159-163

|159|

14. Het kerkrecht van de Nederlandse reformatorische kerken

 

A. Oriënterende informatie over de reformatorische kerkgemeenschappen in Nederland

Dr. M. te Velde

 

Ter inleiding op de volgende paragrafen geven we hier eerst enige oriënterende informatie over de kerkgemeenschappen, waarvan in dit boek het kerkrecht behandeld wordt, nl.
— de Nederlandse Hervormde Kerk
— de Gereformeerde Kerken in Nederland
— de Christelijke Gereformeerde Kerken
— de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika
— de Gereformeerde Kerken in Nederland (‘vrijgemaakt’)
— de Nederlands Gereformeerde Kerken

1. De Nederlandse Hervormde Kerk

De NHK. is de grootste protestantse kerkgemeenschap in Nederland en ziet zichzelf als de oorspronkelijke ‘vaderlandse kerk’ der Refor­matie. Ze sluit zich aan bij ‘het belijden der vaderen’ zoals dat is ver­woord in de calvinistisch-gereformeerde confessies, ook wel ‘drie formulieren van eenheid’ genoemd: de Nederlandse Geloofsbelijde­nis (1561), de Heidelbergse Catechismus (1563) en de Dordtse Leer­regels (1619).
Er zijn in de NHK. verschillende theologische richtingen of ‘mo­daliteiten’. De bestaande verschillen bepalen ook de ‘ligging’ van de plaatselijke gemeenten en de opvattingen van haar predikanten. Vaak zijn er in een plaats wijkgemeenten van diverse signatuur. De richting die zich het sterkst profileert, is de ‘Gereformeerde Bond’, die in de kerk de klassiek-gereformeerde beginselen propageert.
De NHK. heeft ongeveer 2.530.000 leden (waarvan ± 690.000 niet gedoopte ‘geboorteleden’). Haar synode is een permanent lichaam en bestaat uit 56 periodiek door de classicale vergaderingen gekozen afgevaardigden. Ze vergadert doorgaans in Doorn. De meeste centra­le organen van de NHK. zijn gevestigd in Driebergen en Leidschendam. De opleiding van predikanten vindt plaats aan de rijksuniversi­teiten, waarbij een deel van de vakken aan ‘kerkelijke hoogleraren’ is toevertrouwd. De politieke partijkeus van hervormden loopt sterk uiteen. Onder hen zijn het C.D.A. (voorheen A.R.P. en C.H.U.), de

|160|

P.v.d.A. en (in de orthodoxe vleugel) de S.G.P. het sterkst vertegenwoordigd.
Uit de Hervormde Kerk hebben zich in de negentiende eeuw grote aantallen leden losgemaakt, namelijk bij de Afscheiding in 1834 o.l.v. ds. Hendrik de Cock en bij de Doleantie in 1886 o.l.v. dr. Abraham Kuyper. Men wilde niet langer in de NHK. blijven vanwege een structurele leervrijheid en het ontbreken van kerkelijke tucht.

2. De Gereformeerde Kerken in Nederland

De GKN. zijn in 1892 ontstaan uit een ‘Vereniging’ van de twee groeperingen die hadden gebroken met de Hervormde Kerk, de ‘af­gescheidenen’ en de ‘dolerenden’. Zij wilden terugkeer naar een strikte handhaving van de gereformeerde leer en kerkregering, zoals die waren geformuleerd in de ‘drie formulieren van enigheid’ en in de ‘Dordtse Kerkenordening’ (1619).
De GKN. ontwikkelden zich sinds 1892 tot een kerkgemeenschap met een uniform en confessioneel-gebonden karakter en veel goed georganiseerde aktiviteiten. Na 1950 voltrokken zich echter veranderingen, die de GKN. tenslotte weer dicht bij het plurale model van de Hervormde Kerk deden uitkomen. NHK. en GKN. werken thans dan ook aan eenwording onder de naam ‘Samen op weg’.
De predikanten van de GKN ontvangen als regel hun opleiding aan de eigen Theologische Universiteit in Kampen (Koornmarkt) of aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit in Amster­dam. De GKN. tellen ongeveer 780.000 leden. Hun dienstencentrum is gevestigd in Leusden. De generale synode wordt eens per twee jaar nieuw samengesteld en komt vervolgens regelmatig bijeen in Lunteren in een aantal zittingen verspreid over een periode van anderhalf jaar.
In de politiek vindt men de meeste gereformeerden in het C.D.A. (voorheen in de A.R.P.). In vroeger tijden was de Vrije Universiteit in Amsterdam hun eigen wetenschappelijk bolwerk. Trouw is in de­ze kringen het meest gelezen dagblad.

3. De Christelijke Gereformeerde Kerken

Toen ‘afgescheidenen’ (officieel ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’) en ‘dolerenden’ (officieel ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’) zich in 1892 verenigden tot de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’, was er een kleine groep christelijk-gereformeerden, die weiger­de met de Vereniging mee te gaan. Zij hadden o.a. bezwaar tegen het kerkbegrip van de ‘dolerenden’ en tegen opvattingen van met name

|161|

A. Kuyper over verbond en doop.
Onder leiding van de predikanten F.P.L.C. van Lingen en J. Wisse besloten zij apart te blijven staan onder de oude naam ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. In de loop van de twintigste eeuw groeiden zij door toevloed uit vooral GKN. en GGNNA. tot een kerken­groep met thans ongeveer 76.000 leden. Hun generale synode verga­dert een keer per drie jaar.
In confessioneel en kerkrechtelijk opzicht zijn de CGK., hoewel niet geheel homogeen, sterk georiënteerd op de Reformatie van de 16e eeuw en de Afscheiding van 1834. Daarnaast is er bij hen onder invloed van het gereformeerde Piëtisme van de 17e en 18e eeuw een accentueren van de ‘bevindelijkheid’. Deze ‘bevindelijkheid’ is er sterker dan in de GKNV. en de NGK. en minder sterk dan in de GGNNA.
De christelijk-gereformeerden hebben een eigen Theologische Universiteit in Apeldoorn. Politiek participeren ze veelal in het C.D.A. en verder ook in R.P.F, en S.G.P. Onder hen worden vooral dagbladen als Trouw en het Reformatorisch Dagblad gelezen.

4. De Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika

Het verband van de GGNNA. is in 1907 onder leiding van vooral ds. G.H. Kersten gevormd door zesendertig verspreide gemeenten van oud-gereformeerde signatuur (‘Kruisgezinden’ en ‘Ledeboerianen’). Deze bestonden uit mensen die sinds de Afscheiding van 1834 buiten de Hervormde Kerk waren geraakt, maar zich niet thuis voel­den in de hoofdgroep van de afgescheiden gemeenten.
De GGNNA. groeiden uit tot een kerkgemeenschap met thans ± 91.000 leden. Onder invloed van het gereformeerde Piëtisme legt men er in prediking en zielszorg veel nadruk op, dat de mens alleen door een zeer bijzondere genade van God en langs een zeer bijzonde­re weg van wedergeboorte en bekering het heil kan beerven. Dat leidt bij veel mensen tot een levenslange twijfel over eigen zaligheid en tot ‘avondmaalsmijding’.
De GGNNA. vormen een nogal gesloten en conservatieve ge­meenschap, voor buitenstaanders vaak herkenbaar aan uiterlijke kenmerken als ‘tale Kanaäns’, stemmige kleding (vandaar de spotnaam ‘zwartekousenkerk’), een strenge zondagsviering, bezwaren te­gen assurantie en vaccinatie (bv. tegen polio), het mijden van televi­sie en dergelijke.
Hun predikanten worden opgeleid aan een eigen Theologische School te Rotterdam. Als gevolg van een strenge selectie in de vorm

|162|

van een ernstig onderzoek aangaande de roeping tot het ambt heeft men er slechts enkele studenten en bestaat er in de GGNNA. een groot predikantentekort. Een keer per 3 jaar vergadert de generale synode.
Politiek zijn de mensen uit de GGNNA. vooral georganiseerd in de S.G.P. Hun lijfblad is als regel het Reformatorisch Dagblad. Samen met andere oud-gereformeerden uit diverse kerken onderhoudt men ‘reformatorische’ scholen.

5. De Gereformeerde Kerken in Nederland (‘vrijgemaakt’)

In 1944 ontstond er in de GKN. een breuk waarbij ongeveer 14% van de leden het ‘synodale’ kerkverband verliet. Oorzaak daarvan was een synode-uitspraak over ‘veronderstelde wedergeboorte’, die in 1942 en volgende jaren bindend op straffe van tuchtoefening aan de kerken werd opgelegd. Vooral de Kamper professoren K. Schilder en S. Greijdanus bestreden die binding als een opdringen van kuyperiaanse theologoumena aan de gemeenten en als hierarchische machtsaanmatiging.
Gemeenten en kerkleden maakten zich, zoals ze dat noemden, van de synode-besluiten vrij met beroep op artikel 31 van de kerkorde. Ze vormden een nieuw kerkverband onder de naam Gereformeerde Kerken in Nederland, met als niet-officiële toevoeging eerst ‘onder­houdende art. 31 KO’, later ‘vrijgemaakt’.
De GKNV. tellen ongeveer 117.000 leden. Hun predikanten wor­den opgeleid aan een eigen Theologische Universiteit in Kampen (Broederweg). Deze kerken kennen een strikte binding in leer en le­ven aan de Heilige Schrift, de drie formulieren van eenheid en de ge­reformeerd-calvinistische wijze van kerkregering. Een keer per drie jaar komt er in de GKNV. een generale synode bijeen.
Politiek hebben de ‘vrijgemaakt-gereformeerden’ zich georgani­seerd in het G.P.V. Ze hebben een groot aantal eigen organisaties, waaronder veel gereformeerde scholen. In hun kring wordt vooral het Nederlands Dagblad gelezen.

6. De Nederlands Gereformeerde Kerken

De NGK. zijn in de jaren 1967-1970 ontstaan na interne conflicten in de GKNV., die tot een scheuring leidden. Er was ingrijpend ver­schil van mening over de visie op de kerk, over de volgens sommigen te strak gehanteerde binding van de drie formulieren van eenheid en over de verbindende kracht van synode-besluiten. Sinds 1967 waren er ± 90 gemeenten, die zich aanvankelijk ‘gereformeerd vrijgemaakt

|163|

(buiten verband)’ noemden. Zij hergroepeerden zich in een kerkver­band, dat in 1979 de naam Nederlands Gereformeerde Kerken aan­nam. De NGK. tellen ruim 29.000 leden.
De NGK. willen confessioneel-gereformeerde kerken zijn, met iets meer ruimte in de hantering van de confessie dan in de GKNV. en de CGK. en met een geringere binding aan kerkorde en kerkver­band. Ten gevolge daarvan is er onder hen minder uniformiteit in de praktijk van het kerkelijk leven. Hun ‘Akkoord van kerkelijk sa­menleven’, dat na langdurige besprekingen tenslotte in 1982 werd aanvaard, is beknopter en hecht minder waarde aan boven-plaatselij­ke organisatie en besluitvorming dan de kerkordes in andere kerken van gereformeerde origine.
Voor de opleiding van predikanten maakt men in de NGK. ge­bruik van diverse instellingen, o.a. van de christelijk-gereformeerde Theologische Universiteit in Apeldoorn. Politiek voelt men zich doorgaans het meest tot R.P.F, en C.D.A. aangetrokken.

 

LITERATUUR

E.G. Hoekstra en M.H. Ipenburg, Wegwijs in gelovig Nederland. Een alfabetische beschrijving van Nederlandse kerken en religieuze groepe­ringen, 2e druk, Kampen 1990.
O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis, 3e druk, Nijkerk 1985.