78. Mag eene Synode twee malen achtereen door denzelfden praeses geleid worden?

 

(Bazuin 9 Dec. 1892.)

133. In het laatste nummer van de Bazuin (dat van gisteren, 2 Dec. 1892) is door Prof. de Cock een stukje geplaatst over het

|292|

praesidium van de Synode; waarvan de inhoud in het kort hierop neerkomt; 1º uit de bepalingen van art. 37 en 41 van de Kerkenordening moet worden afgeleid, dat bij de Nederlandsche Gereformeerde kerken eene Synodale vergadering nooit tweemalen achtereen denzelfden praeses mag hebben; en 2º een emeritus predikant kan in eene Synode nooit wettiglijk praeses zijn, daar hij in zijne kwaliteit van emeritus predikant op geenerlei wijze in eene kerkelijke vergadering ook maar zitting kan hebben.

 

I. Wat betreft het achtereenvolgens optreden van denzelfden praeses in Synodale vergaderingen.

1º. Dit was o.a. verdedigd met de opmerking, dat de Synode van Emden (1571) en de daarop volgende Synode van Dordrecht (1574) beide gepresideerd zijn door Gaspar van der Heyden. Daartegenover stelt Prof. de Cock, dat dit geene gelijksoortige Synoden waren, daar de eerste eene generale was, en de tweede eene provinciale of particuliere. Geheel juist is dit echter niet. In 1571 was het zeker wel de bedoeling geweest, dat eene Synode zou samenkomen, die generaal of nationaal zijn zou (in tegenstelling, eenerzijds met oecumenisch, en anderzijds met provinciaal of particulier), maar door het gedwongen wegblijven van meer dan een derde van alle Nederlandsche kerken, en dat juist van het sterkste en bloeiendste deel, is het slechts eene Synode geweest van twee der drie grootste provinciën, waarin alle Nederlandsche kerken werden ingedeeld; gelijk zij dan ook zelven in het opschrift harer acta zich aldus betitelde, in verschillende besluiten zich uitdrukkelijk van eene Generale Synode onderscheidde, en bepaalde, dat zulk eene Generale Synode, zoo mogelijk, enkele maanden later zou gehouden worden. En de Dordtsche Synode van 1574 noemde zich zeker provinciaal (in tegenstelling eenerzijds met nationaal of generaal, en anderzijds met particulier), maar dan niet in denzelfden zin als waarin dit woord later gebruikt werd, want uit twee provinciën waren de kerken aldaar samengeroepen, en uit beide waren zij ook opgekomen, voor zoover de Spaansche legers het niet verhinderd hadden. Die twee Synoden kunnen dus zoo maar niet als generaal en provinciaal van elkander onderscheiden worden. Eerder waren zij beide een middensoort. En al was er dan ook

|293|

voorts groot verschil in den omvang van beider werkzaamheid, hierin kwamen zij toch beide weer overeen, dat zij voor onze Nederlandsche kerken inderdaad geweest zijn de twee eigenlijk gezegde constitueerende Synoden; die van Emden, om den grondslag te leggen, en voorts voor den toestand van vervolging en verstrooiing; die van Dordrecht om nu op dien grondslag voort te bouwen in den toestand van aanvankelijke vrijheid. Toch is men er destijds bijzonder op gesteld geweest, dat die twee vrij gelijksoortige en uiterst gewichtige Synoden door denzelfden praeses zouden geleid worden; geenszins om daarvan een regel te maken, maar omdat het in dien tijd voor de goede constitutie van de kerken van belang geacht werd. En juist daarom zie ik in die benoeming ook thans nog een antecedent, waarop men zich beroepen mag.

2º. Ook al zou men de Emder Synode geheel met eene generale of nationale willen gelijkstellen, dan geeft toch nog haar praeses, een antecedent. Immers, de Synode, die gevolgd is op die van 1574, was de Nationale Dordtsche van 1578; en in die Synode (waar Datheen tegenwoordig was en dus vanzelf tot praeses werd aangewezen) is wederom dezelfde Gaspar van der Heyden tot assessor benoemd, d.w.z. hij moest den praeses bij de leiding helpen en eventueel zelf als zoodanig optreden. Het zou dus zeer gemakkelijk hebben kunnen gebeuren, dat hij na den eersten dag voor goed praeses was geworden, en dan drie malen achtereen als zoodanig de Nederlandsche Synoden geleid had, van welke Synoden dan toch in ieder geval twee geheel gelijksoortig waren. En dit is waarlijk niet het eenige voorbeeld van een Synodalen praeses, die in de onmiddellijk volgende gelijksoortige Synoden tot assessor benoemd werd. Bij de generale of nationale Synoden was Arnoldus Cornelii, die in Zuid-Holland de kerkelijke leider was en die in de beide Dordtsche Synoden van 1574 en 1578 telkens eerste scriba geweest is, in de daarop volgende Middelburgsche (1581) praeses en in de toen volgende Haagsche (1586) assessor. En dat het ook bij de provinciale en particuliere Synode herhaaldelijk voorkwam, kan uit hare opgaven nog aan ieder blijken; b.v. voor Zuid-Holland uit het door M. Soermans uitgegeven Synodaal Register. Dit zou niet gekund hebben, wanneer het volstrekt

|294|

ongeoorloofd geweest was, dat men tweemaal achtereen presideerde. Wie in geen geval presideeren mocht, zou ook uit den aard der zaak niet benoembaar geweest zijn tot assessor.

3º. Tegenover dit alles staat nu echter, volgens Prof. de Cock, een bepaald verbod in de Kerkenordening. Wel niet met zooveel woorden, maar dan toch bij gevolgtrekking. Wel staat er uitdrukkelijk in, sedert 1578, met betrekking tot kerkeraden en Classen; en dus, wordt gezegd, „dit geldt evenzeer van de Particuliere en Generale Synoden”. Sterk zal men dien bewijsgrond wel niet kunnen noemen; althans niet zóó sterk, dat men stellig spreken kan van een blijkbaar voorschrift der Kerkenordening; allerminst, wanneer feiten voorhanden zijn, die het tegendeel schijnen aan te wijzen. Toch laat zich denken, dat men die gevolgtrekking vasthoudt, zoo er niet nog meer ware in te brengen. Maar, en dit is de hoofdzaak, de geachte schrijver heeft in onze oude Kerkenordening een klein artikeltje geheel over het hoofd gezien. Toen de Emder Synode in 1571 onze kerken constitueerde, maakte zij ook uitvoerig bepalingen met betrekking tot de kerkelijke vergaderingen, bepalingen, die bijna zonder uitzonderingen steeds gehandhaafd zijn en ook nu nog gevolgd worden; en in die bepalingen (gewoonlijk afgedrukt achter de Acta) staat ten aanzien van de Provinciale Synoden (Cap. III, art. 6) en dus ook (volgens Cap. IV, art. 1) ten aanzien van de Generale Synoden : „Het ambt van den praeses neemt een einde, zoodra de Synode hare werkzaamheden eindigt; het zal echter de eerstvolgende Provinciale (en dus ook Generale) Synode vrijstaan òf denzelfden òf eene anderen praeses te verkiezen”; in den oorspronkelijken tekst: „liberum autem erit proximo conventui Provinciali vel eundem vel alium eligere”. Dat was niet bepaald voor de Classen, in de vele artikelen, die voor hare samenkomsten gemaakt werden. En toen nu in 1578, eerst voor de kerkeraden, en daarna voor de Classen, het tweemaal achtereen presideeren verboden werd, werd ditzelfde verbod niet herhaald in de artikelen, die over de Synoden handelen. Toch zou zulks waarlijk wel noodig geweest zijn, indien toen bedoeld was, dat zoodanig verbod ook voor de Synoden zou gelden; want juist voor deze was het tegendeel uitdrukkelijk vastgesteld. Dat het bij de Synoden achterwege bleef, toont duidelijk, dat men daarvoor dus bleef bij de reeds

|295|

geldende en aan ieder bekende bepaling, die geheele vrijheid van keuze gaf. En niet anders werd gehandeld bij alle volgende redactiën van de Kerkenordening; ’t geen te meer klemt, omdat reeds in 1581 een afzonderlijk artikel gemaakt werd over de presides van kerkelijke vergaderingen in het algemeen (art. 35 in de redactie van 1619). De gevolgtrekking, die men hier voor Synoden zou willen maken uit hetgeen bepaald was voor kerkeraden en Classen, wordt dus door de Kerkenordening zelve zeer duidelijk gewraakt. En voorts zal wel door niemand betwist worden, dat eene Synodale bepaling, zoolang zij niet gewijzigd of afgeschaft is, hare geldigheid houden blijft. Dus ook de boven aangehaalde bepaling van de Emder Synode.

4º. Inderdaad kon ook aan Synoden eene vrijheid gelaten worden, die aan kerkeraden en Classen moest ontzegd worden; want in laatstgenoemde vergaderingen, die zoo vaak samenkomen en die dan zoo velerlei zaken te behandelen hebben, en die voortdurend met het practische leven in aanraking komen, en waarin een heerschzuchtig predikant lichtelijk geen genoegzaam tegenwicht zou vinden, was er anders inderdaad veel gevaar, dat de oude hierarchie weer zou binnensluipen. Bij Synoden, die slechts zelden bijeenkomen, en die dan een veel beperkter werkkring hebben, en die minder onmiddellijk met het practische leven te doen hebben, en waartoe Classen of Provinciën ieder hare meest geschikte Dienaren afvaardigen, was wel weinig gevaar, dat er weer eene soort van bisschopszetel komen zou. En daar nu een beginsel van ons kerkrecht is, dat de meerdere vergaderingen nooit zonder noodzaak beperkende bepalingen maken, is het waarlijk niet vreemd, maar eerder zeer begrijpelijk, dat men in de keuze van een praeses de Synode vrijliet.

5º. Natuurlijk werd nu echter met die vrijheid niet bedoeld, dat voortdurende herkiezing als het ware regel zou worden. Integendeel, afwisseling werd zeer zeker wenschelijk geacht. In dat opzicht ben ik het met Prof. de Cock geheel eens. Zoo nu zijnerzijds maar erkend wordt, dat er een groot onderscheid is tusschen „wenschelijk verklaren” en „gebiedend voorschrijven”. Wanneer de Synode, als bij uitzondering, den vorigen praeses wederom als zoodanig benoemt, dan moet zij daarvoor eene bepaalde en

|296|

genoegzame reden hebben. En die was er inderdaad voor de Synoden, die in Sept. 1891 en in juni 1892 Prof. Kuyper benoemden; deels in de omstandigheid, dat die twee buitengewone Synoden, wel niet formeel, maar dan toch materiëel, eigenlijk eene voortzetting waren van de Synode, die voorafging; deels, en vooral, in het feit, dat zij bijna uitsluitend bestemd waren om het aangevangen werk van (de kerkelijke vereeniging voort te zetten en zoo mogelijk te voltooien, waarvoor dan zeer dienstig geacht werd (en de uitkomst heeft dit niet gelogenstraft), dat men bij die ééne zeer gewichtige handeling ook dezelfde leiding behield. Er was dus ongeveer dezelfde reden, als die ook in de 16de eeuw onze constitueerende Synoden bewogen heeft, zooveel mogelijk dezelfde mannen in het moderamen te hebben.