IX. De ambtsdrager

1. Verkiezing en bevestiging

De verkiezing van ambtsdragers geschiedt onder aanroeping van Gods Naam; de voorganger bidt in de vóór of bij de verkiezing samengekomen gemeente om de leiding van de Heilige Geest. Zonder dit gebed zou aan de verkiezing het meest essentiële ontbreken. De verkiezing zal met goede orde, nauwkeurig, zakelijk, ernstig en in vertrouwen op de leiding van de Geest plaats vinden.
De gekozen wordt bevestigd in zijn ambt in tegenwoordigheid der gemeente, door een ambtsdrager der kerk, die tezamen met andere ambtsdragers spreekt en handelt. In de naam van Jezus Christus wordt aan de gekozene de taak voorgesteld, die hem wordt opgedragen. Hem wordt gezegd, dat hij steunen mag op Christus’ beloften. Jezus zei tot zijn apostelen, en daarmede tot allen, die na hen zouden komen: ‘Ik ben met u, al de dagen tot de voleinding der wereld’. De handen worden hem, die bevestigd wordt, opgelegd als een bevestiging van de beloften en als een versterking van de voorbede; de handoplegging drukt uit, dat beloften en gebed deze bepaalde persoon betreffen. In haar lied bidt de gemeente, dat de Heilige Geest met de gekozene zal zijn; zij dankt God voor de gave van de dienaar en looft de naam van God. Hij, die bevestigd wordt, spreekt van zijn kant een verklaring uit door het ja-woord op de hem gestelde vragen. Hij belooft zijn ambt trouw te zullen vervullen. Hij verklaart, dat hij de Heilige Schrift houdt voor het Woord van God, voor de bron der prediking, voor de enige regel van het geloof; daarmede spreekt hij uit, dat hij het gezag der apostelen wil laten gelden voor zichzelf en in de kerk.
Hij verklaart, dat hij zich door de gemeente en dus door God geroepen weet tot zijn dienst. ‘Door de gemeente en dus door God’ — dit oordeel kan menigeen volstrekt ongegrond schijnen. Een verkiezing van een ambtsdrager is immers een zeer menselijke zaak, waarbij niet zelden factoren meespreken, die niet te verenigen zijn met de Geest van Christus. Wij geloven echter, dat het de Heilige Geest ook hier behaagt te handelen door de gemeente, die nog niet volmaakt is. De dienaar der kerk, die alleen zou willen steunen op een onmiddellijke, innerlijke roeping van Godswege, zou de nederigheid van de Geest, die in de gemente wonen en door de gemeente werken wil, miskennen.

 

2. Een bijzondere genade

Hen die in het bijzonder worden geroepen, gekozen en toegerust om het werk van God in de gemeente en in de wereld te verrichten, gebruikt God, aldus het klassiek-gereformeerd formulier voor de bevestiging van dienaren des Woords, door een ‘bijzondere genade’.

|37|

Zij zijn er diep van overtuigd, dat het een zaak van genade is. Mozes zoekt allerlei uitvluchten; hij zegt, dat hij niet spreken kan, maar God antwoordt hem, dat Hij met de mond van Mozes zal zijn (Ex. 3 en 4). Jeremia vindt zichzelf te jong; God zegt hem, dat Hij Zijn woorden in de mond van Jeremia zal leggen en hem zal stellen tot een ijzeren zuil en een koperen muur (Jer. 1). Jesaja kent zichzelf als een man van onreine lippen; God laat hem in een visioen zien, hoe een seraf met een tang een gloeiend kooltje vuur van het altaar neemt en daarmede zijn mond aanraakt met de woorden: nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend (Jes. 6). Paulus ziet zichzelf als de ergste van alle overtreders, omdat hij de gemeente vervolgd had en met alle macht de naam van Jezus wilde uitroeien; hij wordt niet moe er van te spreken, dat hij zijn dienst door genade vervult (vgl. 1 Cor. 15: 9 vlg.). Paulus kan zich, naar de maatstaven van de Israëlitische gemeente van zijn dagen beschouwen als onberispelijk naar de wet; het is voor hem echter vuilnis geworden (Fil. 3: 8). Meer dan enig ander mens kan hij zich dienaar van Christus noemen, maar als hij gaat ‘roemen’ spreekt hij van zijn noden en zwakheden (2 Cor. 11 en 12). Het werk, dat hij deed, werkte Christus door hem; meer dan allen arbeidde hij, doch niet hij was het, die deze arbeid verrichtte, maar de genade Gods, die met hem is (Rom. 15: 18; 1 Cor. 15: 10). Wij hebben, zegt hij, de schat van de prediking, van de bediening der verzoening, in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons (2 Cor. 4: 7).
De tijd, waarin Israël zijn profeten, priesters, koningen en oudsten had en de gemeente van Christus haar apostelen, is voorbijgegaan. Anderen zijn geroepen door het Hoofd der Kerk en de Heer der wereld; maar welke arbeid deze anderen ook verrichten en welke namen hun ambten ook dragen, allen hebben zij nodig een bijzondere genade. Wat zij doen in de dienst van God, doen niet zij, maar de genade Gods die met hen is. Als zij in gehoorzaamheid aan hun opdracht en in vertrouwen op de belofte van de Geest hun werk doen, doet Christus daardoor en daarin zíjn werk. Mensen doen hun werk, maar in de grond der zaak doet Christus het. Christus werkt met en door mensen; hun natuurlijke aanleg, hun persoonlijke eigenschappen, hun meerdere of mindere geschiktheid neemt Hij in Zijn dienst. Mensen tot de dienst van God geroepen, hebben het beschamende besef, dat zij het heilig werken van de Geest alleen maar kunnen bezoedelen, en toch vergadert Christus door hun werk Zijn gemeente en bereidt Hij de komst van Zijn rijk voor.
Wij zijn met diepe verwondering en dankbaarheid vervuld over het heil, dat God onder de mensen werkt, over het werk van de Vader, die ons en alle dingen het aanzien gaf, en van Jezus Christus, die de schuld verzoent en bevrijdt van alle duistere macht en van de Geest die ons God de Vader en Jezus Christus doet kennen en ons heiligt. Het is een onbegrijpelijke genade, dat wij kinderen mogen zijn van de heilige, grote God en burgers van Zijn Koninkrijk. Zij, die tot een ambt in de kerk worden geroepen, verwonderen zich te meer; God, die in Christus de wereld met zichzelf verzoende, vertrouwt hun de bediening van de verzoening toe.

|38|

Dit wonder van genade, dat mensen geroepen worden tot het werk van God, terwijl zij het niet kunnen; dat zij het toch verrichten, omdat Christus zelf het doet, duiden wij aan met het woord: ambt. Het is een geheimenis als ieder werk van de Geest. Het menselijk verstand doorziet niet het werken Gods door het ambt; het ambt wil geloofd worden. Wij zien in een verborgenheid. Maar in hun hart zeggen de leden der gemeente en de ambtsdragers: amen. De ambtsdrager zegt het in een voortdurende strijd met twijfel en aanvechting. Doch de gemeente neemt deze mens van gelijke beweging aan als dienaar en gezondene Gods, als een getuige van Christus en een instrument van de Heilige Geest.

 

3. Aanvechting en geloof

De dienaren van Christus en Zijn kerk zijn beheerders — economen, zegt de Griekse tekst — van de heilsgeheimen, de mysteriën Gods (1 Cor. 4: 1-5). Paulus zegt, dat mensen niet kunnen beoordelen of zulk een beheerder van de heilsgeheimen Gods wel ‘betrouwbaar’ is. Hij kan het ook niet aangaande zichzelf beoordelen. ‘Wie mij oordeelt is de Heer’. Dit beheren is een zaak van geloof, van overgave, van gehoorzaamheid en vertrouwend gevolg geven aan de opdracht; van steunen op Hem, die riep en verkoos en zond. De dienaren der kerk kunnen door allerlei oorzaken ontmoedigd worden, maar de bijzondere aanvechting waaraan zij bloot staan, is, dat zij zich afvragen of zij wel betrouwbaar zijn in het beheer der heilsgeheimen Gods. Zowel het uitblijven van zichtbare vruchten als ook het ‘succes’ kan hen doen twijfelen. Zij hebben in die aanvechting geen ander houvast dan hun verkiezing, hun roeping, hun zending, kortom hun ambt.
Volgens de beide brieven aan Timotheüs had deze af en toe een aanmoediging nodig; van de zijde van de gemeente kwam die blijkbaar niet. De apostel wijst dan op de zending van Timotheüs. ‘Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder oplegging der handen der gezamenlijke oudsten’ (1 Tim. 4: 14) en: ‘Ik herinner u er aan de gave Gods aan te wakkeren, die door mijn handoplegging in u is’ (2 Tim. 1: 6). Het ambt is een zaak van geloven. Evenmin als het geloof, rust het in een menselijke zekerheid. Het geloof houdt de mens in spanning: het is alsof hij op een smal pad tussen afgronden gaat. Zo is het ook met hem, die een ambt draagt; hij gaat tussen afgronden van onwaarachtigheid en vertwijfeling.
De gave van het ambt heeft een analogie in de gave der rechtvaardiging uit het geloof. Wij geloven de vergeving der zonden. Als de mens op zichzelf let, gevoelt hij, dat zijn zonde te groot is dan dat zij vergeven zou kunnen worden. Zijn innerlijk, zijn verstand en geweten zeggen, dat het te eenvoudig en te goedkoop zou zijn, als hij het er maar voor mag houden, dat zijn zonde vergeven is omdat Christus leed en stierf en omdat dit hem verkondigd is. Hij kan zich aan zijn geweten verplicht voelen door eigen inspanning zo ver te komen, dat de vergeving der zonde tenminste op iets, dat in hemzelf is, kan steunen. Dit was het streven van Luther, toen hij in een klooster ging. Maar dan ontdekt Luther, dat de vergeving van de zonde restloos van God uitgaat, en dat Hij zich laat vinden

|39|

door een volk, dat niet naar Hem vraagt; de schuldige mens is rechtvaardig voor God door het geloof in Christus. Dat hij een kind van God is, heeft zijn grond niet in iets van hemzelf, maar in wat Christus is en doet en belooft.
Op een overeenkomstige wijze vindt de ambtsdrager de grond voor zijn spreken en werken, en zijn vrijmoedigheid daartoe, in hetgeen Christus door de Geest in Zijn Woord hem schenkt. De ambtsdrager verkondigt en getuigt door woord en daad, dat Jezus Christus de Heer is, de Verzoener en Verlosser. Hij verkondigt en getuigt omdat hij het zelf bevond waar te zijn; zijn eigen ervaring zou echter een zeer wankele grondslag zijn voor zijn dienst. Een gelovig mens kan het moeilijk hebben met zijn dienst; hij kan tijden van geestelijke matheid doorleven, waarin hij de bezieling voor zijn werk mist. Als een dichter geen inspiratie heeft, zwijgt hij. Van een dienaar der kerk wordt verwacht, dat hij van Christus getuigt. Als hij, door welke omstandigheden dan ook, geen sterke innerlijke aandrang gevoelt, kan hij proberen toch iets uit zijn geest en gemoed te persen, dat voor anderen iets zou kunnen betekenen. Hij kan trachten, misschien onbewust, zich op te schroeven tot een zeker enthousiasme. Of: zijn dienst wordt een zaak van routine, die buiten zijn innerlijk omgaat.
Het oprecht gemoed, het gevoelig geweten, het zuiver besef voor hetgeen waar en waarachtig is, komt in verzet tegen de vlakke routine, tegen het opgeschroefde en het klakkeloos spreken over de heilige dingen. Het is de verborgenheid van het ambt, dat hier de weg opent. Krachten zijn ambtelijke opdracht, steunend op het belijden der kerk, gedragen door de gemeenschap der heiligen, vertrouwend op het woord der Schrift, geeft de dienaar een getuigenis, dat boven zijn persoonlijke ervaring uitgaat, en dat toch niet onwaarachtig behoeft te zijn of vlot en vlak.
Voor de dienaar is het ambtelijk spreken en handelen wel verootmoedigend. Hij kan het onomwonden uitspreken, dat hij als mens staat aan de zijde van de anderen, die dikwijls zulk een klein geloof hebben en soms haast vertwijfelen. Hij hoort zelf tot de vermoeiden en belasten, die door Christus worden uitgenodigd: Komt tot Mij, en Ik zal u rust geven.

 

4. Zonder vertoon

Een ambtsdrager hoeft het gezag van het Christus-getuigenis niet te ondersteunen door menselijk pathos of autoritair optreden. Hij heeft geen reden zich op een voetstuk te plaatsen of zich door een aureool van gewichtigheid te laten omgeven. Hij verkeert onder de mensen zonder enige pretentie; hij treedt op zonder zelfgenoegzaamheid en krampachtigheid. Hij tracht de vragen der mensen te begrijpen en hun taal te spreken; hij is met hen solidair.
Er wordt in dit rapport gesproken van het profetische, priesterlijke, koninklijke ambt, dat de dienaren der kerk dragen. Dat wil niet zeggen, dat zij onder de mensen verkeren met de allure van profeten, priesters of koningen. Het koningschap van de dienaren van Christus bestaat daarin, dat zij de besliste moed hebben de Gekruisigde te volgen, ook al gaat dat in een bepaalde situatie in tegen de tendentie en de eis van het maatschappelijk-cultureel gebeuren en ook al schijnt het soms

|40|

in strijd te zijn met wat het aanzien der kerk verlangt. Zij zijn profeten doordat zij de Gekruisigde de Heer noemen, ook in een situatie, die enkel door menselijk willen en kunnen beheerst schijnt te zijn. Priesters zijn zij, doordat zij begrip hebben voor de ander en zich verantwoordelijk voor hem weten, wie hij ook is, voor de post-christelijke mens zowel als voor de met velerlei bekrompenheid behepte traditionele mens.
Het dragen van een ambt is een innerlijk gekruisigd worden; het is een zaak van ‘bidden en vasten’. Dit bidden en vasten is geen ostentatieve aangelegenheid. Jezus zei: Bid tot uw Vader in het verborgene, en: Als gij vast, vertoon u dan niet aan de mensen, maar aan uw Vader, die in het verborgene is. De ambtsdrager kan in zoverre ‘incognito’ onder de mensen verkeren, dat hij zichzelf en zijn zaak niet door menselijk-religieus vertoon hoeft te doen kennen. Hij kan echter niet in die zin incognito zijn, dat zijn relatie tot Jezus Christus verborgen zou blijven. De naam van God, van Jezus Christus lost zich niet op in het zijn en doen van mensen. De naam van God, van Jezus Christus wil genoemd, gepredikt, beleden worden voor de mensen.
‘Leken’ noemen in de omgang met anderen de naam van Jezus spontaan, als het hart hen er toe dringt. Ambtsdragers moeten de naam van God, van Christus op bepaalde tijden, bij bepaalde gelegenheden verkondigen. Zij huiveren voor het gevaar dat zij de Naam ‘ijdel’ zullen gebruiken. God wil als zij en de gemeente er om bidden, het onmogelijke doen en de ambtelijke bediening en handeling maken tot een eenvoudig, spontaan getuigenis, dat geen vertoon nodig heeft om de harten te bewegen en de levens te vernieuwen.

 

5. Verval

Er kan diepe schaamte zijn over het al te menselijke en het ongeestelijke in de gemeente. Daarom is er bij de verkiezing en bevestiging van ambtsdragers ook het gebed om vergeving voor de ongehoorzaamheid aan de Geest, en een bede om vernieuwing. Het kan zijn, dat de gemeente zo ingezonken is, dat er zelfs geen gevoel van schaamte meer is, en het gebed om vergeving en vernieuwing achterwege blijft. Het kan gebeuren, dat de gekozenen hun verkiezing beschouwen als een zuiver menselijke zaak; dat zij ‘door God’ gekozen zijn, zegt hun dan niets, en zij gevoelen geen behoefte om steun te zoeken in een verkiezing van Godswege. De gemeente is dan in verval; zij kent niet meer de zegen van het ambt. Het ambt functioneert niet automatisch; als het gebed van de gemeente voor de ambtsdragers achterwege blijft, zuigt de wortel van het ambt weinig levenwekkende krachten op uit de gemeente. Als er weinig geloof is, doet Christus weinig wonderen.
Zo kan het wel schijnen, dat in een gemeente het leven van de Geest vrijwel is uitgeblust en dat er van het ambt weinig meer over is, dan een reglementair geraamte. Maar uit een rest kan God in Zijn trouw, naar de beloften van Zijn verbond, nieuw leven wekken. Daar kan een besef van onvoldaanheid, van schuld, hoe vaag ook, ontwaken en een vraag, een gebed, hoe aarzelend ook, om verbetering, om vernieuwing.