151-158

|151|

13. Typen van structuur der kerk

Dr. D. Nauta

 

De Kerk maakt in de wereld een bepaalde vaste groepering uit, een gemeenschap van mensen, bepaaldelijk van christenen. En, gelijk met alle dergelijke gemeenschappen, hoe onderscheiden ook, het geval is, heeft zij voor het verkeren en functioneren in de wereld behoefte aan regelen of verordeningen waarnaar dit optreden zich behoort te rich­ten. Een vereniging, opgericht tot het nastreven van enig doel, pleegt een reglement op te stellen waaraan haar leden verplicht zijn bij hun handelen binnen het kader van de onderhavige doelstelling zich te houden. Een stichting die geen leden kent, maar als rechtspersoon geldt die met behulp van een hiertoe bestemd vermogen een nader omschreven doel beoogt te bevorderen, kan het niet stellen zonder statuten waarin tot in bijzonderheden vastgelegd is wat bij het nastre­ven van dat doel moet worden in acht genomen. Een staat, een nauw­keurig omgrensd segment der menselijke samenleving, ontstaan in de loop der geschiedenis, pleegt in het bezit te wezen van een grondwet en andere hieraan ondergeschikte overeengekomen wetten welke de nodige bepalingen bevatten tot het regelen van de bevoegdheden als­mede de rechten en verplichtingen die van kracht zijn voor allen die op de een of andere wijze en onder wat voor titel ook in die staat opgenomen zijn. Welnu, op overeenkomstige wijze heeft de Kerk evenzeer behoefte aan bepaalde regels, aan een orde.
In die reglementen, statuten, grondwetten en ordeningen worden allerlei zaken geregeld. Van willekeur is daarbij generlei sprake. Van het uiterste gewicht is de kwestie, hoe de inwendige opbouw van de desbetreffende instantie zich vertoont. Ten aanzien van verenigingen en stichtingen levert dit punt geen al te grote problemen op. Het is eenvoudig genoeg ter zake de nodige bepalingen te ontwerpen welke aan redelijke eisen voldoen, al is het ook dan van belang in de om­schrijving ervan met de grootste zorg te werk te gaan. Grotere moei­te levert het evenwel op met betrekking tot een samenlevingsvorm gelijk de staat. Hetzelfde geldt in niet mindere mate wanneer de Kerk in het geding komt. Bij het vaststellen en het in duidelijke bepalingen onderbrengen van aard en vorm van haar inwendige bouw, met an­dere woorden van haar structuur, dient zelfs de uiterste zorgvuldig­heid in acht genomen te worden. Want in het onderhavige geval staat de beslissing niet zonder meer bij ons mensen, zij het dan ook christenen.

|152|

Zeer speciaal zijn wij gebonden aan wat dienomtrent van Gods­wege werd voorgeschreven in de Heilige Schrift.
In de Schrift vinden wij ook inderdaad bepaalde aanwijzingen en gegevens met betrekking tot de Kerk, gelijk zij geacht wordt als sa­menlevingsvorm te reilen en te zeilen in deze wereld. Met dat mate­riaal behoort natuurlijk ten volle rekening te worden gehouden. Het is echter niet zo, dat ons daar een tot in bijzonderheden toe uitge­werkt beeld wordt geschetst van haar structuur, zodat wij zouden kun­nen volstaan zonder meer dit over te nemen. Aan de kerk zelve werd het overgelaten om, mede aan de hand van het bedoelde materiaal, die structuur op te bouwen. Uiteraard houdt zulks een dure roeping en een ernstige verantwoordelijkheid in. Het gevolg is geweest dat in de loop der geschiedenis er dienomtrent verschil van opvatting aan de dag getreden is. Bij alle verschil van opvatting echter keert steeds eenzelfde element terug. Het is de erkenning van Jezus Christus als de Heer, het enige Hoofd der kerk. Op dit punt is de Schrift al te duidelijk dan dat dienomtrent twijfel kan rijzen en ontkenning of af­wijking tot de mogelijkheden zou behoren. De kerk wordt geacht van Goddelijke oorsprong te wezen. Zij is Gods bouwwerk (1 Kor. 3: 9). Dit bouwwerk, bestemd om te worden gebouwd tot een woonste­de Gods in de Geest, wast in Christus op, goed ineensluitend tot een tempel in Christus (Ef. 2: 21, 22). Elders heet Hij het fundament, en een ander dan dat er ligt, kan niemand leggen (1 Kor. 3: 11). Zelf heeft Hij tegenover Petrus betuigd dat bepaaldelijk op diens belijdenis dat Hij de Christus, de Zoon van de levende God is, Hij zijn gemeente zou bouwen (Matth. 16: 18). Indien dan ook in enige opvatting aan deze erkenning van Jezus Christus als het enige Hoofd der kerk te­kort zou worden gedaan, zou daarmede een dergelijke kerk opgehou­den hebben haar specifiek karakter van kerk te dragen en geheel op één lijn zijn komen te staan met iedere gewone vereniging van mensen.
Voor het overige krijgen wij van doen met diverse typen van struc­tuur. Hier volgt een globaal overzicht van grondvormen en model­len, waarvan in de feitelijkheid nog weer op onderscheiden wijze een uitwerking wordt aangetroffen.
Een ingrijpend verschil is gelegen in het al of niet aanvaarden van het kanonieke recht. Dit wordt geacht in beginsel terug te gaan op de tijd der apostelen. Duidelijk uitgewerkt vinden wij die opvatting bij de Rooms-Katholieke Kerk. Haar leiding is in handen gelegd van bisschoppen als plaatsvervangers van Christus en diens apostelen. De paus wordt verder geacht als opvolger van de apostel Petrus het zicht­baar Hoofd te zijn van de gehele kerk in de wereld. Hij is met onfeilbaar

|153|

gezag bekleed. Onder en in een bepaald opzicht naast hem treden de bisschoppen met overeenkomstige bevoegdheid op. In de uitoefe­ning van hun taak worden deze leidslieden bijgestaan uitsluitend door hiertoe vanwege henzelf aangewezen en volgens vaste regels door hen bevestigde geestelijken. De leden der kerk hebben geheel en al zich te voegen naar de vanwege deze geestelijkheid verstrekte aanwijzingen; van enige wezenlijke en beslissende invloed op het bestel en de gang van zaken is bij hen geen sprake. De structuur van een zodanige kerk kan derhalve terecht worden geschetst als ‘die Kirche des Klerus’ in het belang en ten goede van de leken1.
De Oosters- of Grieks-Orthodoxe Kerk kent een overeenkomstige hiërarchie, evenwel niet met een gelijk eenhoofdig gezag. Er zijn autokefale kerken onder zelfstandige patriarchen. Als de aloude patriarchaten fungeren die van Constantinopel, Alexandrie, Antiochie en Jeruzalem. Heden ten dage is dit aantal aanmerkelijk toegenomen. Een centrale positie komt daarbij toe aan de patriarch van Constanti­nopel; deze wordt als oecumenisch aangeduid. De gewone leden der kerk plegen niet van elke invloed op de gang van zaken te zijn ver­stoken. Die invloed raakt echter bepaaldelijk stoffelijke aangelegen­heden. Alles wat niet louter de leer, doch evenzeer haar bestuur en organisatie aanbelangt, blijft voorbehouden aan het oordeel en het gezag van de geestelijkheid.
In dezelfde categorie van kerken moet een plaats worden toegewe­zen ook aan de Anglicaanse Kerk. Wel heeft zij in 1559 bij de Act of Secession met Rome gebroken en wordt door haar de opperhoogheid van de paus over de kerk niet erkend. Maar voor het overige houdt zij vast aan het canonieke recht, voorzoverre zich zulks althans laat rijmen met de inachtneming van de reformatorische geloofso­vatting welke door haar wordt gevolgd. Formeel is de Anglicaanse Kerk staatskerk geworden en zij is dit tot heden in verzwakte zin gebleven. In werkelijkheid wordt het gezag uitgeoefend door de bei­de aartsbisschoppen, die van Canterbury en die van York, van wie dan het primaat berust bij de eerstvermelde. Er kan nog aan worden toegevoegd dat sedert 1919 dezen zich laten bijstaan door een Church


1 Ulrich Stutz, Der Geist des Codex iuris canonici, Stuttgart 1918; Nachdruck Amster­dam 1961, S. 83. De leken komen voor ‘mehr nur als Schutzgenossen und allein die Kleriker als Vollgenossen. Die Laien bilden lediglich das zu leitende und zu lehrende Volk, das gegen glaubige Annahme der von der Kirche gelehrten Heilswahrheit und durch gehorsame Unterwerfung unter sie ihrer Heilswohltaten und des nach ihrer Lehre einzig durch sie vermittelten Heiles teilhaftig werden soll. Das recht der katholischen Kirche ist fast ausnahmslos Geistlichkeitsrecht.’

|154|

Assembly, samengesteld uit drie Kamers, waarin ook opgenomen zijn vertegenwoordigers uit de groep van gewone kerkleden. Zodoende vertoont deze kerk een geheel eigen type, min of meer van gemeng­de aard tussen Rooms en Protestants in.
Met de categorie van kerken welke gebroken hebben met het ca­nonieke recht, krijgen wij te maken vooral sedert de tijd van de re­formatie. Het is niet gemakkelijk deze kerken wat structuur betreft onder een noemer samen te brengen. Het maakt verschil, uit welke tak van reformatorische stroming ze voortgesproten zijn. Voorts is van niet geringe invloed, of ze al dan niet gevestigd waren in een land waar de Roomse religie overheersend was.
In het algemeen kan men zeggen dat de hier bedoelde kerken haar basis hebben in een bepaald rijksgebied, in een of ander vorstendom of binnen een zelfstandige stadsstaat. Temidden van het desbetreffen­de gebied nemen zij een zelfstandige plaats in, onafhankelijk van ker­ken in andere van dergelijke gebieden. De mogelijkheid bestaat om met kerken in die andere gebieden min of meer nauwe betrekkingen aan te knopen. Een rechtstreekse verplichting dienomtrent acht men zich niet opgelegd. En voorzover van die vrijheid gebruik wordt ge­maakt, blijft deze in feite beperkt tot kerken uit een en dezelfde re­formatorische stroming, in casu die van Luthersen dan wel van Gereformeerden. Dergelijke betrekkingen zien wij aangeknoopt tus­sen kerken in diverse gebieden binnen het Duitse rijk, verder in Zwit­serland tussen onderscheidene ressorten alsook van Geneve met de kerk in Frankrijk. Voorts valt te constateren dat ten opzichte van de meeste der onderhavige kerken vanwege de burgerlijke overheid een bepaalde bevoegdheid wordt uitgeoefend. Over de precieze gren­zen van die bevoegdheid is meermalen strijd gevoerd, zoals te Genève met Calvijn het geval is geweest. In Zwitserland was Bern een voorbeeld van verregaande machtsoefening in kerkelijke aangelegen­heden, gelijk Viret in Lausanne, dat aan Bern staatkundig onderhorig was, ervaren heeft. Meermalen moet men ook spreken van een staats­kerk, zoals in gebieden binnen het Duitse rijk.
Verder is voor wat de structuur van deze kerken aangaat typerend dat elke gedachte als zou in haar midden door enige instantie een plaatsbekledende positie vanwege Christus worden ingenomen, afge­wezen dient te worden. Hij geldt in volle zin en zonder enige reserve als het Hoofd der kerk, welke Zijn lichaam is: Hij leidt en regeert haar rechtstreeks. Voorzover in haar midden personen geroepen wor­den tot het vervullen van enige taak en waardigheid, mogen zij geen andere pretentie voeren dan van Zijn dienaren te zijn, verwaardigd

|155|

om tot uitvoering te brengen hetgeen door Hem als bevelen en richt­lijnen is kenbaar gemaakt. Hiervoor zijn zij heel algemeen en in gro­te trekken aangewezen op de Heilige Schrift. Bij het uitwerken van het ter zake dienende materiaal moeten wij constateren dat de diver­se reformatorische stromingen in opvatting enigermate zijn uiteengegaan.
Onder de Luthersen ontmoeten wij nog allerlei benamingen en in­stellingen welke herinneren aan die gebruikelijk in de Roomse kerk. Ook valt er nogal wat onderscheid te constateren in de opbouw van de inrichting der kerk, gelijk zij gevestigd werd onder de landsheren in de diverse gebieden van het Duitse rijk. Algemeen werd echter grote waarde toegekend aan het predikambt in de gemeenten welke deel uitmaakten van de afzonderlijke landskerken. Als een specifiek ken­merk voor elke ervan gold daarnaast de instelling en de bestuurswerkzaamheid van het Konsistorium. Aan dit instituut, waarin zitting had een aantal door de landsvorst aangewezen personen, waren toever­trouwd het oordeel en de uitspraak in ernstige tuchtzaken, huwelijksaangelegenheden en andere algemene bestuurstaken. Als leden werden naast theologen steeds ook enige juristen benoemd. Dit konsistori­um droeg naast andere staatsrechtelijke instellingen waarover de vorst had te beschikken, duidelijk een eigen karakter. In vervolg van tijd heeft men zich uitvoerig ingelaten met de vraag, op welke grond het recht van de vorst om die taak ten aanzien van de kerk uit te oefenen wel mag berusten. Verschillende theorieën zijn daarover ontwikkeld. Tenslotte zij nog opgemerkt dat de Lutherse kerk ook synoden kent, maar deze worden niet regelmatig en op vaste tijden gehouden; en zitting erin hebben uitsluitend personen uit de kring van predikan­ten en door de landsvorst met kerkelijke bevoegdheid aangestelden. Terecht kan zij daarom worden gekarakteriseerd als een Pfarrerverfassungskirche.
Voor wat de Gereformeerden betreft is, behalve door andere refor­matoren, met name door Calvijn een stempel gezet op de structuur van de kerkinrichting. Uitgangspunt was daarbij de centrale gedach­te van de Christokratie. Maar in nauwe samenhang hiermede moet tevens sterke aandacht worden geschonken aan de gedachte van de Pneumatokratie. Alle eeuwen door blijft Christus Zijn kerk, met wel­ke Hij als zijn lichaam in levensgemeenschap verbonden is, regeren en bestieren door de werking van zijn Geest. De uitwerking houdt in dat niet slechts alle leden der kerk komen te delen in het algemene priesterschap der gelovigen, doch ook sommigen onder hen toege­rust worden met bijzondere geestelijke gaven tot heil en opbouwing

|156|

van hun medeleden, zodat zij naast en samen met de predikanten be­paalde ambten kunnen vervullen in het midden der gemeente. Zij zijn dan te beschouwen niet bij wijze van vertegenwoordigers van het volk om op te komen voor de rechten van dat volk. De gemeente mag in het bedoelde kader volstrekt met worden gezien als een demokra-tisch opgebouwde samenleving. Die personen, ouderlingen en diake­nen, worden evenwel aangewezen om uit naam en in opdracht van Christus bepaalde taken uit te voeren. Hun aanwijzing gebeurt veel­al na vooraf verkregen bewilliging van de gemeente.
De gezamenlijke ambtsdragers vormen de kerkeraad en deze kerkeraad is de instantie aan welke de regering van elke afzonderlijke gemeente is toevertrouwd. Het kan gebeuren dat een dergelijke kerkeraad tegelijkertijd de regering vormt van de gehele betreffende Kerk. Dit geval deed zich voor juist met Geneve. Maar in het belendende gebied noordwaarts waaronder Lausanne viel — de stad waarin de lei­ding der reformatie berustte bij Pierre Viret, Calvijns medewerker, die volkomen in diens geest zijn taak waarnam — ontwikkelde zich een Kerk bestaande uit een vrij groot aantal plaatselijke gemeenten. Deze gemeenten vormden weer enige op zichzelf staande ressorten die gemeenschappelijke aangelegenheden gingen behandelen in ver­gaderingen onder de betiteling van classis. Afgevaardigden van die respectieve classes kwamen af en toe dan weer samen in synodale ver­gaderingen. Aan die ontwikkeling werden wel beletselen in de weg geworpen door Bern, welke stad in het onderhavige gebied grote po­litieke zeggenschap bezat. Niettemin is dit structuurmodel het dat in het vervolg algemeen navolging gevonden heeft. Heel spoedig gebeurde het in Frankrijk; van een synode met afgevaardigden uit alle delen van dat koninkrijk, gehouden te Lyon, mocht Viret het voorzitter­schap waarnemen. Eveneens in Nederland vond hetzelfde model in­gang. Er kan aan toegevoegd worden dat gestreefd werd naar het onderhouden van enig contact tussen synoden van Kerken welke zich elders in diverse gebieden gevestigd hadden. Een illuster voorbeeld ervan is de synode van Dordrecht in 1618/19. Dat contact bleef ech­ter tot een bescheiden mate beperkt, anders dan in de nieuwere tijd met haar streven naar oecumeniciteit.
In het kader van deze structuur neemt de plaatselijke kerk onmis­kenbaar een belangrijke plaats in. In haar worden alle wezenlijke trek­ken van het kerk-zijn geacht aanwezig te zijn. Uit haar als basis is, om zo te zeggen, al het andere dat karakteristiek is, opgebouwd. De­ze overweging heeft naderhand aanleiding gegeven tot enig verschil van gevoelen omtrent de verhouding welke er bestaat tussen de

|157|

plaatselijke kerk en de algemene kerk, gelijk deze vertegenwoordigd is in de meerdere vergaderingen (classes en synoden). Het precieze verloop van die controvers kan hier buiten beschouwing worden gelaten. Het is evenwel niet zonder belang er de aandacht op te vestigen dat met die kwestie verband houdt het merkwaardige feit dat in Nederland een kerk zich bedient van een meervoudige benaming: de Gerefor­meerde Kerken, dit om sterke nadruk te leggen op de bijzondere be­tekenis welke moet worden toegekend aan de plaatselijke kerk. Hier is het standpunt tot uitdrukking in gebracht, gelijk het door A. Kuyper werd voorgedragen.
Ten slotte is er nog een aantal kerkgroeperingen dat moeilijk of in het geheel niet onder de genoemde typen valt te rangschikken. Ten opzichte ervan kan het begrip structuur nauwelijks worden gebruikt. Die kerkgroeperingen bestaan namelijk uit op zichzelf staande gemeen­ten welke soms in een los verband met elkaar verkeren zonder een vaste vorm van organisatie aan te gaan. Voor de goede gang van za­ken kan enige leiding natuurlijk niet ontbreken. Van ambtsdragers in de zin als wij bij de bovenbedoelde Kerken hebben aangetroffen, is echter geen sprake. Een bepaald beginsel van een dergelijke geaard­heid van het kerkwezen is gemaakt door de Congregationalisten in Engeland.
Al naar gelang van de structuur van een kerk zal er behoefte en noodzaak bestaan aan het ontwerpen van vaste regelingen voor het doen en laten binnen de kring van de desbetreffende kerk, met ande­re woorden aan het voor haar van kracht zijnde recht.

 

LITERATUUR

A. Voigt, Kirchenrecbt, Neuwied am Rhein/Berlin-Spandau 1961.
A. Erler, Kirchenrecht: ein Studienbuch, München 19754.
A.J. Bronkhorst, Schrift en kerkorde, Den Haag 1947.
J. Rohde, Urchristliche und frühchristliche Ämter: eine Untersuchung zur frühchristlichen Amtsentwicklung im Neuen Testament und bei den apostolischen Vätern, Berlin 1976.
H. van Groessen en Cl. van Vlissingen, Het kerkelijk recht, Roer­mond/Maaseik 19582.
Concilium I, nr 8: Canonisches Recht, 1965.
N. Afanassieff, N. Koulonzine, J. Meyendorff, A. Schonemann, La Primayté de Pierre dans l’Eglise Orthodoxe, Neuchâtel 1960. A. Schonemann, Eglise et organisation ecclésiale, Paris 1949.

|158|

H. Liermann, Deutsches evangelisches Kirchenrecht, Stuttgart 1933.
O. Friedrich, Einführung in das Kirchenrecht, Göttingen 19782.
W. Maurer, Die Kirche und ihr Recht: gesammelte Aufsätze zum evangelischen Kirchenrecht, Tübingen 1976.
J. Bohatec, Calvins Lehre von Staat und Kirche mit besonderer Berücksichtigung des Organismusgedanken, Breslau 1937.
W. Hildebrandt, Das Gemeindeprinzip der christlichen Kirche: die Lehre von der Gemeinde als der Verfassungsform der Kirche, Zürich 1951.
G.P.L. van der Linde, Die grondbeginsels van die presbiteriale kerkregeringstelsel, Potchefstroom 1965.
H. Frost, Strukturprobleme evangelischer Kirchenverfassung: rechtsvergleichende Untersuchungen zum Verfassungsrecht der deutschen evangelischen Landeskirchen, Göttingen 1972.
J.V. Bredt, Die Verfassung der reformierten Kirche in Cleve-Jülich-Berg-Mark, Neukirchen 1938.
A. Kuyper, Tractaat van de reformatie der kerken, Amsterdam 1883.
R.C. Mortimer, Western Canon Law, London 1963.
J.W.C. Wand, What the Church of England stands for: a guide to the authority in the twentieth century, London 1959.
Canon Law revision 1959, London 1960.
E.G. Moore, An introduction to English canon law, Oxford 1967.
Staatsverfassung und Kirchenordnung, Festgabe für Rudolf Smend, Tübingen 1962.
Jean Jacques von Allman, Le saint ministère selon la conviction et la volonté des Reformés du XVIe siècle, Neuchâtel 1968.
Hans Dombois, Hiërarchie, Grund und Grenze einer umstrittenes Struktur, Freiburg/Basel/Wien 1971.
Josef Hainz, Kirche im Werden, Studiën zum Thema: Amt und Ge­meinde im Neuen Testament, München/Paderborn/Wien 1976.
Walter Kreck, Grundfragen der Ekklesiologie, München 1981.