Art. XVIII. Het ambt der Doctoren of Professoren in de Theologie is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan.

 

Het ambt der Doctoren.

Na het ambt der dienaren, artt. 3-17, volgt thans dat der doctoren, artt. 18-21.

Gelijk uit de behandeling van art. 2 bleek, hebben Calvijn en, op zijn voetspoor ook het convent te Wezel, 1568, het doctorenambt opgevat als een kerkelijk ambt in engeren zin, naast dat der dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, ter wetenschappelijke beoefening en verdediging der Theologie. Ook hebben de kerken, na de stichting der universiteit te Leiden, 1575, het in formeelen zin nog wel als een kerkelijk ambt in de K.O. laten staan. Maar in werkelijkheid hebben zij toch allengs het ambtelijk karakter in engeren zin losgelaten en het met het professoraat in de Theologie aan de universiteiten vereenzelvigd.

In dit artikel wordt er nu over het ambt, d.i. over de taak der doctoren of professoren in de theologie gehandeld. Het woord „ambt” beteekent hier immers hetzelfde als taak, plicht, roeping, zooals wij bij art 16 reeds hebben aangetoond.

1. De vroegere opleiding. De kerken moesten aanstonds voor de opleiding zorgen. Het convent te Wezel, 1568, dacht aanvankelijk aan een eigen kweekschool of colloquium trilingue, onder leiding van de kerkelijke doctoren. Er kwam echter niets van. Men behielp zich aanvankelijk op tweeërlei wijze, nl. met een private oefening van ongestudeerden en met een soort wetenschappelijke opleiding van enkele studenten door bekwame dienaren des Woords, als private professoren.

In 1575 kwam er echter uitkomst door de stichting van de universiteit te Leiden. De Prins zag het gevaar in, dat er van de universiteit te Leuven, die immers Roomsch was, dreigde, en deed in stilte zijn best om een Gereformeerde hoogeschool te stichten. Dit gelukte hem. Naast die van Leiden, 1575, kwam er nog een te Franeker, 1585, en een te Groningen, 1614. Deze drie zijn aanstonds als universiteiten ontstaan. Later kwamen er nog drie bij, nl. die te Utrecht, 1636; te Harderwijk, 1648; en te Nijmegen, 1656, die eerst slechts illustre scholen waren,

|78|

maar later tot universiteiten verheven werden. Een illustre school had alleen het recht van onderwijs geven (jus docendi), maar een universiteit, die door een wettig souverein gesticht werd, had bovendien nog het recht van promotie (jus promovendi), d.i. het verleenen van een wetenschappelijken titel. Zulke illustre scholen waren er een menigte en wel in tweeërlei soort nl. de eigenlijke illustre scholen voor hooger onderwijs, die door de overheid gesticht werden, door aan hare professoren het recht van onderwijs, (niet het recht van promotie) te geven, en voorts de Latijnsche scholen, voor het voorbereidend onderwijs, zooals die te Harderwijk 1600, te Deventer, 1630, enz.

2. Hun ambt of taak is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan. Dus exegese (uitlegging der Schrift) en disputatie (verdediging der leer tegen ketterijen en dolingen). In deze omschrijving is kennelijk de invloed van Calvijn op te merken. Volgens zijn omschrijving valt de taak der doctoren of professoren in de theologie in tweeën uiteen: 1e de interpretatio verbi Divini d.i. de verklaring van Gods Woord, of exegese; en 2e de disputatio of verdediging der Schrift tegen ketterijen en dolingen. Een encyclopaedische gedachte zit er nog niet in. Maar wel is hij op het goede spoor, want hij neemt de Schrift tot bron der Theologie. De encyclopaedische gedachte is eerst later duidelijk ontwikkeld, aanvankelijk door Bullinger, maar vooral door Andreas Hyperius, die de Schrift voorop stelde, uit de Schrift systematisch de kennisse Gods afleidde en eindelijk de vakken behandelde, die zich om de kerk groepeerden, en dus kwam tot drie hoofdgroepen nl. de exegese, de dogmatiek en de ecclesiologie (leer der kerk). Later hebben Alstedt en Voetius er nog één groep aan toegevoegd, nl. de ambtelijke vakken, zoodat de taak der doctoren of professoren in de theologie in vier deelen uiteenvalt, nl. vakken, die zich groepeeren rondom de Schrift (exegese), het dogma (dogmatiek), het ambt (ambtel. vakken), de kerk (ecclesiologie).

3. Het kerkelijk toezicht op het theologisch onderwijs.

De stichting der universiteiten ging uit van de lands- of van de stads-overheid, of van één of meer particuliere professoren, die er het initiatief toe namen. Het jus promovendi d.i. het recht van promotie (het verleenen van wetenschappelijke graden), wat

|79|

aan zulk een inrichting het karakter van een universiteit gaf, kon haar alleen door een wettig souverein verleend worden, nl. door paus, keizer, koning, provinciale of stedelijke overheid.

De invloed der kerk strekte zich dus alleen uit tot een zeker toezicht op het onderwijs. Vooral de Remonstrantsche ketterijen hadden er invloed op, dat de synode van Dordrecht, 1618-’19, een tiental artikelen opstelde, waarvan er drie voornamelijk op de theologische professoren betrekking hadden: 1edat de kerken gekend zouden worden bij de benoeming der theologische professoren; 2edat de theologische professoren de Theologie niet problematisch mochten behandelen, zooals Arminius gedaan had; 3edat de theologische professoren inzake hun theologisch onderwijs aan de synode onderworpen waren. Maar met al hare wenschen zijn de kerken telkens gestuit op den tegenstand der Politieken. De universiteit was een zaak der overheid en die wilde van een onderwerpen der theologische faculteit aan de kerken niet weten. Van eenig toezicht is thans geen sprake meer. Alleen heeft de Hervormde kerk het recht om aan de staatsuniversiteiten een katheder te bezetten om theologisch onderwijs te geven.

De Gereformeerde kerken hebben hare eigen Theologische school, waarover zij het volledig zeggenschap hebben; en zij houden „toezicht over de theol. faculteit (der V. U.) met het oog op de opleiding tot den dienst des Woords,” wat in een 15tal artikelen is vastgelegd, zie Acta van de synode te Amsterdam, 1908, art. 126.