106-109

|106|

9. Het congregationalisme

Drs. D. Deddens

 

In Engeland en Amerika (Nieuw-Engeland) ontstonden in de 17e eeuw kerken die in de leer nauw verbonden waren met de Gereformeer­den op het Europese vasteland en met de Presbyterianen in Schot­land, maar inzake de kerkinrichting een eigen weg gingen. Ter typering daarvan werden door anderen de benamingen independent en independentisme gebruikt, die echter door de betrokkenen zelf als onjuist werden afgewezen. Minder sterk was hun bezwaar tegen de aanduiding ‘congregational’; in de jaren 1640 typeerden hun woord­voerders het kerkrechtelijk verschil met de Schotse Presbyterianen wel als een verschil tussen ‘congregational’ en ‘classical’, met het oog op de functie en de bevoegdheden die in het Schotse systeem werden toegekend aan de ‘presbytery’, die boven de plaatselijke kerkeraad, de ‘kirk-session’ stond. In de naam van de betrokken kerken is de aanduiding Congregational in de loop der tijden gebruikelijk gewor­den. De Congregationalistische kerken zijn beperkt gebleven tot de Angelsaksische wereld en de invloedssfeer daarvan. Het zwaartepunt kwam hierbij te liggen in de Ver. Staten van N. Amerika, waar zij zich in de 17e eeuw vrijer konden ontwikkelen dan in Engeland.
Reeds tijdens de regering van Elisabeth hadden zich in Engeland na afscheiding van de staatskerk enige gemeenten gevormd met een kerkinrichting die men eveneens congregationalistisch zou kunnen noemen. Vanwege de vervolging weken deze grotendeels uit naar Ne­derland (bijv. Middelburg: Robert Browne; Amsterdam: Francis John­son; Leiden: John Robinson). In de periode 1610-1640 verbleven in ons land verscheidene Engelse voorgangers (verbonden aan garnizoens­kerken e.d.), die zich niet van de Engelse staatskerk hadden afgeschei­den en die na hun vertrek naar Engeland en naar Nieuw-Engeland daar tot de belangrijkste congregationalistische woordvoerders wer­den. Invloed van figuren als Browne op hun opvattingen werd perti­nent door hen ontkend en is ook niet bewijsbaar; daarentegen werd door hen dankbaar gewag gemaakt van de invloed die op hun ecclesi-ologische inzichten was uitgegaan van met name William Ames en Robert Parker (beiden in Nederland overleden). Uiteraard was men van de kerkrechtelijke gedachten en praktijken in Nederland goed op de hoogte. Veel kennis werd ook aan de dag gelegd met betrekking

|107|

tot opvattingen van Calvijn, Beza en andere figuren uit de tijd na de Reformatie.
De jaren 1640 tot 1660 zijn te beschouwen als de periode van de klassieke vormgeving van het Congregationalisme. In Nieuw-Engeland kwam in 1648 het uitvoerige, uit 17 artikelen bestaande Cambridge Platform tot stand, in Engeland in 1658 de Savoy Declaration of Faith and Order; daarnaast deden de discussies in de door het parlement bijeengeroepen Westminster Assembly de overeenkomst én de ver­schillen tussen de Congregationalisten en m.n. de Presbyterianen hel­der aan het licht komen, terwijl er in dezelfde tijd een groot aantal kerkrechtelijke geschriften werd gepubliceerd.
Als kenmerkend voor het Congregationalisme zoals het toen werd uiteengezet en geadstrueerd, kan vooral het volgende gelden. 1. De kerkvorm die in het Nieuwe Testament geleerd wordt is die van de ‘congregations’ die geen superstructuren boven zich hebben en niet te beschouwen zijn als onderafdelingen van nationale of landelijke kerk. 2. De gemeente moet in éen gebouw kunnen samenkomen rond­om het Woord en de sacramenten, dus in ledental niet groter zijn. 3. Na de periode van de ‘buitengewone’ ambtsdragers uit het begin van de nieuwtestamentische kerk zijn door Christus als ‘gewone’ ambtsdragers van iedere gemeente aangewezen: de herder, de leraar, ouderlingen en diakenen. 4. Zowel de herder als de leraar vervullen hun ambt in de gemeente; het verschil tussen beide ambten is niet groot. De ouderlingen en diakenen worden benoemd voor onbepaal­de tijd; het Nieuwe Testament spreekt nergens over periodieke aftre­ding. 5. Het is Christus zelf die de ambtsdragers roept, maar Hij doet dit middellijk, door de gemeente; de mondige gemeente moet betrok­ken worden in alle belangrijke zaken die zich in het kerkelijk leven voordoen, zeker ook in tuchtgevallen. De kerkelijke tucht moet plaats­vinden in haar aanwezigheid. 6. De ambtsdragers zijn niet te beschou­wen als uitvoerders van de wil van de gemeente, de regeringswijze van de kerk is niet democratisch, maar aristocratisch-democratisch: de ambtsdragers houden een eigen verantwoordelijkheid. Iedere ge­meente staat onder de alleenheerschappij van Christus, aan wie leden en ambtsdragers volstrekte gehoorzaamheid verschuldigd zijn. 7. De gemeenten zijn in Christus éen en daarom tot onderlinge gemeen-schapsoefemng geroepen. Het is een goede zaak die gemeenschap ook te beoefenen door het houden van synoden indien de noodzaak zich daartoe voordoet. Periodieke synoden worden in het Nieuwe Testament niet voorgeschreven. Synoden mogen niet beschouwd worden als ambtelijke vergaderingen en hebben geen ‘hoger’ gezag.

|108|

Hierbij zijn allerlei opmerkingen te maken. We beperken ons tot de volgende. Vooral in de begintijd van de congregationalistisch ge­ordende kerken rustte het gemeentelijk leven vaak op een onderling gesloten expliciet verbond (‘church covenant’); doorgaans werd daarin geen melding gemaakt van een bepaalde geloofsbelijdenis. Zowel in het Cambridge Platform als in de Savoy Declaration ontbreken afspra­ken inzake een ondertekening van een bepaalde confessie; de kerken in Engeland en Nieuw-Engeland stemden in met de Westminster Con­fessie, met uitzondering van bepaalde uitspraken over de Kerk, maar kenden geen ondertekeningsformulier en waren over heel de linie be­ducht voor formulieren, ook voor formuliergebeden. Ook bij het af­leggen van openbare geloofsbelijdenis werd geen instemming met de Confessie of de Catechismi van Westminster gevraagd. Men moest van zijn hartelijk geloof blijk geven voor het forum van de gemeen­te. Vooral in Nieuw-Engeland deden zich al spoedig problemen voor, toen kinderen geboren werden van ouders die geen leden in volle rech­ten waren; dit leidde tot de invoering van de praktijk van het zgn. ‘half-way covenant’. Het is opmerkelijk dat in de genoemde dokumenten niet gesproken wordt van kerkeraadsvergaderingen. In de praktijk groeide er een duidelijke dominocratie. In het vervolg van de 17e eeuw verdwenen in veel gemeenten zowel in Nieuw-Engeland als in Engeland de ouderlingen. Tussen het Cambridge Platform en de Savoy Declaration is er een zeker verschil merkbaar ten aanzien van synoden; het Cambridge Platform is hier positiever. Na de 17e eeuw is het Congregationalisme aan allerlei veranderingen onderhe­vig geweest. Vrijwel overal zijn momenteel Congregationalistische ker­ken geünieerd met andere kerkgemeenschappen, in Engeland met de Presbyteriaanse kerk, wat geleid heeft tot de tegenwoordige United Reformed Church.
In de jaren 1640 is door de Schotse Presbyterianen ten tijde van de Westminster Assembly een dringend beroep gedaan op theologen in Nederland om steun te bieden aan hun zaak en duidelijk partij te kiezen tegen de Congregationalisten. Met name in Zeeland werd daar­toe overgegaan, waarbij Apollonius optrad als auteur.
Ook in andere landen zijn vroeger en later opvattingen verkondigd welke met die van de Congregationalisten een zekere verwantschap vertonen. In Frankrijk is dat gebeurd door Jean Morély, die door de Franse gereformeerde kerken veroordeeld werd. De Congregationa­listen in Engeland en Nieuw-Engeland hebben zich van zijn opvat­tingen uitdrukkelijk gedistantieerd.

|109|

LITERATUUR

Williston Walker’s The Creeds and Platforms of Congregationalism (New York 1893, repr. Boston 1960, Philadelphia 1969) is het klas­sieke bronnenwerk. De teksten van het Cambridge Platform en de Savoy Declaration of Order vindt men eveneens in The Reformation of the Church: A collection of Reformed and Puritan documents on Church issues, sel. by Iain Murray (London 1965), 231-280. De kerk­rechtelijke debatten tussen de Congregationalisten en de Presbyteria­nen in de Westminster Assembly worden behandeld in: J.R. de Witt, Jus Divinum, The Westminster Assembly and the Divine Right of Church Government (Kampen 1969).
Belangrijk voor deze periode: G.F. Nuttall, Visible Saints: The Con-gregational Way 1640-1660 (Oxford 1957). Voor Nederland zie men: Keith L. Sprunger, Dutch Puritanism: A History of English and Scottish Churches of the Netherlands in the Sixteenth and Seventeenth Centuries (Leiden 1982). Over het standpunt van de Nederlandse Ge­reformeerden: D. Nauta, De Nederlandsche Gereformeerden en het Independentisme in de zeventiende eeuw (Amsterdam 1936). Voor ontwikkelingen tot de jongste tijd: Normal Goodall (Hrsg.), Der Kongregationalismus (Frankfurt 1973) (‘Die Kirchen der Welt’, XI). Re­cent: Alan P.F. Sell, Saints: Visible, orderly & catholic: The Congregational Idea of the Church (Geneva 1986).