Artikel 21.

De Kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen.

 

29. Heeft de kerk rechtstreeks van Godswege toezicht op alle Vereenigingen op Geref. grondslag?

 

(1913.)

41. In uw schrijven van 7 April l.l. vraagt ge mijn oordeel over het gevoelen van prof. Bouwman, kortelijk door hem uiteengezet in zijn boek over „De kerkelijke tucht”, blz. 169-171, volgens hetwelk „de kerk rechtstreeks van Godswege toezicht heeft” over alle vereenigingen, „die zich stellen op den grondslag

|126|

van Gods Woord en de belijdenis der kerk, om uit het Woord en uit de belijdenis de beginselen voor haar vereenigingsleven af te leiden”; dus op alle vereenigingen, die zulk eene bepaling in hare Statuten hebben; als b.v. de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag (ook met betrekking tot de door haar in het leven geroepen Faculteiten voor Rechtsgeleerdheid, Letteren, Medicijnen, enz.); — de Vereeniging tot Christelijke Verzorging van krankzinnigen; — de Vereeniging tot Christelijke Verpleging van zenuwlijders; — alle Vereenigingen voor Lagere en Middelbare Scholen op Geref. grondslag (ook al bestaan die in zeer vele gevallen, niet slechts uit leden van eene der „Geref. kerken”, maar ook uit „Gereformeerden” die tot de „Herv.'' of „Christ. Geref.” of andere „Geref. kerken” behooren); — alle jongelingen- en jongedochters-vereenigingen op denzelfden grondslag (ook al zijn die bijna overal in kerkelijk opzicht gemengd); — alle „gezelschappen”, die (naar de uitdrukking van prof. B.) „een stichtend doel hebben, en waarbij de deelnemers bedoelen elkander te bouwen in het geloof en in de kennis van Gods Woord; — en nog tal van andere „vereenigingen” meer.

Natuurlijk kan prof. B. dit niet zoo bedoeld hebben, al staat het in zijn boek eigenlijk wel. Denkelijk zou hij antwoorden, dat hij bij die uiteenzetting stilzwijgend onderstelde, dat de door hem bedoelde „vereenigingen” uitsluitend bestaan uit leden van eene onzer „Geref. kerken”, en geene andere leden toelaten, ook al zouden dezen voor het overige met den Geref. grondslag het van harte eens zijn. In dat geval zou zijne stelling feitelijk wel vrij onschuldig zijn, althans geen beteekenis of uitwerking kunnen hebben; want onder onze talrijke „Geref. vereenigingen” zal er op de honderd nauwelijks één zijn, die in hare Statuten bepaalde, dat alleenlijk leden van eene onzer Geref. kerken haar lidmaatschap kunnen krijgen. Dat zou ook wel wat al te exclusief kerkistisch zijn, of wel een uitgaan van de illusie, dat het nu nog is, als vóór 3 en 4 eeuwen, toen men overal slechts ééne kerk had die als zoodanig algemeen erkend werd.

Maar al zou de stelling van prof. B. thans dus vrij wel op nonactiviteit staan, hare juistheid kan en mag m.i. toch niet worden aangenomen. Het is zelfs in lijnrechten strijd met hetgeen hijzelf

|127|

op blz. 166-168 zeer terecht heeft betoogd. En het volgt ook volstrekt niet uit de twee Schriftwoorden, die op blz. 169 ervoor worden aangehaald.

Uit het feit, dat de kerk „de pilaar en vastigheid der waarheid” is, kan toch zeker niet volgen, dat zij op elk gebied dat met „de waarheid Gods” te doen heeft (’t geen natuurlijk geldt van ieder gebied waarop het menschelijk leven zich beweegt, niet alleen kerkelijk, maar ook maatschappelijk, politiek, wetenschappelijk, enz. enz.), door middel van hare kerkelijke organen moet vaststellen wat op ieder gebied „de waarheid” is, of het recht heeft een opperst toezicht van controle te houden en voor zich op te eischen, niet alleen over hare leden, die zich op eenig gebied met een Geref. beginsel tot een vereeniging constitueeren, maar ook over die vereeniging zelve. Dat en waarom dit niet aangaat, is door prof. B. zelve, blz. 166-168 duidelijk genoeg betoogd.

En de andere tekst (Rom. 3: 2, welk cijfer echter blz. 169 niet genoemd wordt) „dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd”, is niet geheel precies aangehaald; want in plaats van „hun” (in den tekst) is gezet : „aan de kerk”, terwijl dit woord dan blijkens het verband van blz. 169 bedoelt „de kerk in haar institutair optreden”. Dit nu is geheel onjuist; want in Rom. 3 wordt uitdrukkelijk gesproken van „den Jood” en „de besnijdenis”, dus (naar onze wijze van uitdrukken) van „den Christen” en „den Doop”, en het meervoud „hun” in vers 2 bedoelt dus natuurlijk „de Christenen” in het algemeen, d. i. allen die belijden en gedoopt zijn. Het spreekt ook vanzelf, dat de organen, waardoor de kerk als instituut optreedt, hiervan niet worden uitgesloten: wat van alle Christenen hier gezegd wordt, geldt natuurlijk zeer bijzonder van de kerk als instituut en van hare organen. Maar het wordt in Rom. 3 daartoe niet beperkt: integendeel, het wordt gezegd van alle Christenen, in welke de kerk „zichtbaar” kan zijn, ook afgedacht van het kerkelijk instituut. Men kan en moet dus zonder twijfel hier onderscheiden tusschen de kerk in haar zichtbaar bestand in het algemeen, (’t geen ook wel de kerk als organisme genoemd wordt) en de kerk in haar zichtbaar en geïnstitueerd verband (ook wel genoemd: de kerk als instituut). Om spraakverwarring te voorkomen, zou men, van „kerk” sprekende,

|128|

eigenlijk altijd moeten aangeven, in welken zin men dat woord bedoelt. Maar in het spraakgebruik geldt nu eenmaal, dat men, over kerkrechtelijke zaken handelende, met dat woord altijd de kerk als instituut bedoelt; tenzij men het tegendeel uitdrukkelijk zegge.

Aan de twee boven reeds behandelde teksten voegt prof. B. op blz. 170 vg. nog een stuk toe uit 1629, als getuige, „hoe ook Gereformeerden in den bloeitijd van de Gereformeerde kerk zeer sterk handhaafden het recht van de kerk op de vereenigingen en de oefeningen.”

Hierbij heeft hij echter over het hoofd gezien en dus niet vermeld, wat er ten aanzien van dat stuk (aan de Synode voorgesteld door eene Commissie of misschien slechts door de meerderheid dezer Commissie) door de Synode zelve besloten is. In de Acta der Leidsche Synode van 1629 (uitgave door Knuttel Dl. I, blz. 304) volgt op de mededeeling van genoemd voorstel aanstonds het volgende besluit (waarin eenige woorden, waarop het aankomt, door mij onderstreept worden)

„De Synodus op alles rijpelijck geledt hebbende heeft niet connen goetvinden in thesi over ’t selvige project te oordeelen, maer lettende op den tegenwoordigen staet van Rotterdam, heeft verstaen dat dien vast bij de gedeputeerde ad istam causam beraempt in de tegenwoordige gelegentheyt van de kercke van Rotterdam sall plaetse hebben, ende bij andere kercken in gelijcke gelegentheyt en conjuncture van tijden sall mogen gevolcht worden”, enz.

Het bedoelde stuk is dus door de Synode aangenomen, enkel en alleen met betrekking tot een geval, dat zich in Rotterdam voordeed en dat in de Classe niet had kunnen afgehandeld worden. Maar voorts werd alleenlijk gezegd, dat het zou „mogen” (d.i. kunnen), niet: moeten, gevolgd worden door andere kerken „in gelijke gelegenheid”; terwijl, eindelijk, nog uitdrukkelijk werd uitgesproken, dat de Synode „niet heeft kunnen goedvinden” over dat voorstel „in thesi”, d.i. in het algemeen, „te oordeelen”; welk besluit natuurlijk geen zin zou hebben, als de Synode het eens was geweest met de algemeene „thesis” (of stelling) van prof. B.

Ook komt voor de 17e eeuw natuurlijk in aanmerking, dat de

|129|

Geref. kerk, als de eeniglijk erkende kerk, op allerlei gebied destijds eene andere positie had, dan nu het geval is.

Het is wel jammer, dat het boek van prof. B., dat bijna overal zoo juist en zoo duidelijk de Geref. lijnen volgt, op blz. 169 vgg. aan het „kerkelijk instituut” een recht wil toekennen, dat er niet aan toekomt; al is op zich zelf in vele gevallen zeer wenschelijk, dat allerlei „vereenigingen” (niet allen, maar dan toch vele) zulk toezicht begeeren, en vragen, en dan ook ontvangen.

Over de zaak zelve van kerkelijk toezicht op „vereenigingen” enz., zou zeker nog heel veel te zeggen zijn. Maar niet in de ruimte van een brief. Deze is toch al lang genoeg! Maar ik wilde uw vraag toch, althans in hoofdzaak geheel beantwoorden.