13-19

|13|

1. Wat is kerkrecht?

Drs. W. Bakker

 

1. Bij ‘kerkrecht’ denkt men meestal aan het geheel van de voor­schriften en bepalingen waarmee kerken haar organisatie en werk­zaamheden, alsook haar betrekkingen naar buiten, trachten te rege­len. Daarnaast is het woord de naam van de wetenschap die zich met de bestudering van het kerkrecht bezighoudt.
Toch kan deze laatste niet volstaan met slechts het geldende (posi­tieve) kerkrecht te behandelen. Als wetenschappelijke discipline zal zij kritisch, d.w.z. beoordelend, te werk moeten gaan. Dit betekent dat zij zich niet alleen afvraagt, hoe de kerk is ingericht, maar ook en vooral, hoe zij behoort te worden ingericht. Bovendien blijkt de wijze waarop kerken haar leven en werkzaamheden ordenen in de regel niet los te staan van de voorstellingen die zij koesteren over het wezen en de roeping van de kerk en over haar verhouding tot de we­reld en de samenleving. Bij verscheidene kerken van gereformeerde signatuur zijn de hoofdlijnen van de kerkinrichting zelfs aangegeven in de belijdenisgeschriften (zie bijv. de artt. 27-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). Maar ook waar dat niet het geval is, gaan er be­langrijke principiele beslissingen aan de kerkorde vooraf. Anders ge­zegd: het kerkrecht wortelt in de ecclesiologie, de leer aangaande de kerk.

2. Men kan over de kerk op meer dan een manier spreken. Naar haar concrete verschijningsvorm is zij een gemeenschap van mensen, een menselijk samenlevingsverband, dat bepaalde overeenkomsten ver­toont met andere menselijke samenlevingsverbanden, zoals de staat, het huwelijk etc. Naar haar wezen is zij echter een geestelijke ge­meenschap, het mystieke Lichaam van Christus. En als zodanig is zij voorwerp van geloof: ‘ik geloof de heilige katholieke (= algemene) Kerk’. Dat deze kerk van het Apostolicum niet samenvalt met of op­ gaat in een of meer van de bestaande kerkelijke instituten, behoeft nauwelijks toelichting. Toch zweeft zij ook niet als een platonische idee boven de werkelijkheid. Juist in de empirische kerken neemt zij gestalte aan. In dit verband heeft men dikwijls de onderscheiding gemaakt tussen zichtbare en onzichtbare kerk. Deze onderscheiding is bruikbaar, als men maar goed bedenkt dat het daarbij niet gaat om twee afzonderlijke kerken, maar om twee zijden van de ene kerk:

|14|

haar zichtbare ‘buitenkant’ en haar onzichtbare ‘binnenkant’. Het kerkrecht heeft slechts betrekking op de zichtbare kerk, en dan nog voorzover die als organisatie optreedt. De kerk naar haar onzichtba­re zijde is voor een concrete rechtsordening niet vatbaar. Dat wil niet zeggen dat het kerkrecht met het geestelijke 'wezen' van de kerk niet te maken zou hebben. Ook de kerk naar haar zichtbare gestalte wordt ten diepste bepaald door haar toebehoren aan Jezus Christus. Zij kan daarom ook niet zonder meer beoordeeld worden naar de regels en wetmatigheden die voor andere menselijke samenlevings­verbanden gelden. De kerk is ‘sui generis’, eigensoortig, en dienten­gevolge ‘sui iuris’, van eigen rechte.

3. De verhouding tussen kerk en recht zal in het derde hoofdstuk afzonderlijk behandeld worden. Ook de vraag waarin precies het ei­gensoortige karakter van het kerkrecht gezocht moet worden, zal dan aan de orde komen. Voorlopig gaan we ervan uit, dat kerkrecht inderdaad een vorm van recht is, zodat hetgeen van recht in het alge­meen geldt, ook op het kerkrecht van toepassing is. Hoewel een definitie van recht moeilijk te geven is, wordt het recht vrij algemeen beschouwd als een middel tot ordening van de samenleving. Het recht tracht de uitwendige betrekkingen tussen mensen op vreedzame en rechtvaardige wijze te regelen, teneinde daardoor zowel de stabiliteit van de samenleving als de rechtszeker­heid binnen de samenleving te waarborgen. Rechtsregels zijn a.h.w. de verkeersregels die de samenleving in staat moeten stellen naar be­horen te functioneren. Op dezelfde wijze bedoelt het kerkrecht de uitwendige verhoudingen binnen de kerken en die van de kerk tot andere kerken en tot de staat te regelen, teneinde het de kerk moge­lijk te maken haar roeping naar behoren te volbrengen. Dat is in overeenstemming met het bijbelse voorschrift: ‘Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden’ (1 Kor. 14: 40). Zonder goede afspraken en deugdelijke regelingen staat niet alleen de deur open voor machtsmisbruik en rechtskrenking (die in de kerk nog minder te verdragen zijn dan elders), maar komt op den duur ook het bestaan zelf van het kerkelijk instituut in gevaar. Ten diepste dient het kerk­recht echter een geestelijk doel: het wil de kerk die bewerktuiging geven waardoor zij waarlijk als Kerk-met-de-grote-K, als van Chris­tus afhankelijke geloofsgemeenschap, kan functioneren.
Dat het kerkrecht, evenals alle recht, een formeel karakter draagt, roept uiteraard spanningen op. Dat voorkomt men niet door het be­grip ‘kerkrecht’ te vervangen door minder ‘juridisch’ klinkende termen

|15|

als ‘orde’ of ‘ordening’ — die veronderstellen immers ook een meer of minder vaste structuur, die in wezen het karakter van een bindende rechtsorde draagt. De oplossing zal veeleer hierin gezocht moeten worden, dat men er naar streeft de kerkelijke bepalingen als zodanig en de wijze waarop zij gehanteerd worden in overeenstem­ming te doen zijn met het specifieke karakter van de kerk als christe­lijke geloofsgemeenschap.

4. Er zijn verschillende definities van het begrip kerkrecht gegeven. De zeventiende-eeuwse gereformeerde theoloog Gisbertus Voetius noemt in zijn Politica Ecclesiastica de kerkrechtswetenschap ‘de heili­ge wetenschap van de regering der zichtbare kerk’ (scientia sacra regendi ecclesiam visibilem). Volgens hem heeft het kerkrecht betrek­king op de kerkelijke ‘politeia’ of staatsregeling, die van de ‘politeia’ van de burgerstaat te onderscheiden is. In nauwe aansluiting bij Voe­tius maakt A.Kuyper een onderscheid tussen de ‘architectoniek van het kerkelijk instituut als zodanig' en 'de door dit instituut gesancti­oneerde rechtsverhoudingen’. In de eerste gaat het om het constitu­tieve element, de ‘Kirchenverfassung’, de structuur van het kerkelijk instituut. Bij de tweede denkt Kuyper aan de regulatieve bepalingen die door de kerk zelf worden uitgevaardigd. Zie hiervoor zijn Encyclopaedie der heilige Godgeleerdheid, 2e dr., dl. III (Kampen 1909), 232v., 238v. Eveneens in Voetius’ geest spreekt H. Bouwman (Gere­formeerd Kerkrecht, dl. I,10) van ‘het recht, dat in de zichtbaar geinsti­tueerde kerk geldt en gelden moet’. Th.L. Haitjema vreest dat met Kuypers definitie heimelijk een overspannen onderscheiding tussen de kerk als instituut en als organisme binnengehaald zou worden en omschreef het object van het kerkrecht summier als ‘de orde in het leven en werken der kerk’ (Nederlands Hervomd kerkrecht, 7). Nauwkeuriger is de definitie van D. Nauta (Christelijke encyclopedie, 2e dr., dl.IV, 232): ‘Kerkrecht is... het inbegrip van de normen, die de rechtsverhoudingen in de kerken en de rechtsverhouding van de staat tot de kerken bedoelen te regelen’. Maar in deze definitie wordt het zgn. Staatskerkrecht (‘Staatskirchenrecht’), d.w.z. het door de staat voor de kerken uitgevaardigde recht, met het eigenlijke kerk­recht onder een noemer gebracht, terwijl aan de andere kant de re­gelingen die de kerken zelf treffen voor haar betrekkingen naar bui­ten, niet in de begripsbepaling zijn opgenomen. Ook blijft hier de structuur van de kerkelijke organisatie — Kuypers ‘architectoniek’ — buiten beschouwing.
Zelf zouden wij het kerkrecht willen omschrijven als ‘het geheel

|16|

van de normen die de structuur van de kerkelijke organisatie en de rechtsverhoudingen binnen de kerken, alsmede de betrekkingen van de kerken naar buiten, zowel tot elkaar als tot de staat, bedoelen te regelen’. Het staatskerkrecht, hoe belangrijk ook voor de positie van de kerken in het openbare leven, rekenen wij niet tot het kerkrecht; het vormt een onderdeel van het staatsrecht.

5. Over de plaats van de wetenschap van het kerkrecht binnen het geheel van de theologie lopen de meningen uiteen. In Duitsland en elders wordt het kerkrecht veelal door juristen beoefend, als een deel van de rechtswetenschap. Dit hangt samen met de historische ont­wikkelingen binnen het Lutheranisme waardoor de overheid grote invloed kreeg op het kerkelijk leven. In wezen is kerkrecht echter een theologische discipline, zij het met juridische ‘affiniteit’. De vraag wat de kerk is en hoe het in de kerk behoort toe te gaan, kan alleen vanuit de theologie beantwoord worden. Het kerkrecht heeft ‘dogmatische Grundlegung’ nodig (Barth), het steunt op de ecclesiologie.
Maar tot welk deel van de theologie behoort de kerkrechtswetenschap dan? Meestal rekent men het tot de praktische vakken. Aan de openbare theologische opleidingen in ons land is het, binnen het kader van de zgn. duplex ordo, toevertrouwd aan de kerkelijke hoogleraren. Aan de Vrije Universiteit en andere gereformeerde opleidingen sluit men zich in dezen aan bij A. Kuyper, die in zijn Encyclopaedie vier groepen van vakken in de theologie onderscheidde: een bibliologische, een ecclesiologische, een dogmatologische en een diaconologische groep, en het kerkrecht, samen met de kerkgeschie­denis, onderbrengt bij de ecclesiologische groep. Kerkrecht en kerk­ geschiedenis hebben volgens Kuyper beide de ecclesia tot object. Het kerkrecht bestudeert ‘de bestaanswijze van de kerk als instituut’, de kerkgeschiedenis de historie van dit instituut (vgl. de verhouding van bedding en stroom).
Een bevredigende encyclopedische indeling is niet gemakkelijk te geven. Men bedenke dat in de wetenschap, ook in de theologie, alles met alles samenhangt. Het kerkrecht is een vak met verschillende aanvoerlijnen. Het bestrijkt een terrein waar gegevens uit verschei­dene andere disciplines, zoals exegese, dogmatiek, kerk- en dogmage­schiedenis, praktische theologie, sociologie en rechtswetenschap, verwerkt en geintegreerd worden.

6. De kerkrechtswetenschap zelf kent verschillende onderdelen, die

|17|

elk bepaald worden door de invalshoek van waaruit men de stof be­nadert, de vragen die men stelt en het doel dat men voor ogen heeft.
Zo houdt de kerkelijke rechtsgeschiedenis zich bezig met het ont­staan en de historische ontwikkeling van de kerkelijke rechtsinstel­lingen, zoals bijv. het bisschopsambt, de concilies, het pausdom of de presbyteriale kerkvorm. Dit onderdeel van het kerkrecht leunt vanzelfsprekend sterk aan tegen de kerkgeschiedenis en kan in zeke­re zin zelfs een hulpwetenschap van de kerkgeschiedenis genoemd worden. Maar het staat ook niet los van de algemene rechtsgeschie­denis.
Een andere invalshoek is de systematische: hoe behoort de kerk te worden ingericht, naar de gegevens van het Nieuwe Testament en de daarop zich baserende ecclesiologie? Dat bij de beantwoording van deze vraag dankbaar gebruik gemaakt wordt van de resultaten van de dogmatische en praktisch-theologische bezinning, ligt voor de hand. Hierbij komen ook de fundamentele vragen naar de aard van het kerkrecht en de verhouding tussen kerk en recht aan de orde.
Tenslotte richt de kerkrechtswetenschap zich uiteraard ook op het binnen de onderscheiden kerkgemeenschappen geldende recht, zoals dat bijv. in de Codex Iuris Canonici van de Rooms-Katholieke Kerk of in de kerkorden van de protestantse kerken is vastgelegd. Hierbij valt het kerkrecht naar de verschillende denominaties uiteen: bijv. het Rooms-Katholieke, het Nederlands Hervormde of het Gerefor­meerde kerkrecht. Een afzonderlijk vak binnen dit meer praktische onderdeel is de zgn. gybernetiek, de 'kunst' van de praktische kerk-regering of de toepassing van de geldende regels in de praktijk van het kerkelijk leven.

7. Bij de voortschrijdende toenadering tussen de kerken, die met name de tweede helft van de twintigste eeuw te zien heeft gegeven, komen wij steeds nadrukkelijker voor de vraag te staan naar de mo­gelijkheid van een oecumenisch kerkrecht. Daarbij gaat het niet zo­zeer om de wijze waarop de — bilaterale of multilaterale — betrek­kingen tussen de kerken geregeld worden, als wel om de vraag of er gemeenschappelijke grondstructuren aan te wijzen zijn die zouden kunnen dienen als basis en uitgangspunt voor het tot stand komen van een oecumenische kerkgemeenschap, waarin de huidige confes­sioneel-bepaalde tegenstellingen overwonnen zijn.
Vooral door het nieuwere onderzoek naar de ontstaansgeschiede­nis van de christelijke kerk in de tijd van het Nieuwe Testament en

|18|

de bestudering van de oude kerkgeschiedenis zijn waardevolle bouwstenen voor dit oecumenische kerkrecht aangedragen. Terwijl verder de voortgang van de oecumenische beweging de bezinning op de gemeenschappelijke traditie, die in de onderscheiden kerken op eigen wijze gestalte heeft gekregen, sterk gestimuleerd heeft. Als vrucht van die bezinning verscheen in 1982 het rapport ‘Doop, Eu­charistie en Ambt’, met als ondertitel ‘Verklaringen van de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken. Lima, Peru, januari 1982’.
Het derde hoofdstuk van dit zgn. Lima- of B.E.M.-rapport (naar de Engelse titel: Baptism, Eucharist, Ministry) handelt over de vragen met betrekking tot het kerkelijk ambt. Hierin worden allereerst de bijbelse en theologische zowel als de vroegste historische gegevens besproken. Vervolgens wordt aandacht geschonken aan de wijze waarop het ambt in onze tijd uitgeoefend dient te worden. Tenslotte komt de weg waarlangs wij tot een wederzijdse erkenning van de kerkelijke ambten kunnen geraken aan de orde. Vanuit de kring van het gereformeerd protestantisme is er terecht op gewezen, dat de ge­reformeerde traditie in deze beschouwingen niet of nauwelijks ver­woord wordt. Dit neemt niet weg dat het rapport een belangrijke aanzet heeft gegeven voor de verdere dialoog over de vragen naar het ontstaan, de betekenis en de uitoefening van het ambt en naar de ver­houding tussen het ambt en de gemeente, vragen die voor het kerk­recht van fundamentele betekenis zijn. Van het antwoorp daarop hangt het af of men er in zal slagen de grondlijnen van een oecume­nisch kerkrecht te ontwerpen.

 

LITERATUUR

A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, III. Kampen, 2e dr. 1909, p. 231-248.
H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, I. Kampen 1928, p. 1-15.
A.J. Bronkhorst, D. Nauta, sub voce ‘Kerkrecht’ in: Christelijke Ency­clopedie, IV. Kampen 2e dr. 1959, p. 232v.
K. Barth, Die Ordnung der Gemeinde. Zur dogmatischen Grundlegung des Kirchenrechts. München 1955 (= Kirchliche Dogmatik, IV/2: Die Lehre von der Versöhnung. Zollikon-Zürich 1955, p. 765-824).
M. Geiger, Wesen und Aufgabe kirchlicher Ordnung (Theologische Studien, hrsg. v. K. Barth, 42). Zollikon-Zürich 1954.

|19|

H. Dombois, ‘Grundlagen und Grundzüge der Kirchenrechtslehre’ in: G. Picht, E. Rudolph (Hrsg.), Theologie — was ist das? Stuttgart/Berlin 1977, p. 261-275.
H. Dombois, ‘Sätze des allgemeinen Kirchenrechts’ in: H. Dombois, Kodex und Konkordie. Fragen und Aufgaben ökumenischer Theolo­gie, Stuttgart-Frankfurt/Main 1972, p. 108-118.
H. Beintker, ‘Zur ökumenischen Dimension einer der Kirche eige­nen Ordnung’ in: Zeitschrift für evangelisches Kirchenrecht, 23 (1978), p. 262-267.
H. Dombois, ‘Ökumenisches Kirchenrecht heute’, in: Zeitschrift für evangelisches Kirchenrecht, 24 (1979), p. 225-249.