145-148

C. De Gereformeerde Kerken na de Vereniging van 1892

Drs. D. Deddens

 

In de kerkorde van Dordrecht die bij de Vereniging van 1892 werd aanvaard, kwamen allerlei inmiddels verouderde bepalingen voor. In 1905 kreeg een herziening van beperkte omvang haar beslag, waarbij alleen werd veranderd wat door veroudering onmogelijk gehandhaafd kon worden.
Gedurende meer dan dertig jaar werd in principiële uiteenzettin­gen en in de praktijk van de kerkelijke samenleving de winst aan ver­scherpte inzichten vastgehouden en verdisconteerd, die eerder (vooral in de jaren-1880) verkregen was inzake het confederatieve karakter van het kerkverband en het verschil in karakter en bevoegdheden tus­sen de kerkeraad en de meerdere vergaderingen. Jarenlang oefende dr. F.L. Rutgers een ‘op de gang van ons gereformeerd kerkelijk le­ven ... niet licht te hoog te schatten invloed uit’ (dr. G.Ch. Aalders). Niet alleen door zijn kerkrechtelijk onderwijs aan de VU, maar ook door zijn vele adviezen, schriftelijk aan kerkeraden en personen, mon­deling in generale synoden, waar hij ‘de adviseur bij uitnemendheid was’.
In 1926 — negen jaar na Rutgers’ overlijden — deed zich een veran­dering voor. De generale synode van Assen, bijeengeroepen voor de zaak-dr. J.G. Geelkerken, ging over tot afzetting van de kerkeraad van Amsterdam-Z. (minus enkele leden) en droeg aan de classes op, ande­re kerkeraden af te zetten als deze zich openlijk aan de kant van dr. Geelkerken en de kerkeraad van Amsterdam-Z. zouden scharen.

|146|

Deze kerkrechtelijke beslissingen baarden opzien, ook in de Christian Reformed Church in de Ver. Staten waar de afzetting van een kerkeraad door een meerdere vergadering een al jaren omstreden kwestie was en in 1923 advies was ingewonnen van dr. H.H. Kuyper, Rutgers’ opvolger aan de VU, en dr. H. Bouwman te Kampen, die zich toen beiden hadden uitgesproken in principieel afwijzende zin. Nog in 1926 deed dr. J. van Lonkhuyzen, toen predikant in Chicago, te­gen de genoemde Asser besluiten een krachtig protest horen in een brochure, getiteld Een ernstige fout. Na zijn terugkeer naar Neder­land zette hij zijn verdediging van het kerkrecht der Doleantie en zijn bestrijding van wat z.i. de overgang naar een nieuw kerkrecht bete­kende intensief voort. Dit ‘nieuwe’ kerkrecht werd in de jaren 1930 door hem gekarakteriseerd als ‘een overloopen naar het Hervormde kerkrecht’. Als verdediger van de kerkrechtelijke wending van As­sen trad vooral dr. H.H. Kuyper naar voren, die erkende van inzicht veranderd te zijn en zijn gewijzigde opvattingen over het karakter, de macht en het tuchtrecht van de synoden in de dertiger jaren syste­matisch uitdroeg. In 1937 eindigde hij zijn loopbaan als hoogleraar in actieve dienst met de promotie van M. Bouwman, die onder zijn leiding gereed was gekomen met een dissertatie over Voetius over het gezag der synoden. Dit proefschrift, dat veel meer bevatte dan een uit­eenzetting van de gevoelens van Voetius, en waarin de auteur zich geheel aansloot bij de opvattingen van zijn promotor, met ingrijpen­de kritiek op Rutgers, liet er geen twijfel over bestaan dat het hier voorgedragen kerkrecht op essentiële punten verschilde van dat van de Doleantie. Tot de ‘Stellingen’ bij de dissertatie behoorden ook de volgende: ‘Er bestaat geen principieel verschil tusschen de meerdere vergadering (classis en synode) en den kerkeraad der plaatselijke kerk’ en: ‘De meerdere vergadering heeft niet een mindere of lagere macht, doch een meerdere of hoogere macht dan de kerkeraad’.
Naast dr. Van Lonkhuyzen bond nu vooral dr. S. Greijdanus, hoog­leraar te Kampen en zoon van de Doleantie, de strijd tegen dit kerk­recht aan. Evenals Van Lonkhuyzen leverde hij indringende kritiek op de weergave en interpretatie van Voetius door Bouwman. Het door hem in navolging van H.H. Kuyper voorgestane kerkrecht was vol­gens Greijdanus een verloochening van het Doleantiekerkrecht en een veroordeling van de Doleantie zelf. In de volgende jaren bleef Greij­danus dit kerkrecht bestrijden, ook toen het in toenemende mate in praktijk werd gebracht. Tegenover het historisme stelde hij de ‘Schriftbeginselen van kerkrecht inzake meerdere vergaderingen’ in het licht. Met de gewijzigde opvattingen van dr. H.H. Kuyper ging o.a.

|147|

ds. Joh. Jansen, de schrijver van de bekende Korte verklaring van de kerkenordening mee; een vergelijking van de verschillende drukken van dit boek is hier illustratief.

 

LITERATUUR

Open brief van de buitengewone Generale Synode te Assen aan de Gere­formeerde Kerken in Nederland, Kampen 1926.
H.H. Kuyper, ‘Afzetting van een kerkeraad’. De Heraut nr. 2363 (1923); ‘Napleiten’, serie van 13 artt., id. nr. 2830-2842 (1932); ‘Re­pliek van dr. J.van Lonkhuyzen’, serie van 6 artt., id. nr. 2862-2866 (1932), nr. 2867 (1933); ‘Diss. M. Bouwman’, id. nr. 3102 (1937); ‘Nieuw kerkrecht?’, serie van 7 artt., id. nr. 3145-3154 (1938); ‘De drieërlei macht’, serie van 25 artt. id. nr. 3178, 3179 (1938), 3180-3222 (1939).
J. van Lonkhuyzen, Een ernstige fout: het besluit der Generale Syno­de te Assen inzake de afzetting van een of meer kerkeraden gewogen en te licht bevonden, Chicago 1926.
—, Is het nieuwe kerkrecht niet een ernstige dwaling?, Franeker 1939.
—, ‘Iets over Geref. Kerkrecht’, GTT 31 (1930/31), 353-361; ‘On­derscheid in Geref. Kerkrecht’, id. 31 (1930/31), 417-431; ‘De tucht­oefening der Generale Synoden der Fransche Kerken over de mindere vergaderingen’, id. 31 (1930/31), 459-478; ‘In eigen rechte lijn’, id. 32 (1931/32), 257-288; ‘Een belangrijk boek, een nieuw geval en een reeks onhoudbare argumenten’, id. 32 (1931/32), 401, 449-463; ‘Geen „Na­pleiten”, maar een tijdig waarschuwen’, id., 33 (1932/33), 529-543; ‘Debat niet mogelijk’, id. 33 (1932/33), 529-543; ‘De Voetius-interpretatie van Dr. M. Bouwman’, De Reformatie 17 (1936/37), 344v.; ‘Dr. M. Bouwman’s dissertatie nader getoetst’, GTT 38 (1937), 513-531, 569-629; ‘Goed onderscheiden!’, id. 40 (1939), 466-473.
M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, Amsterdam 1937st.
—, De Gereformeerde opvatting omtrent den Schriftuurlijke grondslag der kerkregeering, Assen 1940.
S. Greijdanus, ‘Over vragen van Geref. Kerkverband. Voetius over het gezag der synoden’, De Reformatie 17 (1936/37), nr. 42; ‘Het nieuwe kerkrecht in de praktijk’, id. 18 (1937/38), nr. 29; ‘Nieuw kerkrecht’, id. 18 (1937/38), nr. 33; ‘Het wezen der meerdere kerkelijke vergade­ringen volgens Voetius’, serie van 8 artt. id. (1937/38), nrs. 31-38; ‘De quaestie van het Nieuwe Kerkrecht’, serie van 6 artt., id. 19 (1938/39), nrs. 1-6; ‘De kerken in synode saamgekomen’, serie van

|148|

6 artt., id. 19 (1938/39), nrs. 16-22; ‘Confoederatie óf hiërarchie’, id. 19 (1938/39), nr. 32, 33; ‘Dr. F.L. Rutgers en Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman over het oude en gereformeerde kerkrecht’, serie van 7 artt., id. 19 (1938/39), nrs. 35-41;
—, Over Gereformeerd Kerkrecht, overdruk serie artt. De Wachter 41 (1943).
—, Schriftbeginselen van kerkrecht inzake meerdere vergaderingen, En­schede z.j.