174-179

C. De Gereformeerde Kerkorde

Dr. H.B. Weijland

 

De kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland werd, na een tweetal losbladige uitgaven (de ‘groene’ van 1972 en de ‘blauwe’ van 1977), in april 1987 weer als een boekwerk uitgegeven en zal voor­taan om de vier jaar in een telkens bijgewerkte editie verschijnen.
Het boekwerk bestaat uit twee hoofddelen, namelijk de tekst van de 139 artikelen van de kerkorde en (een selectie) van de zgn. uitvoe­ringsbepalingen.

1. De kerkorde

De kerkorde wordt — na het inleidend artikel — opgebouwd uit een

|175|

zestal hoofdstukken, die achtereenvolgens handelen over de ambten, de vergaderingen en het werk van de kerk; voorts over het vermaan en de tucht, over de betrekkingen van de kerk naar buiten en enkele slotbepalingen.
Reeds uit deze inhoudsopgave blijkt de praktische opzet van de ge­reformeerde kerkorde. Anders dan de hervormde kerkorde is het niet zozeer een constitutie of grondwet (zie het voorgaande hoofdstuk), als wel veeleer een werkorde, waarin lijnen worden aangegeven voor de uitvoering van die wijze van kerk-zijn, zoals in de Schrift wordt bevolen (bijv. art. 107 KO) en zoals wij in de Confessie belijden. M.a.w.: niet de kerkorde maar Schrift en Belijdenis zijn in eigenlijke zin het accoord van gemeenschap. Het gaat dus om een regulering van ‘zo weinig mogelijk’, ook al moeten bepaalde afspraken soms tot in het detail geregeld worden (bijv. ten behoeve van de rechtszeker­heid van ambtsdragers en functionarissen). Dit is ook de reden dat in de gereformeerde kerkorde uiterst summier over de gemeente ge­handeld wordt. Er is grote vrijheid van inrichting en organisatie en stimulering van plaatselijke initiatieven, zoals uit het recent toegevoeg­de artikel 67 KO blijkt.
In deze opzet van een praktische en concrete regeling blijft de gere­formeerde kerkorde geheel in de lijn van de ‘Dordtse kerkenordening’ van 1618/19, waar deze kerken tot 1957 dan ook mee geleefd hebben. Eigenlijk is de huidige kerkorde dan ook niet meer dan een — zij het grondige! — herziening van die D.K.O.
Uit deze nauwe verwantschap volgen enkele kenmerkende punten, die de structuur van de gereformeerde kerkorde bepalen:
— Het gaat om een kerk-zijn, waarvan de Confessie belijdt, dat Je­zus Christus er de ‘enige algemene Bisschop’ van is (art. 31 NBG) en dat Hij regeert door middel van een ‘Raad der kerk’ bestaande uit Dienaren, Opzichters en Diakenen (art. 30 NGB).
— Deze ambtsdragers mogen zich niet ‘indringen’, maar behoren verkoren te worden ‘door wettige verkiezing der Kerk’ en moeten zich hoeden voor heerschappij van de ene ambtsdrager boven de andere (art. 31 NGB).
— Als uitvoering van een in de Confessie beleden Kerk-zijn zal de kerkorde zeer terughoudend zijn met ‘eigen’ belijdende notities. Uit­eraard zijn er elementen van en verbanden met dat belijden aanwe­zig, maar dat is toch niet de bedoeling van een orde voor het welwezen en niet voor het wezen van de Kerk.
— Door het ontbreken van het ‘constitutionele’ draagt de gerefor­meerde kerkorde ook een zekere anonimiteit. Alleen uit de kaft en

|176|

een noot onder art. 1 blijkt, dat het gaat om een kerkorde voor de Gereformeerde Kerken in Nederland.
— Als werkorde voor goede koinonia van het eigen kerkverband staat het leven van dit kerkverband wel erg centraal. Heenwijzingen naar het bestaan van andere kerken vallen onder het hoofdstuk Betrek­kingen van de Kerk ‘naar buiten’... De relatie met de overheid en het verenigingsleven is nogal afstandelijk (vgl. de nadruk op de vrije jeugd-organisaties in art. 134 KO en het beknopt-koele art. 130 KO: ‘In voorkomende gevallen zullen de kerken tot overheid en volk haar getuigenis doen uitgaan’).

2. De uitvoeringsbepalingen

De uitvoeringsbepalingen, die in het tweede deel van de uitgave zijn opgenomen, vormen — het zij met nadruk gesteld — een selectie van datgene wat opeenvolgende synoden als nadere regeling of verduide­lijking bij de kerkorde-artikelen hebben bepaald. Dikwijls heerst het misverstand, dat alleen die uitvoeringsbepalingen geldig zijn die in de losbladige of gebundelde uitgave werden opgenomen. Dat is ech­ter niet het geval. Het gaat om een verantwoorde maar niet geheel complete uitgave van relevante synode-uitspraken. Zo werden in de nieuwe editie van ’87 bij art. 86 KO over het huwelijk niet meer de uitspraken over de gezinsvorming (’63) of de echtscheidingsgronden (’69 en ’71) opgenomen. Daarmee zijn die uitspraken echter niet ver­vallen. Zolang een synodebesluit niet is teruggenomen of vervangen, dan wel achterhaald omdat de zaak waarover het handelt tot het ver­leden behoort, is zo’n besluit geldig.
Anders dan de hervormde ordinantien (zie voorgaand hoofdstuk) dragen de gereformeerde uitvoeringsbepalingen niet het karakter van kerkorde-artikelen in ruimere zin of iets dergelijks. Het gaat om aan­wijzingen of nadere regelingen, die wel tot ‘het recht van de kerk’ behoren — krachtens het gezag van synodebesluiten — maar die ook weer door elke volgende synode gewijzigd kunnen worden (vgl. de ‘geschiedenis’ van de uitvoeringsbepalingen bij art. 130 KO).
In het algemeen gesproken werden in de nieuwe uitgave van ’87 die uitvoeringsbepalingen niet opgenomen, die in aparte uitgaven ver­krijgbaar zijn gesteld. Wij noemen hiervan: de handleiding voor de visitatoren; het huishoudelijk reglement van de generale synode; de algemene instructie voor de deputaatschappen; de emeritaatsregeling; de regeling arbeidsvoorwaarden voor medewerkers in kerkelijke dienst.
Belangrijke bepalingen die wel werden opgenomen zijn: de regelingen

|177|

voor de kerkelijke examina (naar art. 5 en art. 6); de uitkeringsre­geling voor predikanten (bij art. 11); de overeenkomst met de V.U. (bij art. 21); de ondertekeningsformulieren (bij art. 26); bepalingen bij appèl en revisie (bij art. 31 en 32); preekconsent (bij art. 69); at­testaties (bij art. 83); procedures voor bezwaarschriften (bij art. 108); richtlijnen voor het oecumenisch ‘verkeer’ (bij art. 127-129).

3. Besluiten, concepten en modellen

Nog in de losbladige uitgave van de kerkorde van 1977 werd een aan­tal leeruitspraken en ethische richtlijnen van vroegere synoden opge­nomen. Daarin werd o.m. gehandeld over: genadeverbond en zelfonderzoek, art. 36 NGB, de verwerping van eeuwigheid, de zon­dagsviering e.d. Deze besluiten vonden een plaats in de uitgave van de kerkorde, omdat zij in de context van het klassieke ondertekenings­formulier betrokken waren. Na de herziening van dit formulier (zie beneden) waren deze ‘bijlagen’ niet meer nodig.
In de concepten en modellen, die ook voortaan afzonderlijk ver­krijgbaar zijn en daarom niet meer in de huidige uitgave van de kerk­orde voorkomen, worden teksten aangereikt voor huishoudelijke regelingen van kerkeraden en classes, voor beroepsbrieven, acten van ontslag en attestaties. Zoals het woord ‘modellen en concepten’ reeds aanduidt, gaat het hier niet om bindend voorgeschreven teksten. El­ke kerkeraad en classis kan ervan afwijken al naar gelang de plaatse­lijke situatie. Maar het verdient in den regel wel aanbeveling om ze te volgen...

4. Enkele saillante punten in de gereformeerde kerkorde

In het oorspronkelijke ontwerp van de herziene kerkorde stond een breder inleidend gedeelte, waarin enkele artikelen centraal stonden die handelden over de roeping van de kerk tot zending en evangelisa­tie, tot getuigen voor overheid en volk en tot de oecumene. Om al­lerlei redenen werd dit inleidend gedeelte in de eindtekst niet op­genomen en raakten deze kernpunten over de kerkorde verspreid, waardoor zij toch een minder stuwend karakter kregen (vgl. over­heid en oecumene aan het eind in ‘Betrekkingen van de kerk naar buiten’).
Opvallend in de kerkorde is voorts de nadruk waarmee de regeling van de ambtelijke diensten voorop gaat. Het artikel over de taak van de gemeenten volgt pas in hoofdstuk 3 over het ‘Werk van de kerk’. Hieruit blijkt weer hoezeer de eigenlijke constitutie, de structuur van de plaatselijke kerk, aan de kerkeraad werd verbonden. Waar de ambten

|178|

in de ‘vergaderingen’ bijeen zijn, daar komt de kerk ‘tot openbaring’.
Een centrale plaats in het kerkelijk bestand wordt ingenomen door het ondertekeningsformulier, dat — anders dan in de hervormde kerkorde — door alle ambtsdragers moet ondertekend worden. Hier be­hoort in deze meer en meer pluraliserende tijd de eigenlijke samenbindende kracht van het kerk-zijn te liggen. Door de wijziging van deze formulieren in 1971 kreeg de binding aan de belijdenis wel­iswaar een minder wetmatig en meer ‘dynamisch’ karakter: ‘Houden aan het belijden der kerk, dat het voorgeslacht tot uitdrukking heeft gebracht...’. Als concrete handreiking tot dit belijden werd de ‘Proe­ve van een eenparig geloofsgetuigenis’ door de synode in 1979 echter nadrukkelijk aangewezen.
In de gereformeerde kerkorde zijn geen regelingen voor een onaf­hankelijke rechtspraak, zoals in het hervormde kerkrecht (bijv. het generaal college van bezwaren en geschillen). Het ‘hoger beroep’ ge­schiedt in de weg van appèl op een meerdere vergadering (classis, synode) of in de weg van revisie van een besluit door dezelfde vergadering, wanneer aangetoond kan worden dat bepaalde elemen­ten in de oordeelsvorming onvoldoende hebben meegespeeld (art. 31 en 32 KO).
Een verder verschil met de hervormde kerkorde is, dat in de gere­formeerde kerkorde de meerdere vergaderingen meer een incidenteel, een ‘ad hoc’-karakter dragen. Classis en synode komen bijeen om —in de weg van delegatie — een bepaald agendum af te handelen. Daar­na wordt een synode ‘gesloten’. Binnen deze structuur is het duide­lijk, dat aan deputaatschappen, die in de ‘tussentijd’ de zaken moeten afhandelen, een grote verantwoordelijkheid is toevertrouwd. Zij zijn het die dan de kerk over die zaken vertegenwoordigen. Dit geeft in het verkeer met andere kerken nogal eens problemen...
Rondom de sacramenten van Doop en Avondmaal en bij de ver­kiezingen neemt de openbare geloofsbelijdenis een belangrijke plaats in in de gereformeerde kerkorde. Er wordt de laatste jaren indrin­gend beraad gevoerd om deze strakke regelingen enigszins te verrui­men (t.b.v. kinderen aan het Avondmaal).
Bij de oecumenische artikelen is het opvallend, dat — in de lijn van Dordt 1618/19 — de betrekkingen met de buitenlandse kerken voor­afgaan aan de betrekkingen met de binnenlandse kerken.
In de slotbepalingen wordt merkwaardigerwijs onderscheid gemaakt tussen afwijken van de kerkorde onder bijzondere omstandigheden (art. 137) en onder buitengewone omstandigheden (art. 138, rampen

|179|

en oorlogen). Er is dus enige openheid naar pastorale beslissingen in bijzondere situaties. Geen overmatige regulering: het Lichaam moet leven!

 

LITERATUUR

Commentaren op de gereformeerde kerkorde vóór 1959
F.L. Rutgers, Kerkelijke adviezen, dl I 1921, dl II 1922.
H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, dl I 1928, dl II 1934: 2e, on­veranderde druk 1970.
Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening, 19231, 19372, 19523.
F.L. Bos, De Orde der Kerk, 1950.

Commentaren ná 1959
D. Nauta, Verklaring van de Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 1971.
F.L. Bos, Zo zijn onze manieren, z.j.