|32|

Artikel 4 en 5.

De wettelijke beroeping dergenen, die tevoren in den dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten platten lande, bestaat:
Ten eerste, in de verkiezing, dewelke na voorgaande gebeden geschiedenis zal door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot den dienst des Woords kunnen beroepen worden, die door de Classe, waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn; en voorts in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest;
Ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de Classe, aan welke de beroeping ter approbatie is voor te stellen, en geschieden zal ten overstaan van de Gedeputeerden der Particuliere Synode of eenige derzelven;
Ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de Kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt;
Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (en van de andere Dienaren, die mede tegenwoordig zijn), toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

Nopens die Dienaars, die nu alreede in den dienst des Woords zijnde tot eene andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping geschieden, zoowel in de steden als ten platten lande, door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de

|33|

regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de generale kerkelijke ordinantiën over de beroepbaarheid van hen, die buiten de Nederlandse Gereformeerde Kerken gediend hebben, en over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden Dienaar in dezelfde vacature; in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest; en voorts in alle Kerken met approbatie van de Classe, aan welke de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven, en met approbatie van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geen hindernis daartegen komt; waarna de beroepenen met voorgaande stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het Formulier daarvan zijnde.

 

4. Mag de Classe onderzoek doen naar de beweegredenen voor het predikambt?

(1905.)

 

4. Het onderzoek naar iemands beweegredenen, om de H. Bediening te kiezen, is door onze kerken van den beginne af formeel geregeld (niet alleen voor Dienaren des Woords, maar ook voor ouderlingen en diakenen), doordat in het Bevestigingsformulier een toestemmend antwoord vereischt wordt op de (1e) vraag, of men in zijn hart gevoelt, van God geroepen te zijn; ’t geen ook zeker goed gezien is, omdat dat en dat alleen, de eenige goede beweegreden is, — omdat het oogenblik, waarop iemand in de Bediening treedt, ook de juiste tijd is om daarnaar te vragen, — en omdat dit zeker het meest op den weg ligt van de kerk zelve die tot de bediening roept.

Natuurlijk heeft de a.s. Dienaar des Woords van tevoren zichzelven op dat punt ook goed te onderzoeken; maar voor het

|34|

besef van de echte, Goddelijke roeping is in zijn vroegeren leeftijd geen bepaalde dag aan te wijzen.

Uitgesloten is ook niet, dat een ander daarnaar onderzoekt; speciaal de kerk, die iemand beroepen wil. Maar dan toch zeker liefst niet door eene formeele vraag in een officiëele vergadering. ’t Is dan eigenlijk een onderdeel van het onderzoek naar de „pietas” van den a.s. pred.; en dat gaat niet door zulke formeele vragen. Het gaat vaak beter door het opvolgen van de wenken die Voetius te dien aanzien geeft1) Tom. III p. 699 vgg. (v. d. Polit. Eccl.); maar kost dan ook veel meer tijd, en is niet beperkt tot het stellen van eenige vragen aan den a.s. predikant. Over de „vocatie interna”, die het eigenlijke motief moet zijn, heeft Voetius ook een zeer goede uiteenzetting in Tom. III, p. 529 vgg.2)

Maar op geen van die beide plaatsen, en ook verder op geen enkele van de vele plaatsen waar hij over het onderzoek en examen van a.s. predikanten spreekt, gewaagt hij, ondanks zijn uitvoerigheid, ook maar met een enkel woord van een onderzoek naar motieven, dat de Classe zou hebben in te stellen, of destijds werkelijk instelde.

Ik herinner mij ook niet, ooit iets daarvan gezien te hebben in de vele gedrukte (of geschreven) „Classikale Handboekjes” uit de 17e en 18e eeuw, ofschoon die over examen enz. anders zeer wijdloopig zijn.

Ik geloof dan ook niet, dat onze oude Geref. kerken gewoon waren zulk een onderzoek bij een Classikaal examen in te stellen (wel bij de Bevestiging, door de 1e vraag). Ik wil niet zeggen, dat er niet wel eens naar gevraagd zal zijn; vooral als er bij den examinandus antecedenten waren, die ongunstige vermoedens wekten. Maar dat was dan heel iets anders dan een formeel vragen aan allen. En zoo kunnen er ook nu wel eens redenen zijn, om er bij een candidaat opzettelijk van te spreken, maar dan m.i. liefst onder vier oogen of in kleinen vertrouwelijken kring. De zaak schijnt mij te intiem, om er in een formeele Classikale vergadering een punt van onderzoek van te maken. Een onderzoek, dat m.i.


1) Gijsbertus Voetius, Politicae Ecclesiasticae pars tertia et ultima Amstelodami 1676, p. 699 sqq.
2) L.c. p. 529 sqq.

|35|

ook nooit veel zal geven; want ook zelfs wie zich bewust is, door zondige motieven (eerzucht, geldzucht, enz.) gedreven te worden, zal dat voor de Classe toch niet gaan uitspreken.