bere­kende Histoire du Droit et des Institutions de l’Eglise en Occident. Bij het onderzoek naar de middeleeuwse canonistiek is Stephan Kuttner, oprichter van het Institute of Medieval Canon Law (1957, thans te Berkeley, California), de leidende figuur.
Belangrijke impulsen tot een herorientatie t.a.v. het traditionele ker­kelijk recht gaven het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-65) en de revisie van het kerkelijk wetboek, die zich over twee decennia (1963-83) uitstrekte. De nieuwere canonistiek heeft ook de invloed ondergaan van de confrontatie met de protestantse rechtstheologie en streeft evenals deze naar een theologische fundering en legitimatie van het kerkelijk recht en daarmee naar de beoefening van het kerk­recht als een theologische wetenschap. Op de nieuwe codex zijn in­middels tal van commentaren verschenen; veruit de beste — en uitvoerigste — is het Handbuch des katholischen Kirchenrechts, uitg. door Joseph Listl e.a., met 46 medewerkers (Regensburg 1983), dat zich echter vooral tot de r.k. kerk in de Duitstalige landen beperkt.

In Nederland heeft het kerkrecht in de vorige eeuw een plaats ge­kregen in het academisch onderwijs, dankzij de Utrechtse kerkhisto­ricus H.J. Royaards (1794-1854), die in het begin van de jaren dertig colleges ging geven over het hervormde kerkrecht, met het oog op de vorming van de a.s. predikanten. Als handboek voor studie en prak­tijk is bedoeld zijn tweedelige Hedendaagsch kerkregt bij de Hervormden in Nederland (1834-1837). In 1848 pleitte Royaards in een rede over ‘Het kerkregt, als wetenschap, ook voor akademisch onderwijs’ ervoor het kerkrecht naar Duits voorbeeld onder de universitaire dis­ciplines op te nemen. Hij beschouwde het als een gemengde weten­schap, te beoefenen zowel door juristen als theologen, liefst in onderlinge samenwerking. Binnen de theologische faculteit hoorde het z.i. tot de historische vakken. Royaards’ idealen zijn echter slechts ten dele vervuld. De wet op het hoger onderwijs van 1876 rekende het kerkrecht niet tot de eigenlijke theologie; aan de openbare uni­versiteiten valt het sindsdien als kerkelijk vak onder de verantwoordelijkheid van de hoogleraren der Ned. Herv. Kerk. Aan de Vrije Universiteit en de theologische hogescholen van gereformeerde sig­natuur daarentegen is het in het theologische curriculum opgenomen, meestal nauw verbonden met de kerkgeschiedenis.
Bij de beoefening van het kerkrecht greep F.L. Rutgers (1836-1917), die het vak aan de Vrije Universiteit tot ontwikkeling bracht, bij voorkeur

|30|

terug op Calvijn en de ontstaanstijd van de kerk der reformatie in ons land. Hij gaf o.m. een tekstkritische editie van de Acta van de Nederlandsche synoden der zestiende eeuw (1889). In Rutgers’ geest werkte H. Bouwman (1863-1933) te Kampen, in wiens tweedelige Ge­reformeerd Kerkrecht (1928-1934) echter ook veel aandacht besteed wordt aan praktische kwesties. Vanuit zijn betrokkenheid bij het stre­ven naar reorganisatie der Ned. Herv. Kerk voerde de hervormde the­oloog O. Noordmans (1871-1956) een origineel pleidooi voor de presbyteriaal-synodale kerkvorm, o.m. tegenover de Utrechtse nieuwtestamenticus A.M. Brouwer die de organisatie van de kerk als een zuiver praktische aangelegenheid beschouwde. In 1947 wijdde A.J. Bronkhorst zijn dissertatie aan het fundamentele vraagstuk van Schrift en kerkorde. Na de totstandkoming van de nieuwe kerkorde der Ned. Herv. Kerk gaf Th.L.Haitjema een historisch-principiele toe­lichting daarop in zijn Nederlands Hervormd Kerkrecht (1951). Voor een breder lezerspubliek bestemd is de Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1971) die D. Nauta publi­ceerde na de invoering in 1959 van de herziene kerkorde van deze kerken. Tenslotte heeft de herdenking van de zestiende-eeuwse sy­noden der Nederlandse kerken in de laatste decennia aanleiding gege­ven tot het ontstaan van een reeks gedenkbundels, waarin ook aan het kerkrechtelijke aspect aandacht is geschonken en tevens de tekst van de betreffende acta door W.van ’t Spijker opnieuw is uitgegeven. Toch valt het niet te ontkennen dat de wetenschappelijke beoefening van het kerkrecht in bepaalde opzichten bij die in Duitsland ten ach­ter is gebleven. Met name geldt dat van de bestudering van de zgn. grondslagenproblematiek. De beschouwingen van Heckel, Wolf en Dombois wachten hier te lande nog steeds op een kritische evaluatie en nadere verwerking.

 

LITERATUUR

De overzichten in de artikelen ‘Kirchenrecht’ in:
Evangelisches Kirchenlexikon, II. Göttingen 1958,
Die Religion in Geschichte und Gegenwart, III. Tübingen, 3. Aufl. 1959, en
Lexikon für Theologie und Kirche, VI, Freiburg, 2. Aufl. 1961.
W.M. Plöchl, Geschichte des Kirchenrechts, I, Wien-München, 2. Aufl. 1960; II, Wien-München, 2. Aufl. 1962; III, Wien-München 1959; IV, Wien-München 1966.

|31|

H.E. Feine, Kirchliche Rechtsgeschichte: Die Katholische Kirche, Köln-Graz, 4. Aufl. 1964.
A. Erler, Kirchenrecht. Ein Studienbuch, Munchen, 4. Aufl. 1975.
H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, I. Kampen 1928, p. 53-323.
Th.L. Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, Nijkerk 1951, p. 15-111.
J. Plomp, Beginselen van reformatorisch kerkrecht (Kamper Cahiers, 4), Kampen 1967.