Art. VII. Niemand zal tot den dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in eene bepaalde plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

 

Toewijzing van arbeidsterrein.

Dit artikel staat met de voorgaande in nauw verband. In art. 3 staat de bepaling, dat niemand in het ambt mag optreden zonder wettelijke roeping. Geen ambt zonder roeping. Een beroep kiest men zelf, maar tot een ambt moet men geroepen worden. De volgende artt., 4 en 5, bepalen dan nader, dat die roeping door den kerkeraad plaats heeft en dus van de plaatselijke kerk uitgaat. Art. 6 voegt er aan toe, dat die roeping ook geldt voor dienaren aan de hoven en in gestichten, die met de kerken in rechtstreeks verband staan. En art. 7 bepaalt nog nader, dat uit de roeping voortvloeit een vaste verbintenis aan een bepaald arbeidsterrein. Ter verklaring wijzen wij op de volgende punten:

1. De historische wording. Dit artikel werd gemaakt tegen de zgn. losse predikanten, ook wel „loopers” genoemd, die niet aan een bepaalde kerk verbonden wilden wezen, maar, evenals de apostelen en evangelisten, van de eene plaats naar de andere wilden reizen, om te prediken waar het hun goeddacht. Reeds de synode van Dordrecht, 1574, bepaalde in art. 14, dat zulke losse predikanten eerst door de classe geëxamineerd en daarna door een der dienaren van de classe aan de gemeenten gepresenteerd en, als er dan een kerkeraad ingesteld was, voor vast verbonden moesten worden. Zij traden dus meestal op in plaatsen, waar nog geen kerkeraad was, voorgevende, dat zij evenals de apostelen kerken wilden vergaderen. De synode van Dordrecht, 1578, verklaarde dan ook nader, art. 7, dat het niemand betaamt van de eene plaats tot de andere te reizen om te prediken, dewijl het ambt der apostelen voor langen tijd

|36|

in de gemeente opgehouden is. De apostelen hadden een buitengewoon, en slechts een tijdelijk ambt, dat na hun dood ophield te bestaan. En de evangelisten waren hun helpers, die met hen opgehouden zijn. De volgende synode, te Middelburg, 1581, matigde dit absoluut verbod door hare bepaling in art. 7, dat het „niemand geoorloofd zal zijn, hier en daar te gaan prediken niet hebbende eenige zekere plaats, buiten consent en autoriteit van de Synode of Classe.” Zij oordeelde dus, dat er gevallen mogelijk waren, dat iemand geroepen kan worden om hier en daar te prediken, zonder aan een vaste standplaats verbonden te worden, maar de beslissing stond niet bij den dienaar, ook niet bij een bepaalde kerk, maar bij de synode of classe. In welke gevallen dit nu geoorloofd was, gaf zij niet nader aan Dit deed de synode van ’s-Gravenhage, 1586, art. 7, nl. in twee gevallen: 1e „dat hij gezonden werd om hier of daar te prediken in de gemeenten onder het kruis”, die geen eigen predikant konden beroepen en vaak zelfs geen kerkeraad meer hadden; 2e „of anderszins om kerken te vergaderen”, wat allereerst ziet op den arbeid om de verstrooide kruiskerken weer bijeen te brengen, maar verder ook kan slaan op de prediking in streken, waar alles nog Roomsch was. De uitdrukking is dan ook zeer algemeen.

2. De regel is, dat niemand tot den Dienst des Woords zal beroepen worden zonder dat men hem in een bepaalde plaats stelle. De bedoeling blijkt duidelijk uit de oorspronkelijke redactie van de synode te Middelburg, 1581: „Men zal niemand tot den Dienst des Woords beroepen, zonder hem in een Kerk te stellen, die hij dienen zal” (Latijn: Nemo ad verbi ministerium vocandus est nisi illi ecclesia, cui inserviat, assignetur d.i. niemand zal tot den Dienst des Woords beroepen worden, zonder dat hem een Kerk toegewezen worde, welke hij dienen zal). Ze houdt dus den regel in, dat de roeping ook een vaste verbintenis aan een bepaalde gemeente meebrengt. De roeping gaat uit van de plaatselijke kerk, artt. 4 en 5, en ze is een roeping tot een bepaald arbeidsveld binnen de grenzen eener plaatselijke kerk.

Wij handhaven dit beginsel tegenover tweeërlei dwaling. Eenerzijds tegenover de Roomsche ordening, die iemand in het ambt stelt zonder hem aan een kerk te verbinden, of een bepaald arbeidsveld aan te wijzen. Er waren dan ook rondreizende priesters, die wel in het ambt stonden, maar aan geen vaste

|37|

plaats verbonden waren en „wandelende Levieten” (Ambulantes Levitae) genoemd werden. Zij reisden, zooals Voetius zegt, van de eene plaats naar de andere en boden zich aan jagers, kooplieden, reizigers, schippers enz. aan. om hun de genademiddelen der kerk toe te dienen. En anderzijds tegenover de zgn. „zending”, zooals die in de 17e en 18e eeuw in Friesland plaats had, waar de kerken door de classe of part. synode maar één examen lieten afnemen, waardoor iemand dan de „zending” verkreeg d.w.z. tot wettig dienaar geordend werd en dus het recht ontving om te prediken, sacramenten te bedienen en tucht te oefenen; zoodat ook hier iemand in het ambt gesteld werd, zonder dat hij aan een bepaalde plaats verbonden werd.

3. De uitzondering: ten ware dat hij gezonden worde enz hier of daar kerken te vergaderen. Reeds de synode van Middelburg, 1581, had bepaald, dat het niemand geoorloofd zou zijn hier en daar te prediken, zonder vaste standplaats, tenzij dan door autoriteit van de classe of synode. Deze nog eenigszins algemeene bepaling, werd door de synode van ’s-Gravenhage, 1586, nader beperkt tot twee gevallen, nl. 1e dat iemand gezonden werd om hier of daar te prediken inde gemeenten onder ’t kruis; en 2e dat hij gezonden werd „om anderszins kerken te vergaderen”. Alleen in deze beide gevallen was het naar het oordeel der synode toelaatbaar, dat iemand geen vaste standplaats had. Over de wijze, waarop zulk een zending zou moeten plaats hebben, spreekt het artikel zich niet uit. De bedoeling toch is niet, dat in die gevallen de classe of synode zelf alleen zou mogen zenden, maar dat de uitzending naar zulk een arbeid niet zou geschieden buiten consent en autoriteit van synode of classe. Wat de uitvoering betreft, vinden wij, dat de particuliere synode van Zeeland, te Tholen, 1602, aan de vier classen van Zeeland heeft opgedragen beurtelings hiervoor te zorgen. En deze wezen dan binnen haar ressort twee kerken aan, om daarvoor één harer dienaren voor een jaar te leenen. Het eerste van deze beide gevallen hield op te bestaan toen er geen kruiskerken meer waren en is daarom door de synode van Utrecht, 1905, geschrapt.

Het tweede geval, „of anderszins om kerken te vergaderen”, doelde oorspronkelijk waarschijnlijk èn op het vergaderen der verstrooide geloofsgenooten in de Roomsche landen èn op het vergaderen van kerken door de prediking onder de Roomschen. De synode van Utrecht, 1905, heeft deze uitdrukking met het

|38|

oog op de heiden-zending laten staan. En terecht, want Christus vergadert zich Zijn gemeente uit het gansche menschelijk geslacht. (Heid. Cat. Zond. 21). Ook in het geval van de zending is het dus geoorloofd, dat één of meer kerken in Nederland een dienaar des Woords uitzenden, om door de prediking des Evangelies onder de heidenen te arbeiden en aldaar kerken te vergaderen, zonder dat hij er nog aan een vaste standplaats verbonden is.


Jansen, Joh. (1976)


COMMENTAAR OP
Kerkorde GKN (1905) Art. 7