§ 61. De bevoegdheid der meerdere vergaderingen.

Wat moeten wij onder meerdere vergaderingen verstaan? De meer­dere vergaderingen zijn samenkomsten van meerdere kerken. Elke kerk heeft haar eigen kerkeraad, die haar representeert, en die doorgaans op vaste tijden samenkomt. De kerkeraad is de eenige kerkelijke vergadering, die, door de gemeente gekozen, haar ver­tegenwoordigt, en naar de opdracht van Christus opzicht en tucht over haar oefent, en als een permanent college (ook al wisselen de leden des kerkeraads) het gezag van Christus over de gemeente handhaaft. De classes en de synoden evenwel vormen niet een vast college, maar hebben een afgeleide macht. Zij worden op bepaalde tijden of voor be­paalde gevallen samengeroepen, en worden samengesteld uit afgevaar­digden van plaatselijke kerken, die, met een lastbrief van de hen deputeerende kerken voorzien, ter meerdere vergadering verschijnen, en daardoor recht van zitting hebben. De kerkeraad vergadert zoo vaak hij wil, maar de meerdere vergaderingen komen slechts een enkele maal samen. De kerkeraad behandelt alle voorkomende zaken, die voor het welzijn der gemeente noodig gekeurd worden, de meerdere vergadering behandelt slechts die zaken, die naar de vastgestelde orde daar gebracht

|18|

worden. De kerkeraad heeft eigen macht, de meerdere vergadering af­geleide macht. De kerkeraad kan wel bestaan zonder de meerdere ver­gadering, doch de meerdere vergaderingen niet zonder den kerkeraad. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de eenheid der kerken tot stand komt door de meerdere vergaderingen. Deze eenheid bestaat, ook al wordt er geen classis of synode gehouden, omdat de kerken in Christus één zijn, en één in de gemeenschappelijke belijdenis.

De woorden ter aanduiding van de meerdere vergaderingen zijn ver­schillend en wisselen af. De Nationale Synode van 1578, art. 18, sprak van grootere en mindere „versamelinghen”, doch in art. 19 van „meer­der en minder versamelinghe”. De Nationale Synode van 1581 bepaalde in art. 22: „In meerdere vergaderinghen (majoribus conventibus) sal men niet handelen dan hetgene in minderen (minoribus) niet heeft connen afgehandelt werden,” en in art. 23: „Soo yemandt hem beclaecht door de vvtspraecke der minder vergaderinghe (minoris conventus) ver­ongelijkt te zijn, deselue sal hem tot een meerdere (ad superiorem) beroepen moghen.” Het woord major (grooter of meerder) wijst op het grooter aantal leden der kerkelijke vergadering en tevens ook op het meerdere gezag, omdat meerdere kerken, door hare afgevaardigden vertegenwoordigd, haar gezag, om in een bepaald punt een beslissing te nemen, samenbrengen. Het woord superior (hooger) bedoelt niet dat een meerdere vergadering een hooger bestuur is, waardoor de minderen geregeerd worden, maar dat zij als een samenkomst van meerdere kerken een beslissing geeft in hooger instantie, zooals ook blijkt in Art. 31 der kerkenordening uit de nadere toevoeging, dat „hetgeen door de meeste stemmen goedgevonden is, voor vast en bondig zal gehouden worden, tenzij het bewezen worde te strijden tegen Gods Woord of de artikelen in deze Generale Synode besloten”. De uitdrukking „meerdere vergadering” beteekent dus, dat in zulk eene samenkomst meer kerken in aantal bijeenkomen dan in eene mindere vergadering. De plaatselijke kerkeraden zijn mindere vergaderingen in verhouding tot de classen, en de classen weer mindere vergaderingen in verhouding tot de parti­culiere synoden, en deze particuliere synoden vertegenwoordigen minder kerken dan de generale synode. In een meerdere vergadering zijn dus meer kerken vertegenwoordigd dan in een mindere.

De meerdere vergaderingen hebben geen hooger gezag of bestuurs­macht, zooals in het burgerlijke leven het lagere bestuur aan het hoogere is onderworpen. Ook tijdens de zitting van een classis of eene synode blijft de macht van de kerken dezelfde. Maar voor de gevallen, die naar de orde der kerken ter meerdere vergadering behooren of daar gebracht zijn, laten de mindere vergaderingen de beoordeeling en beslissing over aan de meerdere vergaderingen, in welke zij zelve door hare afgevaardigden

|19|

vertegenwoordigd zijn. In de meerdere vergaderingen brengen de kerken door hare afgevaardigden hare macht samen, en kan men dus spreken van een macht in hoogeren graad, want in en door de uitspraak van zulk een meerdere vergadering spreken alle kerken daar vergaderd haar oordeel uit.

De meerdere vergaderingen ontleenen hare macht en bevoegdheid om te handelen en beslissingen te nemen aan de kerken, die haar door hare afgevaardigden samenstellen, en de roeping en het recht om in meerdere vergaderingen samen te komen ontleenen zij aan het Woord van God (Matth. 18: 15—17; Hand. 15; 2 Cor. 8: 1, 4, 19; Rom. 15: 26). Komen nu de kerken door hare afgevaardigden samen, dan brengen zij ter behandeling van de haar toevertrouwde zaken het gezag van de afzonderlijke kerken samen. „En deze macht,” zegt Voetius, „welke naar de orde aan elke plaatselijke kerk moet worden toegekend is niet beroovend (privative) maar ophoopend (cumulative), niet anders dan de macht van alle apostelen vergeleken met de macht van elk afzonderlijk apostel, en de macht van de dienaren in één kerkeraad vergeleken met de macht van een afzonderlijk dienaar, en de macht van de leden in één kerkelijk lichaam vergeleken met de macht van en de vrijheid van ieder lid op zich zelf, en de kracht van tien menschen samen vergeleken met de macht van elk der tien op zich zelf. Vandaar dan ook, dat zij ge­woonlijk de kerkelijke macht niet uitoefenen boven en buiten de plaatse­lijke kerk om, en dat zij niets in en omtrent haar met autoriteit uit­oefenen, dan in zaken en aangelegenheden, die zij gemeenschappelijk hebben, of in een geval van hooger beroep en van te verwachten of feitelijk reeds aanwezig wanbestuur” 1). De macht van de synode, in wettige vergadering bijeengekomen, is in bepaalde gevallen ook grooter dan die van een enkele kerk. Zelfs kan — zooals Voetius verklaart 2) — in geval een plaatselijke kerk en haar kerkeraad slecht bestuurd wordt of in geval van hooger beroep op de synode, of in geval die zaak op de classis of de synode overgebracht wordt de excommunicatie toekomen aan de classis of de synode. Zij kan in een bepaald geval, wanneer aan haar langs organischen weg de beslissing is overgegeven, de uitvoering van het besluit overlaten aan de plaatselijke of aan de mindere ver­gadering, of ook, zoo dit niet mogelijk of niet wenschelijk is, zelve tot de uitvoering van haar vonnis overgaan. Evenals Paulus besloten had (1 Cor. 5: 3—5, 13) den hoereerder in den naam van Jezus Christus den satan over te geven, en aan de gemeente van Corinthe opdroeg den booze uit haar midden weg te doen, zoo ook kunnen de kerken, in synode


1) Pol. Eccl. I. 226.
2) Pol. Eccl. I. 227, 228; IV. 891.

|20|

vergaderd, tot de excommunicatie besluiten, en òf zelve tot de uitvoering overgaan, wanneer het te voorzien is, dat door verkeerde houding en ongereformeerde of revolutionaire woelingen het besluit niet naar behooren zou worden uitgevoerd, òf ook in een gunstiger geval de uit­voering aan een mindere vergadering overlaten.

Dat de meerdere vergaderingen deze bevoegdheid bezitten, volgt duidelijk uit de H. Schrift. Op het Apostelconvent werd na langdurige deliberatie een besluit genomen, dat bindende kracht bezat niet alleen voor Antiochië, maar ook voor alle gemeenten in Syrië en Cilicië (Hand. 15: 28; 16: 4).

De vergadering te Jeruzalem is zelve overtuigd, dat haar besluit in overeenstemming met den wil des H. Geestes is. Dit apostolische voor­beeld geeft richting aan voor wat de kerk in hare vergaderingen heeft te doen. „Waar een vaste regel van combinatie en eenheid der kerken is, dus een geregeld kerkverband, daar is een aan die eenheid evenredige kerkelijke macht. En waar macht is, daar is deze noodzakelijkerwijze be­slissend, anders zou er geen macht, geen orde en geen eenheid zijn.” „Aan de plaatselijke kerken, elk op zichzelf handelende, komt beslissende macht toe (Matth. 18: 17, 18; 1 Cor. 5: 3, 4, 5, 13), derhalve blijft de macht aan elk van haar ook als ze zich vereenigen en met elkaar handelen; ja, wat meer zegt, als men het goede aan het goede toevoegt, wordt het een grooter goed” 1).

Het wordt dan ook algemeen door de Gereformeerden toegestemd, en is in Art. 31 der Nederl. Gereformeerde Kerkorde opgenomen, dat wat in de meerdere vergaderingen besloten is, voor vast en bondig zal gehouden worden, tenzij het bewezen worde te strijden met Gods Woord. De meening der Independenten dat de classen en de synoden geen kerkelijke macht hebben, dat zij daarom alleen adviezen kunnen geven, en dat de kerken vrij zijn die adviezen op te volgen of te verwerpen, wordt door onze kerkenorde beslist verworpen. Een geordend kerkelijk leven zou ook niet mogelijk zijn, wanneer de vrijheid en de zelfstandig­heid der plaatselijke kerken zóó werd opgevat. Art. 36 der kerkenordening zegt, dat de classis over den kerkeraad hetzelfde zeggenschap heeft, als de Particuliere Synode over de classis en de Generale Synode over de Particuliere. Dat zeggenschap berust niet op een zelfstandige macht, die in deze vergadering kleeft, of rechtstreeks haar door God geschonken is, maar daarop, dat de kerken met elkander vrijwillig een kerkverband hebben aangegaan, en daarbij bepaald, dat zij de besluiten der meerdere vergaderingen zullen uitvoeren. Zij hebben echter die onderwerping gebonden aan het Woord Gods. Als een besluit in strijd


1) Voetius, Pol. Eccl. IV. 179.

|21|

komt met Gods Woord, mogen de kerken niet gehoorzamen. Want Gods Woord is de hoogste wet voor de kerk, en staat hoog boven alle be­palingen en besluiten van eene kerkelijke vergadering. Maar wanneer een zaak langs organischen weg ter synode gebracht is, en naar behooren is behandeld, dan moeten de kerken, omdat zij zelve daar ver­gaderd waren, ook de besluiten der synode aanvaarden en uitvoeren. Dit is eisch van het kerkverband.

De meerdere vergaderingen hebben dus niet een zelfstandige, eigen kerkelijke macht. Alle kerkelijke macht, door Christus aan zijne kerk gegeven, schuilt in de plaatselijke kerk. De sleutelen des hemelrijks, door Christus aan de Apostelen gegeven, en in hen aan de gemeente, werden, toen de Apostelen terugtraden, uitgeoefend door de ambtsdragers, die onder hunne leiding in de plaatselijke gemeente werden gekozen. Deze kerkelijke macht bestaat in drie dingen: de macht om het Woord en de Sacramenten te bedienen, de macht om kerkelijke ambtsdragers te kiezen en de macht om de kerkelijke tucht te oefenen. Een andere macht is er in het kerkelijke leven niet. En deze drieërlei macht komt niet toe aan de meerdere vergadering, maar aan de ambtsdragers der plaat­selijke kerk.

Dat wil niet zeggen, dat de meerdere vergaderingen geen macht zouden hebben om besluiten te nemen, maar deze macht ligt niet in de ambtsdragers zelve, die daar vergaderen, maar daarin dat deze ambtsdragers wettig door de kerken zijn afgevaardigd en met macht zijn bekleed om namens de deputeerende kerken te handelen. Vol­gens Rome schuilt de macht primair bij de ambtsdragers, de bis­schoppen, die krachtens hunne ordening met macht over de kerk bekleed zijn. Maar naar Gereformeerd belijden zjjn alle ambtsdragers dienaars eener plaatselijke kerk, en hebben buiten de kerk, die zij dienen, geen de minste macht. En deze macht ontleenen zjj aan Jezus Christus, den eenigen algemeenen bisschop en het eenige Hoofd der kerk 1).

Zij komen ook niet in een kerkelijke vergadering, in classis of synode, met een eigen inklevend gezag, maar als gemachtigd door de kerk, die zij dienen. Een meerdere vergadering is dan ook niet zoozeer een ver­gadering van ambtsdragers, maar van kerken. Om die reden, al is het wel de regel dat ambtsdragers verkozen worden om de kerken te vertegen­woordigen, wegens hun ervaring in kerkelijke zaken, is dit toch niet absoluut noodig. In bijzondere gevallen zijn ook wel niet-ambtsdragers ter synode gedeputeerd. De provincie Overijsel vaardigde naar de synode van Dordrecht, 1618/19, omdat het Latijn daar de officiëele taal der


1) Confessio Gallicana, Art. 30; Conf. Belg., Art. 31; Tweede Helvet. Conf. c. XVII, 5, 6; Conf. Westminst. XXV. 6; XXX. 1; Col. 1: 18; Ef. 5: 23; 1: 22, 23; 4: 15,16).

|22|

synode zou zijn, naast vier predikanten af „twee ghequalificeerde per­sonen, doende professie van de religie, joncheer Willem van Brouckhuysen ende d’ achtbaere heere Jan van der Lauwic, burgemeester tot Campen” 1). En al moet dit een uitzondering blijven, uit dit voorbeeld blijkt dat het recht om zitting te nemen in eene synode niet gelegen is in het ambt, maar in de kerkelijke afvaardiging 2).

Er is dus een principieel verschil tusschen de macht van den kerkeraad en die van de meerdere vergaderingen: 1. in oorsprong, omdat de sy­noden en de classen geen macht bezitten, dan die door de plaatselijke kerken naar de vastgestelde orde aan haar is overgedragen; 2. in wezen, omdat de plaatselijke kerk eigen en wezenlijke macht bezit, en de classen en synoden ontleende en accidenteele macht bezitten; 3. in duur, omdat de kerkeraad permanent is en blijft bestaan tijdens en na de samen­komsten der meerdere vergaderingen, terwijl de classes en de synoden slechts tijdelijk vergaderen, en daarna ophouden te bestaan; 4. in doel, omdat de kerkeraad tot taak heeft de voortdurende leiding der plaatse­lijke kerk, en dus niet bestaat terwille van de meerdere vergaderingen, maar de meerdere vergaderingen bestaan terwille van het welzijn der kerken, om deze met raad en leiding te dienen 3).

Hiermee hangt ten nauwste samen, dat de macht der meerdere ver­gaderingen beperkt is. De macht van een classis of van een synode is niet meerder of uitgebreider dan die van de plaatselijke kerk, maar geringer en beperkter, niet alleen wat haar aard, maar ook wat haar omvang aangaat. De macht eener plaatselijke kerk, door Christus haar gegeven, kan in den vollen omvang nooit op een classis of op een synode worden overgebracht. Het is waar, dat de meerdere vergaderingen zijn vergaderingen van kerken, maar deze zijn op de classes en de synoden vertegenwoordigd door hare afgevaardigden, die tot taak hebben niet al datgene te doen wat tot het gebied van de plaatselijke kerken behoort, maar alleen datgene wat naar de orde der kerken haar is opgedragen, namelijk, datgene wat in mindere vergaderingen niet kon worden afge­handeld, of wat tot de meerdere vergaderingen in het algemeen behoort. Slechts een klein deel van de kerkelijke macht kan op de meerdere ver­gaderingen worden overgedragen.

Christus schonk aan de plaatselijke kerk de volledige kerkelijke macht, namelijk de bediening des Woords en der Sacramenten, de regeermacht en de oefening der kerkelijke tucht. Het eerste stuk, de bediening des Woords en der Sacramenten kan niet worden overgedragen op de classes en synoden. Wel was men in den eersten tijd na de Reformatie gewoon,


1) Reitsma en Van Veen, Acta V. 310.
2) Beza, Bekentenisse des Christ. Gheloofs, c. 5, 14.
3) Voetius, Pol. Eccl. I. 122; IV. 166, 226.

|23|

dat op de classis een korte predikatie gehouden werd, doch dit was niet eene gewone bediening des Woords, maar om toezicht te houden op de predikanten en om ongeoefende predikers gelegenheid te geven zich te oefenen. Ook bepaalde de synode van Emden 1), dat aan het einde der synode de leden der synode het heilig avondmaal zouden ge­bruiken, maar niet in de samenkomst der synode, doch in de samen­komst der gemeente, waar de synode vergaderde. Deze gewoonte is ook later, ook door de synode van Dordrecht, 1618/19, gevolgd, maar nimmer anders dan in eene gemeentevergadering. Zoo is het nog in ge­bruik in de Gereformeerde kerken van Zuid-Afrika, waar de synoden op Zaterdagavond worden geopend en de afgevaardigden den daaropvolgenden Zondag met de gemeente aanzitten aan den Avondmaalsdisch.

Ook de regeermacht kan niet in haar volheid worden overgedragen. De leiding der plaatselijke kerk en de verzorging der leden blijft altoos in handen des kerkeraads. De verkiezing van ambtsdragers is het onver­vreemdbaar bezit der plaatselijke gemeente. Wel hebben de kerken, met elkander in classis vergaderd, uit kracht van het kerkverband, het recht van examinatie en approbatie van een dienaar des Woords, omdat dit ambt beteekenis heeft voor al de kerken, die met elkander in verband leven, en deze kerken geroepen zijn toezicht te houden op de geschikt­heid des dienaars en de zuiverheid der leer, maar de eigenlijke verkiezing tot het ambt moet naar Gods Woord geschieden door de plaatselijke gemeente. In plaatsen, waar nog geen kerk geïnstitueerd is, en een kerkeraad moet ingesteld worden, geeft de classis leiding, doch de roeping tot het ambt gaat van de plaatselijke gemeente uit. Geen enkele meerdere vergadering heeft de bevoegdheid aan een gemeente een dienaar te zenden, zooals de Roomsche bisschop voor een bepaalde parochie een priester aanwijst.

Hetzelfde geldt voor de oefening der tucht. Wel geeft onze kerkenordening in bepaalde gevallen van tuchtoefening aan de meerdere ver­gaderingen medezeggenschap. Geen lid mag worden afgesneden zonder advies van de classis. Geen ouderling of diaken mag worden geschorst of afgezet zonder medewerking van de genabuurde kerk. Geen dienaar des Woords kan afgezet zonder het oordeel der classis, en het advies van de deputaten der particuliere synode, doch ook deze macht oefenen de meerdere vergaderingen niet uit krachtens een bevoegdheid, die haar eigen is, maar omdat deze haar is overgedragen. En, zooals wij vroeger reeds hebben aangetoond, is het naar de orde, dat de synode wel een beslissing kan nemen om iemand te excommuniceeren, maar zij draagt in den regel de uitvoering van haar besluit op aan de plaatselijke kerk,


1) c. III. 15.

|24|

die dan naar den regel door de kerkenordening gesteld handelt. Alleen in zeer bijzondere gevallen, wanneer de kerkeraad der betrokkene kerk zich verzet en weigert het besluit der synode uit te voeren, kan de synode zelve tot de uitvoering harer besluiten overgaan. Dit is ook het gevoelen van Voetius. Op de vraag: „of aan een synode of een classis de macht van excommunicatie toekomt?” geeft hij dit antwoord 1): „Ja, in geval een plaatselijke kerk en haar kerkeraad slecht bestuurd wordt, en in geval van hooger beroep op de synode, of in geval die zaak op de classis of op de synode wordt overgebracht. Want indien de sleutel der tucht gegeven is aan de particuliere en plaatselijke kerk of haar kerkeraad, waarom zou hij dan niet gegeven worden aan een eenheid der kerken en kerkeraden, die met elkander in verband leven, in hetwelk de kerke­raad der particuliere en plaatselijke kerk is geïncorporeerd?” Voetius verwijst dan naar het voorbeeld van Caspar Coolhaes. Coolhaes, in 1574 predikant te Leiden geworden, had in 1579, in een geschil tusschen de magistraat en den kerkeraad van Leiden over de benoeming van ouder­lingen en diakenen, partij gekozen voor de overheid, die zeggenschap in de kerkelijke zaken eischte. Na veel moeite werd de kerkrechtelijke zaak in Leiden in der minne geschikt, maar de afwijkende leeringen werden ter beslissing aan de kerkelijke vergaderingen voorgelegd. Op de Nationale synode van Middelburg (1581) ontboden, verklaarde deze synode, na lang verhoor en wederverhoor, zijne geschriften voor eene ergernis en eene lastering der kerk. Zij besloot daarom, dat Coolhaes wel van zijn dienst behoorde gesuspendeerd te worden, maar wilde dit niet doen, in de verwachting dat Coolhaes zich aan het oordeel der synode zou onderwerpen, en zou beloven altijd schriftmatig te leeren. Coolhaes weigerde de synode van Middelburg als zijn „rechter” te erkennen, en beriep zich op de naaste wettige synode 2). Hij werd thans echter door de Staten geschorst, die bovendien aan de kerken toestonden tegen hem te procedeeren. In overeenstemming met het besluit van Middelburgs synode, die aan de classis Leiden had verzocht om te trachten Coolhaes tot andere gedachten te brengen en, indien deze poging mislukte, opge­dragen had aan de vergadering der classes ’s Gravenhage, Leiden, Delft en Haarlem om tot de excommunicatie voort te varen, werd Coolhaes bij besluit van de synode van Haarlem, 23 Maart 1582, afgezet. De kerkeraad van Leiden, die op de hand van Coolhaes was, wilde hem niet excommuniceeren. Om die reden besloot de synode, dat Coolhaes „van der gemeente Christi geëxcommuniceert sal worden” en dat „de action daeraff bedienet sal worden bij Martino Lydio”, predikant te


1) Pol. Eccl. IV. 898.
2) Trigland, Kerckel. Gesch. 182.

|25|

Amsterdam, op Zondag 25 Maart 1582 1). Eveneens heeft de synode van Assen, bij besluit van 12 Maart 1926, Dr Geelkerken geschorst voor den tijd van drie maanden, „wegens zijne weigering om de verklaring door de synode van hem gevraagd te onderteekenen, en wegens zijn voort­durend verzet tegen kerkelijke vergaderingen, wier gezag hij niet wilde erkennen” en daarna 17 Maart „omdat Dr Geelkerken zich aan deze schorsing niet heeft onderworpen, daarmede getoond heeft in zijne af­dwaling te volharden, aan de wettige besluiten der Generale synode zich niet te willen onderwerpen en tot openbare scheurmaking is overgegaan” hem uit zijn ambt als dienaar des Woords bij de Gereformeerde Kerken afgezet (Art. 234). Deze wijze van handelen was echter alleen noodig in een zeer bijzonder geval. Wat was het geval?

Zooals bekend is, was de kwestie, die langen tijd de kerk van Amsterdam-Zuid beroerd had en door de classis Amsterdam niet had kunnen worden afgehandeld langs den gewonen weg, die de kerkenordening aangeeft, ter Generale synode gebracht. Na lange samenspreking van de synode met Dr Geelkerken besloot de synode den 12 Maart 1926 dezen predikant te schorsen voor den tijd van drie maanden „wegens zijne weigering om de verklaring door de synode van hem gevraagd te onderteekenen en wegens zijn voortdurend verzet tegen kerkelijke ver­gaderingen, wier gezag hij niet wilde erkennen”. Daarna, omdat Dr Geel­kerken zich aan deze schorsing niet wilde onderwerpen en hij in zijn dwaling volhardde, werd hij uit zijn ambt ontzet als dienaar des Woords bij de Gereformeerde kerken. Hij werd niet afgesneden als lid der kerk, maar afgezet als dienaar des Woords.

Omdat nu de meerderheid van de leden des kerkeraads hun predikant in zijn verzet tegen de synode steunde, en verklaarde de besluiten der synode niet te willen uitvoeren, kwam er een conflict tusschen de synode en den kerkeraad. De kerkeraad verklaarde bij meerderheid van stemmen dat onder zijn leiding Amsterdam-Zuid in het kerkverband wilde blijven, en stelde zich tegenover de synode. Nu had de synode kunnen besluiten haar buiten het kerkverband te plaatsen, zooals Dr van Lonkhuyzen 2) wil. Maar, afgedacht van de vraag of deze weg kerkrechtelijk juist was, wordt daarbij vergeten, dat daardoor een groot onrecht zou zijn gedaan aan het getrouwe deel van de gemeente en van den kerkeraad. Deze broe­ders en zusters hadden zich toch tot de synode gewend om hulp, om verlost te worden van een leiding, die naar hun oordeel verderfelijk voor de gemeente was. Dringend hadden zij gepleit om hun recht te doen. En wanneer nu de kerk van Amsterdam-Zuid buiten het


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 113-116.
2) Een ernstige fout, bl. 28.

|26|

kerkverband geplaatst was, had het getrouwe deel als loon daarvoor gekregen, dat het mede buiten de Gereformeerde kerken was geplaatst, en tevens het recht op den naam en de goederen der kerk had verloren, en dat het later als een nieuw-geformeerde kerk zich moest institueeren.

Men zou daartegen kunnen inbrengen, dat de getrouwe leden des kerkeraads en der gemeente zich hadden moeten onttrekken aan de ge­meenschap van het afwijkende deel der kerk. Maar vergeet men daarbij niet, dat de leden der gemeente gehoorzaam zich moeten voegen onder de leiding van den kerkeraad, zoolang vanwege het kerkverband niet een oordeel is uitgesproken over den kerkeraad, en dat dus de leden niet kunnen worden opgeroepen tot het instellen van de ambten voordat aan de ontrouwe leden des kerkeraads het recht tot de uitoefening van hun gezag in de gemeente is ontnomen.

Om die reden kon de synode den band met de Gereformeerde kerk van Amsterdam-Zuid niet doorsnijden, maar was het noodig dat zij een oordeel uitsprak over alle kerkeraadsleden, die zich verzetten tegen het besluit der synode, en hun predikant in zijn verzet tegen de synode steunden. Eerst daarna kon de synode door hare deputaten de getrouw gebleven gemeente helpen voor de rechte institutie der kerk.

Er is door sommigen gezegd, dat de toepassing van het besluit van de schorsing en de afzetting had moeten geschied zijn door den kerke­raad met de genabuurde kerk, zooals Art. 79 zegt. Maar men vergeet dat Art. 79 van de kerkenorde niet kon toegepast worden, omdat de kerkeraad van Amsterdam-Zuid partij was. Om die reden moest het kerkverband alleen optreden en den weg zoo effenen, dat ook de gemeente kon worden bewaard en tot de rechte institutie kon worden gebracht.

En als, zooals sommigen zeggen, wel de classis in deze had mogen optreden, dan kan worden gevraagd: waarom mag de classis in een geschil een beslissing nemen anders dan op grond van het kerkverband? En als de classis, die een klein aantal kerken vertegenwoordigt, in een moeilijk geschil mag optreden, waarom zou de Generale synode, waarin alle kerken vertegenwoordigd zijn, niet tot de uitvoering van haar be­sluiten mogen overgaan?

En dat dit geheel in overeenstemming is met wat onze groote canonicus van de zeventiende eeuw leerde, kunnen wij vinden bij Voetius, Deel III, bl. 891. Hij behandelt hier de kwestie, hoe een kerkeraad han­delen moet, wanneer zoo goed als de geheele gemeente zich verzet tegen de excommunicatie van een lid, in een zaak dus, die in den regel na advies van de classis, geheel behoort tot de bevoegdheid van den kerke­raad. Voetius geeft dan den raad dat de kerkeraad niet voortvare zonder advies en toestemming van de classis of van de particuliere synode. En wanneer, ook in groote gemeenten, deputaten van de meerdere vergaderingen

|27|

beproefd hebben de bezwaren in de gemeente weg te nemen, en de gemeente te bewegen in te stemmen met de besluiten des kerkeraads, ziet Voetius er niets verkeerds in dat de kerkeraad heel de zaak bij de synode overbrengt, opdat hij naar haar raad of beslissing, of de excom­municatie van die persoon uitstelt of voltooit, of liever vraagt van de synode dat de uitspraak van de excommunicatie en de uitvoering daar­van door deputaten uit haar vergadering of uit die classis, waarin de plaatselijke kerk geïncorporeerd is, wordt uitgevoerd.

En eenige bladzijden verder 1) stelt Voetius de vraag: „Of aan een synode of classe, dat is aan een samenkomst van meerdere kerken, die met elkander in correspondentie staan, de macht van excommunicatie toekomt?” En hij antwoordt: „Ja, in geval eene plaatselijke kerk en haar kerkeraad slecht bestuurd wordt, of in geval van hooger beroep op de synode, of in geval die zaak op de classis of de synode overge­bracht wordt. Want indien de sleutel der tucht aan één particuliere en plaatselijke kerk, of haar kerkeraad, gegeven is, waarom zou hij dan niet gegeven zijn aan de correspondentie en de eenheid van kerken en kerkeraden, in welke eenheid de kerkeraad der plaatselijke kerk geïncorporeerd is?” Hij verwijst daarbij naar wat hij vroeger over het karakter van het kerkverband heeft gezegd, en naar het voorbeeld van Caspar Coolhaes, die door de synode van Haarlem in 1582 is geëxcom­municeerd.

Wanneer dus een kerkeraad of een groot deel des kerkeraads weigert de beslissing van een synode te erkennen en zich daartegen verzet, dan heeft de synode het recht aan den kerkeraad, indien hij in het kerk­verband blijft, de uitoefening van het ambt te ontnemen. Alle kerken, en ook de betrokken kerk, hebben haar tuchtmacht in een bepaald geval gebracht in handen van de synode, en daarom kan de synode in het bepaalde geval niet alleen uitspraak doen, maar ook zorgen dat het besluit wordt uitgevoerd. Dit volgt uit het karakter der meerdere vergaderingen 2).

 

De macht der meerdere vergaderingen is dus wel dezelfde in aard en wezen als die van de mindere vergadering, maar beperkter wat haar omvang en uitgebreidheid betreft. De kerkelijke vergaderingen zijn niet wezenlijk van elkander verschillend, „de natuur en de soort en de macht der kerkelijke vergaderingen is een en dezelfde” 3). „Er is concentratie


1) Pol. Eccl. IV. 898.
2) Zie hiervoor ook De Bazuin, Jaarg. 1926 en 1932, en De Heraut, Jaarg. 1926 en 1932, over dit onderwerp, en Acta Buitengewone Generale Synode van de Geref. Kerken in Nederland, 1926; Memorieboek der Buitengewone Generale Synode 1926.
3) Van Mastricht, Gotgeleerdheit III. 543.

|28|

van den kerkeraad in de afgevaardigden ter classis, concentratie van de classis in de afgevaardigden ter Provinciale synode, en concentratie van de synode Provinciaal in de afgevaardigden ter Synode-Generaal” 1). De kerken komen in de meerdere vergaderingen samen. Zij konden zelve samenkomen door al hare leden of door alle leden des kerkeraads, maar dit is practisch onmogelijk, en daarom zenden zij hare afgevaardigden. Deze afgevaardigden gaan wel in hun ambt, maar niet krachtens hun ambt. Zij die thuis bleven staan in hetzelfde ambt, maar gaan niet. Zij die gaan, zijn gemachtigd als afgevaardigden met een credentiebrief om de kerken te vertegenwoordigen, en volgens de kerkenorde te han­delen in die zaken, die hun zijn opgedragen. Hieruit volgt, 1° dat de verschillende kerken niet al hare macht overdragen, maar alleen zooveel macht als noodig is om de belangen der kerken te behartigen en 2° dat niet alle zaken op eene meerdere vergadering kunnen worden behandeld. De Nederlandsche Gereformeerde kerkenordening heeft zeer wijs en voorzichtig daarvoor dezen algemeenen regel gesteld, dat „in deze samen­komsten geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld zullen worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden of dat tot de kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort”. Voorts wordt nog in Art. 31 genoemd, dat wanneer iemand meent door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, hetgeen natuurlijk ook inhoudt, dat wanneer iemand van oordeel is dat een besluit in strijd is met Gods Woord, of niet in het belang der kerk is, hy zich op de meerdere vergadering kan beroepen.

De bevoegdheid der kerkelijke vergaderingen werd in de oude kerkenordeningen van 1578 af in het algemeen geleerd, gelijk deze te Dordrecht (1618/19, Art. 30) aldus werd omschreven: „In deze samenkomsten zullen geen andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergaderingen behoort”. Hier wordt bepaald 1° welke zaken op de kerkelijke vergaderingen kunnen worden behan­deld, 2° op welke wijze deze moeten behandeld worden.

1. Alleen kerkelijke zaken behooren op de kerkelijke vergaderingen behandeld te worden. Wereldlijke, economische en politieke zaken moeten evenmin als formeel wetenschappelijke vraagstukken op een kerkelijke samenkomst worden behandeld. Onder de Roomsche hiërarchie werden op de Synode inzake allerlei niet-kerkelijke zaken beslissingen genomen. De Synode van Clermont (1095) stelde den godsvrede als algemeene kerkwet


1) Dr A. Kuyper, De Heraut, No. 1055.

|29|

vast, en besloot tot een kruistocht naar het heilige land. In 1312 werd op het 15de algemeene Concilie te Vienne de orde der tempelieren opgeheven, en gehandeld over den oorlog tegen de Saracenen, over het herwinnen van het heilige land en over allerlei zaken, die ingrepen in de rechten der wereldlijke overheid. Gregorius XIII voerde, bij den bul van 24 Febr. 1582, een nieuwen kalender, de zoogenaamde Gregoriaansche tijdrekening in, waartoe het Concilie van Trente reeds opdracht had gegeven. De Roomsche Concilies konden dat doen, omdat zij van het beginsel uitgingen, dat de kerk zeggenschap had over alle terreinen des levens, en dat allerlei levensgebied, kunst en wetenschap, staat en maatschappij in dienst der kerk stond.

Gevolg hiervan werd, dat er een tegenstelling kwam tusschen de wereld, die stond onder de daemonische macht, en de kerk, die heel het leven binnen haar kring wijdde en heiligde. Maar wijl die wijding in uiterlijken zin reeds voldoende geacht werd, bedierf de wereld, opge­nomen in dien heiligen kring, de kerk geheel, en stond de kerk tevens de vrije ontwikkeling van het leven in den weg.

De Reformatie, met name de Calvinistische hervorming, heeft echter den mensch weer geëerd als beeld Gods en de wereld als Gods wereld, en tevens doen uitkomen dat de algemeene genade Gods, die in de wereld nog bewarend en verlichtend werkte, wel moet worden onder­scheiden van de herscheppende en zaligende werking van Gods bijzon­dere genade. Het maatschappelijke, het huiselijke en politieke leven had een eigen gebied, haar door God gegeven. Daarom moest, volgens Calvijn, de kerk ophouden voogdes van het natuurlijke leven te zijn, en niet anders zijn dan vergadering der geloovigen. En uit dit beginsel moest voor de practijk van het kerkelijk leven volgen, dat op de kerkelijke samenkomsten alleen kerkelijke zaken moesten worden behandeld.

Het is evenwel, vooral in dagen van vervolging der kerk, wel eens gebeurd, dat op de kerkelijke vergaderingen ook andere dan kerkelijke zaken werden besproken. Dit kon toen bezwaarlijk anders. De politieke omstandigheden hingen ten nauwste samen met het leven der kerk. Daarom moesten de Gereformeerden op de vergaderingen der consistoriën wel samenspreken over maatregelen tot keering van het Roomsche geweld en het verkrijgen van godsdienstvrijheid. De kerkeraad van Nieukercke besprak in 1561 vragen als deze: of men zich gewapender­hand tegen de papisten mag verdedigen, of men een pauselijken deken voor een overheidspersoon moet houden, en of men kerkers mag open­breken en gevangenen (die om des geloofs wil gekerkerd waren) mag bevrijden. Prins Willem drong er bij de kruiskerken op aan, dat zij op hunne vergaderingen de zaken des lands zouden behartigen. Zelfs heeft hij door bemiddeling van Marnix een poging gewaagd bij de

|30|

Synode van Emden (1571), dat de kerken den opstand tegen Spanje gemeenschappelijk zouden steunen door soldaten te werven voor het leger, geld te verzamelen, en te helpen bij het overbrengen der legerberichten. Maar de Synode zweeg op dit punt.

In Frankrijk handelde men op de kerkelijke vergaderingen steeds over politieke zaken, en sprak men zelfs over den krijgsdienst. Deze ver­menging van kerkelijke en wereldlijke zaken heeft zich in Frankrijk droef gewroken.

In ons land evenwel hebben de Gereformeerde kerken, zoodra de vrij­heid was aangebroken, zich dadelijk in dien zin uitgesproken, dat op de kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken mochten worden be­handeld. Dat dit beginsel niet altijd trouw is nageleefd, kan niet worden ontkend. In den tijd, toen kerk en staat zou nauw aan elkander ver­bonden waren, zijn op de kerkelijke vergaderingen wel allerlei zaken besproken, die ten nauwste samenhingen met de politiek van den dag. Maar toch bleef in beginsel gehandhaafd wat reeds in 1574 te Dordrecht (Art. 4) was besloten: 1e. dat de kerkelijke samenkomsten „niet en handelen, dan ’t gene dat kerkelick is”, en 2e. dat bij gemengde zaken, die deels kerkelijk deels politiek zijn, zooals dit veelvuldig het geval is bij huwelijkszaken, de kerken zich aan de beslissing der overheid zouden onderwerpen. Op de Synode van Dordrecht werd de invloed der overheid eenigszins beperkt, en bepaald dat bij gemengde zaken de be­slissing „bij de Overicheyt ende Kercken-raet te samen zou staan.” (1578, art. 17). De bedoeling der Gereformeerden was dus, dat die zaken, die niet tot de taak der kerk behooren, ook niet op de kerkelijke vergaderingen moeten behandeld worden. De kerk heeft daartoe geen bevoegdheid, en zij mist de bekwaamheid om als kerk een oordeel over de zaken van maatschappij, staat, wetenschap, kunst enz. uit te spreken. De taak der kerk ligt op het gebied van het heilige. Wel heeft zij de roeping om het licht des Woords te laten schijnen over het natuurlijke leven, en hare leden op te wekken, dat zij, elk in eigen ambt en roeping, zich gedragen naar Gods Woord, opdat de ordinantiën Gods op elk levensterrein worden gevolgd, maar de kerk trede niet als heerscheres in het gebied van het natuurlijke leven op. Kerk en Staat hebben beide hun eigen van God gegeven terrein. Er mag geen staats­kerk zijn, waarbij de kerk heel het natuurlijke leven beheerscht, en aan de overheid voorschrijft wat zij heeft te doen. Evenmin mag de overheid heerschen in de kerk. Dit wil evenwel niet zeggen, dat er scheiding mag zijn tusschen godsdienst en staat. De overheid is dienaresse Gods, geroepen tot Zijn eer, gebonden aan Zijne ordinantiën, en kan zich dus niet houden buiten het godsdienstig leven der natie. En dewijl het godsdienstig leven zich in den regel in den kerkvorm openbaart, moet

|31|

de overheid wel steeds met het kerkelijk leven in aanraking komen. Evenwel mag de overheid niet voor één bepaalde kerk partij kiezen, en deze in ’t oogloopend begunstigen. Voorts zijn kerk en staat beide door God gegeven, stichtingen Gods, die over en weer elkanders rechten moeten eerbiedigen. En de kerk is geroepen om dit te doen tenzij zij daardoor in strijd komt met de rechten van haar Koning.

Nu mag de kerk op hare vergaderingen wel geen politieke zaken behandelen, maar is toch wel geroepen invloed op het maatschappelijke en politieke leven uit te oefenen. Zij kan dit doen door rechtstreeks de overheid te wijzen op wat zij naar Goddelijke orde geroepen is te doen, en een verzoek te doen dat de overheid die orde handhave. Maar wijl de kerk als een zuurdeesem heeft te werken, is het haar taak het licht des Woords te laten schijnen en daardoor de volksconscientie te bewerken, opdat er vanuit het volk de drang ontsta, dat de Overheid tot betere nakoming van haar plicht gedrongen worde.

Door deze werking heeft de kerk reeds veel goeds tot stand gebracht, b.v. de opheffing der slavernij, de erkentenis van de christelijke school in Nederland, de bestrijding van de onzedelijkheid, enz. En de overheid in Nederland heeft, behalve in den schoolstrijd, ook gerekend met de verlangens der kerk inzake de vrijheid van militieplicht voor predi­kanten, enz.

Doch al heeft de kerk het recht en de roeping Gods Woord te laten schijnen op het publieke leven, en er op in te werken dat de overheid hare roeping, ook met betrekking tot de kerk, volbrengt, zij trede niet op het gebied van het staatkundige en maatschappelijke leven.

Haar bevoegdheid hangt samen met haar bestemming om een pilaar en vastigheid der waarheid te zijn; om de waarheid, die zij gelooft, te belijden en als belijdenis te handhaven; om gehoorzaam aan haar Koning, het Woord Gods te verkondigen, te zorgen voor het welzijn der Kerk, de opleiding der dienaren, voor de handhaving van de orde­ningen Gods, te waken voor de heiligheid der gemeente en den opbouw van het leven des geloofs, en diensvolgens alle goede middelen aan te wenden, die daartoe kunnen leiden.

Maar is de Kerk dan niet geroepen uitspraak te doen in rechtzaken tusschen zijne leden? Men beroept zich hiervoor op 1 Cor. 6: 1-8, maar ten onrechte. Want ten eerste spreekt de Apostel hier niet over misdrijven, die volgens de wet door de Overheid gestraft worden, maar over burgerlijke geschillen, die door de leden der gemeente zelf onder­ling wel kunnen worden beslecht. Het is niet behoorlijk dat de geloovigen zich zelf en hun voordeel zoeken. Wel mogen en moeten zij waken voor hun recht. Maar indien de geloovigen onderling een geschil hebben, en niet tot overeenstemming kunnen geraken, is het de aangewezen

|32|

weg om hunne zaak ter beslissing aan broederen voor te leggen, en niet voor de heidensche rechters. Is het echter zoo, dat de betrokken personen dezen weg niet willen, en van den kerkeraad vragen een uit­spraak te doen, dan moet de Kerkeraad dit weigeren, omdat de be­slissing van een kerkelijke vergadering niet het karakter draagt van een scheidsgerecht, noch van een rechterlijke uitspraak als die van een aardschen rechter, en God de rechtspraak aan de Overheid heeft toe-betrouwd. De kerkelijke vergaderingen hebben er voor te waken, dat zij haar bevoegdheid niet te buiten gaan. De overschrijding harer grenzen doet schade aan de zaak van Gods Koninkrijk, geeft aanleiding dat van haar niet recht wordt gesproken, en dat zij van haar invloed inboet.

2. De wijze van behandeling der kerkelijke zaken moet kerkelijk zijn. In verband met het voorgaande in Art. 30 wordt met deze woorden bedoeld, dat het karakter der kerkelijke vergadering een geheel andere is dan dat der wereldlijke overheid. De overheid heeft dwingend gezag. God heeft de overheid ingesteld om Zijn gezag op aarde uit te oefenen, om de ongerechtigheid te beteugelen en een geordend samenleven van de menschen op aarde mogelijk te maken. Daartoe heeft „God aan de over­heid het zwaard in handen gegeven tot straffe der boozen en bescher­ming der vromen” (Art. 36). Hij heeft de overheid met macht bekleed, met het recht en de macht om te straffen, en hare macht met geweld te handhaven. Niet alzoo de kerkelijke ambtsdragers. Een kerkelijke ver­gadering bezit niet het recht der wrekende gerechtigheid en kan niet, zooals Rome doet, eene geldboete, gevangenisstraf en verbod van kerke­lijke begrafenis opleggen of over iemand het vonnis des doods laten uitspreken, en dan dat vonnis laten uitvoeren door de overheid, of ook, zooals de Luthersche kerk, door haar nauwen band met de over­heid, wel heeft gedaan, om kerkelijke vergrijpen te straffen met boete, geeseling of gevangenis. (De latere wetgeving in Duitschland heeft dit misbruik van macht door de kerken verboden, Pruisen 13 Mei 1873; Baden 19 Febr. 1874; Hessen 23 April 1875).

De wijze van behandeling der kerkelijke zaken moet kerkelijk zijn, d.w.z. zij moet zijn naar de regelen, die in het kerkelijke leven gelden, binnen de grenzen der kerkelijke macht en met geen andere dan kerke­lijke middelen. Zooals de Nederl. Geloofsbelijdenis (Art. 5, 7) het uit­spreekt, is Gods Woord regel van geloof en leven, en „mag men ook geener menschenschriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrifturen, noch de gewoonte met de waarheid Gods, noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten.” De kerkelijke vergaderingen hebben zich als vertegenwoordigers der kerk te gedragen

|33|

naar het Woord van den Koning der kerk. Wanneer zij tegen het Woord handelen, en van die verkeerde houding geen afstand willen doen, ont­trekken zij zich aan de gehoorzaamheid van Christus, en verbeuren zij het recht, dat de leden der kerk hen hebben te volgen.

De ambtsdragers zijn met de leden der kerk gebonden aan het Woord des Heeren. Het ambt moet Christus dienen ten behoeve van de ge­meente, en heeft tot taak de gemeente in te leiden in de kennis Gods, haar te doen wandelen naar het Woord Gods en door al den arbeid mede te werken tot de volmaking der heiligen en den opbouw van het lichaam van Christus. Om die reden mogen de dragers van het ambt niet optreden als heeren en meesters, maar dienen zij zich te gedragen als broeders en dienstknechten van Christus. Het recht en de liefde van Christus moet hen bij al hun werk bezielen en bewegen. Ook de vermaning en de bestraffing moet beoogen de handhaving van het recht des Heeren en de behoudenis des zondaars. En als de kerkelijke vergaderingen geroepen zijn een uitspraak te doen, leggen zij hun be­sluit niet als een overheidsbevel met dringend geweld op, maar zij trachten door overreding hare besluiten, als in overeenstemming met Gods Woord, en noodig voor het welzijn der gemeente, ingang te doen vinden. Slechts met geestelijke middelen kan de kerk haar gezag hand­haven. Wel kan het in sommige tijden noodig zijn, dat de kerk in hare vergaderingen met forsche kracht moet optreden, om weerbarstige en oproerige leden, dienaren of kerken te straffen, maar ook bij zulke ernstige en droeve handelingen mag niet de mensch, maar moet het Woord Gods leiding en beslissing geven.

3. De kring van zaken, die op de meerdere vergaderingen behandeld worden, is beperkt. Art. 30 der Dordtsche kerkenordening zegt: „In de meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene in mindere vergaderingen niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de kerken der meerdere vergaderingen in ’t gemeen behoort.”

Hiermede wordt de zelfstandigheid en de vrijheid eener plaatselijke kerk verzekerd, en tevens de kring van bevoegdheid der meerdere ver­gaderingen afgebakend.

a. In de eerste plaats behoort tot de bevoegdheid der meerdere ver­gadering, te handelen over datgene wat in mindere vergaderingen niet kon afgehandeld worden, hetzij dan dat de plaatselijke kerk de hulp der meerdere vergaderingen inroept, of ook wanneer in zeer bijzondere gevallen de kerk deze hulp niet vraagt, maar hare leden zich beroepen op een meerdere vergadering en de kerkeraad niet in staat is aan den verkeerden toestand een einde te maken.

Voor het eerste geval hebben wij een voorbeeld in de H. Schrift. Het geschil, in Antiochië ontstaan over de vraag of de besnijdenis en het

|34|

onderhouden van de wet van Mozes noodzakelijk was, kon in de gemeente aldaar niet opgelost worden, en daarom besloot men afgevaardigden te benoemen naar Jeruzalem, om het oordeel der Apostelen en der ouder­lingen in te winnen (Hand. 15). De zaak waarover zij advies vroegen raakte niet alleen de kerk van Antiochië, maar ook alle kerken, waar bekeerlingen uit de heidenen werden gevonden. En daarom gold de be­slissing op het Convent te Jeruzalem genomen niet alleen voor de broe­deren te Antiochië, maar ook de christenen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië woonden (Hand. 16: 4), en dus feitelijk de kerken in het algemeen.

Dit beginsel werd door de oudste Nederlandsche synoden reeds vast­gesteld. Er werd te Emden bepaald voor de classen 1): „Zoo daar iet in eenige kerke der Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde terneder gelegt worden, dat zal in de classische samenkomsten verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Pro­vincialen Synodum zal mogen beroepen”. En in het hoofdstuk van de Provinciale synode wordt gezegd 2): „zij en zullen ook geene andere (puncten) stellen, dan die in de consistoriën en classische samenkomsten niet hebben konnen uitgevoert worden”. En van de synoden heet het: „Hetzelve dat voorschreeven is, zal ook in den Algemeenen Synodo onderhouden worden”, betreffende „de Leer, het Kerkregiment, en byzondere zaaken, die in de Provinciale ’t samenkomsten niet hebben kunnen uitgevoert ofte geëindigt worden”. De synode van Dordrecht, 1578, heeft al deze bepalingen in één artikel samengevat: „Men sal gheene saken tot grooter versamelinghen brenghen dan die in den minderen niet en hebben konnen afghehandelt worden, ofte die de Kercken in het ghemeyne aengaen”. In 1581, Art. 22, werd deze be­paling in den huidigen vorm gegoten.

De Gereformeerden hebben dit zeer terecht als beginsel uitgesproken, en wel allereerst om te voorkomen dat het recht en de zelfstandigheid der plaatselijke kerk en van de mindere vergaderingen zou worden aan­getast, en in de tweede plaats om een oligarchie, een regeering van enkele menschen in de kerk of eene monarchie, zooals bij de Roomsche kerk, af te snijden, terwijl wanneer allerlei zaken der mindere vergaderingen zonder noodzaak op de meerdere vergaderingen zouden worden gebracht, deze te zeer met werk zouden worden overladen 3).

Zeer juist heeft Voetius hiervan geschreven 4): „Onze kerkenordeningen waken zeer behoedzaam, dat er niets in de synode wordt


1) Cap. II. 3.
2) Cap. III. 1.
3) Acta Emden, c. III. 1.
4) Pol. Eccl. IV. 204; cf. IV. 210.

|35|

behandeld, dan wat in de kerkeraden en classen niet kon afgehandeld en voleindigd worden. Want indien het anders geschiedde, zou er een wanordelijke toestand ontstaan en zoude de werkzaamheid der synoden tot in het oneindige uitgerekt worden, zelfs zou er dan een oligarchie, en zoo eindelijk een kerkelijke monarchie worden ingevoerd, zooals geschied is in het pausdom, waar, na de opheffing van de wettelijke macht en vrijheid der kerken, alles tot een zekere nabootsing van den kerkeraad, namelijk van een soort Roomschen kerkeraad van kardinalen, of van een bisschoppelijk kapittel of van een vergadering van stem­gerechtigde bisschoppen met haar aartsbisschop, ja zelfs tot den paus en de bisschoppen toe, als virtueele kerken met geweld doorgetrokken is. Laten de Gereformeerden zich zorgvuldig voor deze boosaardige ziekte wachten, opdat niet eenmaal waar worde, wat zij beweren, die voor­geven dat het independentisme moet gesteld worden boven de presbyteriale regeering, namelijk dat de vrijheid en de macht, welke naar goddelijk recht aan de afzonderlijke plaatselijke kerken toekomt, door de grootere en kleinere synoden wordt geroofd, en dat alzoo de kerke­lijke macht een beroovende en niet een cumulatieve (samenbrengende) macht zou zijn, waartegen ook de Gereformeerde kerken zich in hare kerkenordeningen verklaren”.

In het tweede geval kan eene zaak op eene meerdere vergadering komen, wanneer er oneenigheid in eene kerk is, wanneer de kerkeraad zelf niet in staat is het geschil op te lossen, en leden der kerk klagen bij de meerdere vergadering over hun gedaan onrecht, of van de meerdere vergadering vragen aan de wanorde en den verkeerden toestand een einde te maken. Geen enkele kerk heeft het recht de bevoegdheid van eene meerdere vergadering om zulke klachten te onderzoeken en te trach­ten de verkeerdheden in eene plaatselijke kerk uit den weg te ruimen te ontkennen, wijl deze klachten, wanneer zij de leer of de rechte in­stelling der kerken betreffen, samenhangen met wat tot de kerken in meerdere vergaderingen behoort, of in elk geval vallen onder het recht van appèl, waarover Art. 31 der K.O. handelt.

b. De tweede beperking van de kring van zaken, die op de meerdere vergadering kunnen behandeld worden, wordt in Art. 30 aangeduid met de woorden: of dat tot de kerken der meerdere vergadering behoort. Wij hebben vroeger aangetoond, dat naar eisch van het Woord Gods, op grond van de eenheid der kerk van Christus een kerkverband noodig is, en dat, wanneer de kerken met elkander in kerkverband leven, er allerlei zaken zijn, de leer, de orde en de tucht betreffende, die de kerken in het gemeen aangaan en ook door de kerken gemeenschappelijk moeten be­handeld worden. Anders zou geen kerkverband mogelijk zijn, en zou een enkele heerschzuchtige kerk of groep aan andere kerken haar wil

|36|

kunnen opleggen. Reeds het convent van Wezel (1568) heeft uitgesproken, dat „de onderscheidene Nederlandsche provinciën in bepaalde en vaste classes of parochiën worden afgedeeld, teneinde een iedere kerk weten kunne, met wie zij heeft te handelen, en te raadplegen over alle meer gewichtige zaken, die haars inziens het algemeene belang betreffen” (quo cuique ecclesiae constare possit, cum quibus graniora quaeque negocia quae ad publicam utilitatem spectare videbuntur ei sunt conferenda consultandaque) 1). Niet alleen alle moei­lijke zaken, die door de particuliere kerken niet konden worden uit­gemaakt, maar ook die het openbare welzijn of het algemeene belang der kerken raken, moeten zoo spoedig mogelijk door de gezamenlijke kerken of synoden behandeld worden. Aangaande de Synode bepaalde het Convent 2): „Aan haar zal ter beslissing moeten worden voorgesteld alles aangaande de colleges, de bezoldigingen, ambt, gezag der Leeraars, de oefeningen in de scholen, de godgeleerde studiën, de onderhouding van de propositiën en profetiën en al het overige wat op deze zaak betrekking heeft, en desgelijks de vaste en billijke af deeling der provinciën in classen of parochiën, de vaste bijeenkomsten zoowel van iedere classis afzonderlijk als van alle classen in het gemeen, haar orde, regeling, ge­zag of censuur; vervolgens ook de huwelijksgevallen, de gronden der echtscheidingen, kortom alle mogelijke zaken, die in het algemeen op alle kerken en den gemeenen dienst zien (denique de omnibus omnino rebus, quae ad omnes ecclesias et commune ministerium generatim spectant). Want het komt noch met het gezag der Schrift noch met de billijkheid der wetten overeen, dat die dingen, welke gelijkelijk allen aangaan, door de eene of andere kerk alleen zouden worden vastgesteld, zonder dat de andere kerken gehoord zijn, op welke zij evenzeer betrekking hebben”. Omtrent de ouderlingen werd door het Convent o. a. bepaald, „dat zij geen nieuwe wetten naar eigen willekeur zullen invoeren, maar zich houden zullen aan verordeningen der kerken en synoden. En in­dien er iets nieuws mocht voorgekomen zijn, wat een nauwkeuriger onderzoek vereischt, dat zij dit dan tot de vergadering der classis of van de provinciale parochie zullen brengen, opdat daar met gemeene stemmen worde vastgesteld, wat in het belang der kerken zal zijn” (ut ibi quod ex re ecclesiarum erit communibus suffragiis statuatur) 3). De volgende synoden, van Emden en van Dordrecht (1578), namen deze besluiten over, terwijl de synode van Middelburg (Art. 22) aldus definieerde, welke bepaling ook door de synode van Dordrecht (1618/19) werd overgenomen: „In meerdere vergaderinghen sal men niet handelen


1) c. I. 2.
2) c. I. 4-6.
3) c. IV. 7.

|37|

dan ’tghene in minderen niet heeft connen afghehandelt werden, of dat tot de kercken der meerder vergaderinghe int ghemeijn behoort” of gelijk beter vertaald in de Latijnsche tekst (vel ad ecclesias universas majoris conventus pertinent) staat: „of die de gezamenlijke kerken van de meerdere vergadering aangaan.”

Voetius zegt over dit punt 1): „Het voorwerp van deze kerkelijke correspondentie en gemeenschap is tweevoudig, namelijk: gemeenschappelijke zaken, die alle kerken aangaan en particuliere zaken, die ééne of sommige kerken raken. De gemeenschappelijke zaken zijn op elke wijze en absoluut aan het classicaal of synodaal gezag onderworpen, want de dingen, die den opbouw van alle kerken gemeenschappelijk aangaan, moeten ook door alle kerken gelijkelijk worden verzorgd en behandeld. De particuliere zaken kunnen en moeten echter niet volstrekt, maar slechts beperkt door alle kerken gelijkelijk worden verzorgd en behandeld, namelijk in deze gevallen: 1. in geval van onvermogen, wanneer namelijk een plaatselijke kerk niet in staat is om haar eigen zaken af te doen; 2. in geval van onwettelijke en onregelmatige bediening, wanneer in een tijd van eene heerschende ziekte al de kerken, waarmede zij in verband en correspondentie leeft, haar te hulp moeten komen; 3. in geval van veronderstelde slechte bediening, dat is in het geval van appèl, hetzij van een persoon of van eene groep, die klagen dat zij bezwaard zijn.”

Welke zijn nu de zaken, die tot de kerken der meerdere vergaderingen in het gemeen behooren? In het algemeen kan men hierop antwoorden, dat het die zaken zijn, die de kerken in gemeenschap met elkander hebben bepaald en die de gemeenschap der kerken en de handhaving van de beginselen van Gods Woord, de Belijdenis en de Kerkenordening raken. Hieronder vallen de regelen betreffende de leer, dienst en tucht der kerken, de opleiding tot den dienst des Woords, de zending, de liturgie, enz. De kerken in Synode vergaderd moeten niet alles tot in de kleinste bijzonderheden willen regelen, maar zeer veel aan de vrijheid der particuliere kerken overlaten, opdat deze zelfstandig hare roeping als kerken naar het Woord Gods kunnen volbrengen, maar de plaatselijke kerken mogen van die vrijheid niet willekeurig gebruik maken, en niet in strijd handelen met de algemeene regelen door de kerken in gemeenschap met elkander gesteld.

In navolging van de Ordonnances Ecclésiastiques van Calvijn hebben de Gereformeerde kerken dan ook een reeks van bepalingen gemaakt, die ook het leven der plaatselijke kerk raken. In de Kerkenordening van de Gereformeerde kerken in Nederland is bepaald, welke diensten er in de plaatselijke kerk moeten zijn (Art. 2), dat niemand zonder eene


1) Pol. Eccl. IV. 119, 120.

|38|

wettelijke roeping in den dienst der kerk mag optreden (Art. 3), hoe de wettelijke roeping tot stand komt, en welke weg moet worden gevolgd bij de roeping eens dienaars naar eene andere gemeente (Art. 4, 5), op welke wijze de dienst in de gasthuizen moet geregeld worden (Art. 6), hoe de verzorging van een dienaar des Woords en van een emeritus behoort te geschieden (Art. 11, 13), op welke wijze de verkiezing van ouderlingen en diakenen zal plaats hebben, hoe lang zij hebben te dienen, en welke het ambt der ouderlingen en diakenen zal zijn (Art. 22-27). In het tweede hoofdstuk over de kerkelijke vergaderingen wordt bepaald wanneer de kerkeraadsvergaderingen moeten worden gehouden, en de wijze waarop zij behooren te worden bestuurd. Ook wordt geregeld, dat in kleine kerken de diakenen tot den kerkeraad kunnen genomen worden en dat dit moet, wanneer het getal der ouderlingen minder is dan drie (Art. 37, 38). Ook wordt een regel gesteld voor de vergadering der diakenen (Art. 40). In het derde hoofdstuk wordt voorgeschreven, dat ook de ouderlingen en de diakenen evenals de predikanten de belijdenis zullen onderteekenen (Art. 54), dat de kinderen zoo spoedig mogelijk gedoopt moeten worden in de openbare vergadering der gemeente, waar Gods Woord wordt bediend (Art. 56), en dat de ouders hunne kinderen ten doop moeten presenteeren (Art. 57). Bepaald wordt wie ten Avondmaal mogen worden toegelaten, waar, hoe en hoe dikwijls de bediening van het Avondmaal zal zijn (Art. 61-64), welke psalmen en gezangen zullen worden gezongen in den dienst (Art. 69), dat het huwelijk voor de gemeente dient bevestigd te worden volgens het daarvoor vastgestelde formulier (Art. 70). En wat de kerkelijke tucht aangaat is een reeks van bepalingen voorgeschreven hoe de tuchtoefening dient te geschieden, en welke de zonden zijn, die den dienaar des Woords schorsing of afzetting van den dienst waardig maken. Allerlei bepalingen staan in de kerkenordening, die ook het innerlijke leven der gemeente regelen. Hieruit zien wij dat de kerken in hare kerkenordening de woorden: „dat tot de kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort” niet alzoo hebben opgevat alsof alleen die zaken op de meerdere vergaderingen mogen worden behandeld, die alle kerken gemeenschappelijk of ge­zamenlijk aangaan, maar dat ook vallen onder de zaken, die tot de meerdere vergaderingen in ’t gemeen behooren, de zoodanige die voor den geestelijken welstand van alle kerken, voor de handhaving der heerschappij van Christus en Zijn Woord in de kerk, en voor de orde eener plaatselijke kerk en de goede samenbinding en overeenstemming der kerken onderling noodig zijn, gelijk het convent van Wezel verklaarde: „De apostel Paulus schrijft voor, dat in de kerke Gods alle dingen betamelijk en met orde moeten geschieden, opdat niet alleen in de leer, maar ook in de orde zelve en de kerkelijke regeering van het ambt een

|39|

eenparige overeenstemming van de kerk vaststa en onderhouden worde.” Om die reden kan ook eene kerk geen nieuwigheden invoeren, die op een of andere wijze de kerken in het verband raken. Wel mag en moet elke plaatselijke kerk er naar streven, haar eigen kerkelijk leven tot een hoog peil op te voeren, maar zoodra zij regelen zou willen invoeren, die van beteekenis zijn voor heel de kerk, of ingrijpende veranderingen zou willen invoeren in die dingen, welke geregeld zijn in de orde der kerken, dan behoort zij naar den regel, die altoos in de Gereformeerde kerken is gevolgd, het oordeel van de gemeenschappelijke kerken in te winnen en op te volgen.

Daarop doelt ook het woord advies in onze kerkenordening.

Wanneer in onze kerkenordening staat, dat de plaatselijke kerk in bepaalde gevallen met het advies der meerdere vergadering heeft te handelen, dan wil dat niet zeggen, dat zij geheel vrij is het advies al of niet op te volgen. Integendeel. Het woord advies beteekent raad of oordeel, en de kerkenordening bedoelt, dat wanneer het inwinnen van het advies is voorgeschreven, n.l. in de art. 4, 5, 14, 38, 47, 50, 75, 76, 79, de kerkeraad ook naar dat advies behoort te handelen. In vele gevallen blijkt duidelijk, dat in deze artikelen het advies beteekent: bewilliging, goedkeuring. Dat kan ook niet anders. De bepalingen, dat de kerkeraad „niet zonder advies der meerdere vergaderingen” mag handelen, zijn ingevoegd om misbruik en willekeur der plaatselijke kerken te voorkomen. Bij de tucht mag de kerkeraad een lid niet afsnijden dan met voorgaand advies van de classis. Deze bepaling is niet gemaakt om op de zelfstandigheid der plaatselijke kerk inbreuk te maken, maar om de eenheid en de goede orde in het kerkelijke leven te handhaven, en om te waken, dat van de tucht misbruik wordt gemaakt, en de rechten van de leden der kerk worden verzekerd. Eerst wanneer de classis een toestemmend advies geeft, kan de kerkeraad overgaan tot de tweede vermaning volgens art. 77, en tot de afsnijding volgens Art. 76.

Dit ligt in den aard der zaak. Wanneer een plaatselijke kerk in het verband der kerken treedt, dan ontvangt zij daarbij leiding en steun van de zusterkerken, maar zij onderwerpt zich ook aan de leiding der meerdere vergaderingen, en neemt op zich de verplichting om zich naar de meerdere vergaderingen te gedragen. Dit is niet het invoeren van eene hiërarchie in de kerk, maar een zich onderwerpen aan het juk van Christus en het zoeken van de handhaving van het recht Gods. Wanneer eene plaatselijke kerk de besluiten van eene meerdere vergadering naast zich neerlegde en niet wilde uitvoeren, dan breekt zij daardoor de eenheid en de orde. En als zij in zulk een geval niet kan aantoonen, dat de besluiten der meerdere vergaderingen in strijd zijn

|40|

met Gods Woord en de ordening der kerken, dan pleegt zij revolutie en maakt zich der censuur waardig.

In dien zin sprak ook de Generale Synode van Utrecht (1923, Art. 127). Zij verklaarde inzake het vrouwenkiesrecht „dat de invoering van het vrouwenkiesrecht eene zaak is, die niet ééne kerk, maar de kerken in het gemeen raakt, en daarom door de Generale Synode behoort beslist te worden”, en wel op deze gronden:

1º. „omdat het vraagstuk van het vrouwenkiesrecht niet van ondergeschikt belang is, zooals b.v. op welken leeftijd aan een gemeentelid het kiesrecht zal geschonken worden, wat aan de vrijheid van iedere plaatselijke kerk kan worden overgelaten, maar van diep ingrijpende beteekenis is voor heel de kerk, en daarom, zooals steeds de regel in onze kerken is geweest, door de kerken gemeenschappelijk beslist moet worden”;

2º. omdat de meeningen over dit vraagstuk zoozeer uiteengaan, of het vrouwenkiesrecht wenschelijk is of niet, of het naar Gods Woord geoorloofd is of niet, is het voorzichtig en wijs dat niet een plaatselijke kerk tot de invoering daarvan overgaat zonder het oordeel der gezamenlijke kerken te hebben ingewonnen, hetgeen ook plicht is met het oog op 1 Cor. 14: 32;

3º. omdat, indien het juist was wat b.v. door de kerk van Zandvoort beweerd werd, dat het toekennen van het kiesrecht aan de vrouw „geheel in overeenstemming was met de positie, welke Gods Woord aan de vrouw in de kerk toekent”, en dat de vrouw daartoe van Christuswege geroepen werd, dan mocht dit niet als een middelmatig ding aan de vrijheid van iedere kerk overgelaten worden, maar dan moesten alle kerken aan het goddelijk gebod gehoorzamen, en moest de Generale Synode besluiten, dat alle kerken dat vrouwenkiesrecht moesten invoeren. Terwijl omgekeerd, als het met Gods Woord in strijd was, de kerken, die het hadden ingevoerd, moesten vermaand en bestraft worden;

4º. „omdat, wanneer de beslissing hierover aan iedere kerk werd overgelaten, daaruit niet alleen allerlei practische moeilijkheden, maar zelfs groote rechtsonzekerheid zou kunnen ontstaan. Wanneer eene vrouw, die in de eene kerk dit kiesrecht bezat, naar eene andere verhuisde, waar dat kiesrecht haar niet werd toegekend, dan zou dit niet alleen krenkend voor haar wezen, maar ook een onrecht, wanneer naar Gods ordinantie haar dat recht toekomt.” En omgekeerd als een broeder, die het vrouwenkiesrecht in strijd acht met het Woord Gods, in een gemeente kwam, waar dit recht was ingevoerd, dan zou hij het recht van de aldus gekozen ambtsdragers kunnen betwisten, en zou de zaak voor de meerdere vergaderingen ter beslissing moeten worden voorgelegd.

Hetzelfde geldt van het zingen van gezangen in de kerk. De commissie van Advies rapporteerde hiervan op de synode van

|41|

Utrecht (1923, bl. 230): „Wanneer een kerkeraad besloot om een gezangen-bundel in te voeren bij den eeredienst, zou dit besluit alleen geldig zijn voor zijn eigen gemeente, maar zou wel degelijk in strijd zijn met de eischen van het kerkverband, daar de vraag of, en zoo ja, welke gezangen in de kerken behooren gezongen te worden, een vraag is, die een gemeenschappelijk belang der kerken raakt, en daarom ook door de kerken gemeenschappelijk behoort beslist te worden.”

c. Het recht van appèl. De derde beperking van de kring van zaken, die op de meerdere vergaderingen kunnen behandeld worden, wordt genoemd in Art. 31: „Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen.” Aan de eene zijde wordt door deze woorden het recht en de vrijheid van de kerken en hare leden gehandhaafd, terwijl aan de andere zijde ook de meerdere autoriteit der meerdere vergaderingen wordt uitgedrukt.

Het recht van hooger beroep is onmisbaar in het kerkelijke leven. Het convent van Wezel had reeds de vrijheid uitgesproken van zich te mogen beroepen, inzake de tucht, van de uitspraak des kerkeraads op het oordeel der classis, en van de beslissing der classis op de hulp van de synode, maar zij voegde er het waarschuwend woord bij, dat zulk een hooger beroep licht uit verzet en weigering om zijn schuld te erkennen kon voorkomen, en dan als een teeken van wederspannigheid moest worden beschouwd. Deze bepaling werd door de synode van Emden (1571, II.3) uit de artikelen van de Tucht gelicht en overgebracht onder de algemeene artikelen, die de beteekenis en het recht der meerdere vergaderingen regelen, terwijl de synode van Dordrecht (1578, Art. 19) er eene bepaling van gaf, welke bijna letterlijk in onze Kerkenordening is overgenomen.

Nu zou dit artikel zóó kunnen worden gelezen, dat het recht van appèl alleen gegeven is voor het geval, dat iemand door de uitspraak eener meerdere vergadering persoonlijk verongelijkt was. Ongetwijfeld is dit de bedoeling niet geweest, blijkens de algemeene formuleering van de synode van Emden, dat men zich van de classicale vergadering „tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen". In elk geval is het recht van appèl door de kerken nimmer beperkt tot de gevallen van persoonlijke rechtskrenking of verongelijking. Op de synode van Veere, 1610, beklaagde zich de predikant Daniël Glatius over eene ordinantie, „waardoor hem opgelegt was op Sabbathdagen niet te doopen noch trouwen des voormiddags, maar alleen des namiddags”, wijl naar zijn oordeel zulk een besluit der classes niet stichtelijk, noch practisch was. De Synode besloot, dat men de tijdsbepaling daaromtrent „in vrijheid der kerken laten zal, alhoewel het doopen en het trouwen namiddags,

|42|

waar het gevoegelijk geschieden kan, sal mogen ingebragt werden.” Op de synode van Zuid-Holland (1725) appelleerde Ds Herm. Probsting tegen ’t deportement, hem door de classis van Den Briel opgelegd. Een commissie van onderzoek rapporteerde, dat al de beschuldigingen tegen hem niet van een natuur en niet zoo zwaar waren, dat men hem kon deporteeren, en dat men na bestraffing voor de synode hem weer moest toelaten. Op de synode van Den Briel, 1726 § 5, klaagden drie kerke-raadsleden als appellanten, dat hun predikant tegen het bestaande gebruik twee stemmen pretendeert. De synode oordeelde „dat de Predikant dat recht mag, dog moet met voorzigtigheid gebruiken”. Herhaaldelijk appelleerden leden der gemeente of ook kerkeraden bij de meerdere vergaderingen over leer of leven der predikanten. Van het recht van appèl werd veelal zoo druk gebruik gemaakt, dat de synoden wel eens hebben besloten, dat zij geen zaken in behandeling zouden nemen, waarvan niet beproefd was, dat zij door schikking zouden kunnen afgedaan worden (Acta, Rotterdam 1605, Art. 12; Gorcum 1622, Art. 41; Den Briel 1643, Art. 14).

De rechtsgrond, waarop een appèl kan rusten, strekt zich dus verder uit dan voor het geval iemand persoonlijk verongelijkt is. Deze geldt ook wanneer iemand van gevoelen is, dat een besluit door den kerkeraad genomen ingaat tegen Gods Woord en gevaarlijk is voor de gemeente. En het ligt in den aard der zaak, dat er dan mogelijkheid moet bestaan om recht te bekomen in hooger instantie. De kerkeraad, tegen wien het bezwaar wordt ingebracht, kan natuurlijk niet uitspraak doen in het geschil, want hij is in dezen partij geworden en daarom is een meerdere vergadering niet alleen bevoegd, maar ook geroepen over het bezwaar te oordeelen. Een voorbeeld uit den jongsten tijd moge dit toelichten. In 1923 appelleerde de classis Dordrecht bij de Generale Synode van Utrecht over een besluit der Particuliere Synode van Zuid-Holland, omtrent het tijdelijk ontslag, dat aan Ds Vonkenberg naar Art. 14 was verleend. Ds Vonkenberg, benoemd tot Directeur van den Bond van Gereformeerde Jongelingsvereenigingen, had gevraagd aan de classis Dordrecht, dat deze hem naar Art. 13 zou emeriteeren. De classis echter verklaarde, dat hij naar Art. 12 tot een anderen staat des levens was overgegaan. Ds Vonkenberg appelleerde tegen dit besluit der classis bij de Particuliere Synode van Zuid-Holland, aangezien hij niet tot een anderen staat des levens wilde overgaan, maar alleen tijdelijk de Jongelingsvereenigingen als directeur dienen. En de synode besloot nu, na ingewonnen advies van de hoogleeraren in het kerkrecht, gezien, zijne nadere bedoeling „dat de kerk van Zwijndrecht aan Ds Vonkenberg volgens Art. 14 K.O. vergunnen zou tijdelijk zijn dienst te onderlaten”. De classis Dordrecht kwam nu tegen deze beslissing in hooger beroep

|43|

bij de Generale Synode van Utrecht, wijl zij meende dat deze in strijd was met „den geest en de bedoeling van Art. 14 K.O.” De synode verklaarde echter, dat in Art. 14 K.O. het woord „advies” moet verstaan worden als „bewilliging”, maar kwam aan het bezwaar der classis in zoover tegemoet, dat ingeval van tijdelijk ontslag naar Art. 14 K.O., om misbruik te voorkomen, zulk een verlof van langen duur niet worde gegeven zonder dat de classis haar goedkeuring daaraan heeft gehecht. Evenals in dit geval is het herhaaldelijk in onze kerken voorgekomen, dat eene ruimere opvatting dan van persoonlijke verongelijking aan dit deel van Art. 31 moet worden gehecht.

De Gereformeerden hebben hooger beroep altijd toegelaten. Natuurlijk niet van den kerkeraad op de gemeente, zooals de Independenten leeren, die de gemeentevergadering als souverein beschouwen, maar van den kerkeraad op de classis, en van de classis op de particuliere synode en van de particuliere synode op de Generale synode.

De synode van Delft (1618, Art. 59) gaf dit recht zelfs aan de Remonstranten. Zij benoemde deputaten om te onderzoeken in de classes en in de kerken, welke predikanten onwettig in den dienst waren gekomen, of in leer en leven zich onstichtelijk gedragen hadden, of die geweigerd hadden voor de synode te verschijnen. Den deputaten werd zulk een macht gegeven „alsof de synode zelf tegenwoordig was”, mits onder conditie, dat zij, die zich bezwaard achtten door de uitspraak der gedeputeerden, zich konden beroepen op de nationale synode.

De vraag is gedaan of het niet gewenscht is, de zaken van appèl te schiften, en voor bepaalde zaken alleen appèl toe te laten tot de particuliere synode en voor andere appèl toe te staan tot de Generale Synode, wijl de Generale Synode alleen om de drie jaren vergadert, en licht te veel met allerlei protesten zou kunnen worden beziggehouden. Doch deze schifting is niet wenschelijk, wijl het dan kon gebeuren, dat in de onderscheidene provincies verschillende rechtspraak zou gaan heerschen, en voorts wijl voor de bezwaarden het recht moet blijven open staan, hunne zaak voor de vergadering van alle kerken te bepleiten. Herhaaldelijk is het voorgekomen, dat iemand die door den kerkeraad, de classis en de particuliere synode in het ongelijk gesteld was, door de Generale Synode in het recht werd hersteld. Zoo appelleerde Jitske Gerbertsma te Oppenhuizen, die door den kerkeraad van Oppenhuizen was afgesneden, welke afsnijding door de classis Sneek en de particuliere synode van Friesland was bevestigd, op de Generale Synode van Middelburg (1896, Art. 120), met dat gevolg dat door de deputaten dezer synode haar zaak werd onderzocht, en bevonden werd, „dat er voor die censure en afsnijding geen grond te vinden was”, „waarna de afsnijding en censure met volkomen instemming van den kerkeraad

|44|

is opgeheven en zuster J. Gerbertsma weder in volle rechten als lidmaat is aangenomen” (Acta 1899, Art. 92).

Gelijkheid moet er zijn in het recht van appèl, maar ook gelijkheid om cassatie aan te vragen. Cassatie beteekent niet dat er een nieuw vonnis komt, maar dat het gevelde vonnis vernietigd wordt uit hoofde van formeele fouten bij het onderzoek of bij het vellen van een vonnis begaan. Blijkt dit het geval, dan gaat de rechtbank, die het vonnis casseert, de geheele zaak terugzenden naar de mindere rechtbank, met opdracht deze opnieuw te onderzoeken en een nieuw oordeel uit te spreken. In het kerkelijke handelt men eenigszins anders. De meerdere vergadering spreekt zoo noodig uit, dat de uitspraak onjuist was, geeft de gronden daarvoor aan, en verzoekt aan de mindere vergadering de zaak opnieuw in behandeling te nemen, terwijl zij in zulk een geval haar uitspraak gaat ondersteunen door deputaten, die bij de mindere vergadering het besluit der meerdere vergadering toelichten, en de mindere vergadering ondersteunen in de te nemen nieuwe beslissing.

Een vraag van gewicht is, of hangende het appèl, het besluit, waartegen geappelleerd is, mag uitgevoerd worden. Dit hangt er van af of de zaak van zeer ingrijpenden aard is of niet, of door het uitstel al of niet groote belangen zouden geschaad worden. Als de uitvoering van een besluit groote bezwaren of gevaren voor de kerk en voor het welzijn der gemeente met zich brengt, dan is het niet geraden het besluit uit te voeren. Maar omgekeerd, wanneer het niet uitvoeren van een besluit der kerk schade zou doen, dan is het niet geraden al te lang met het uitvoeren van een besluit te wachten.

Wanneer b.v. bezwaren ingebracht worden tegen de benoeming van ouderlingen en diakenen, of tegen de beroeping van een predikant, dan kan de bevestiging niet doorgaan, vóór de classis over het bezwaar een uitspraak heeft gedaan. Prof. Rutgers zegt hiervan 1): „Indien dan de classe de benoeming handhaaft, dan bepale zij tevens, dat de bevestiging kan doorgaan, ook al zou er appèl komen op de Provinciale en Generale Synode. Immers, altijd is aangenomen, dat één enkel gemeentelid door een klacht de zaak niet drie jaren kan ophouden, en dat dus de meerdere vergadering door haar besluit zulks voorkomen mag. Komt er dan appèl, en zou dan de synode de benoeming zelve toch van onwaarde verklaren, dan is de wettigheid van den alzoo opgetreden kerkeraad toch gedekt door het besluit der classe.” Een soortgelijk geval deed zich voor in 1644. De diakenen van Rotterdam beklaagden zich bij de synode van Den Haag, dat de kerkeraad van Rotterdam geweigerd heeft het getal ouderlingen uit te breiden, waarom de


1) Kerkel. Adviezen I. 172.

|45|

diakenen door den kerkeraad daartoe opgeroepen geweigerd hadden tot de nominatie mede te werken, omdat zij in het nemen van het besluit door den kerkeraad daarin hadden moeten erkend zijn. De synode wees hun bezwaar af, omdat de diakenen „eerst dan in diergelijke saken hebben te adviseren, wanneer sij van den kerckenraet daartoe geroepen worden.” En toen de diakenen hierop antwoordden, dat zij appelleerden op de nationale Synode, verklaarde de synode, dat dit stond „in haer believen, doch dat ondertusschen de resolutie deses Synodi sal stant grijpen, ende uytgevoert werden” (Art. 39).

Ook als een kerk bezwaard is door de uitspraak van een classis of synode, dan bezit deze kerk het recht van hooger beroep, maar zij mag zich niet willekeurig onttrekken aan het besluit der classis of der synode. Dan zou zij zich onttrekken aan de kerkelijke gemeenschap, of zoo een deel des kerkeraads zich niet zou willen voegen naar het besluit der meerdere vergadering, en het tegen den wensch van een ander deel des kerkeraads en der gemeente, dat zich daarover beklaagt bij de meerdere vergadering, zich verzette en dus revolutionair handelde, zou het vallen onder de tucht der meerdere vergaderingen. Ook hier dient de regel gehandhaafd te worden, dat eene kerk, evenals ook leden der gemeente, moet beginnen met zich te onderwerpen aan en te voegen naar het genomen besluit.

De meerdere vergadering kan later uitmaken of de bezwaarden goed hebben gezien of niet. Indien een andere weg gevolgd werd, zou een appellant het geheele kerkelijke leven kunnen doen stilstaan.

Mag een beklaagde gebruik maken voor de meerdere vergaderingen van eene hulp of een advocaat? De Gereformeerden hebben deze vraag bevestigend beantwoord. De beklaagde of bezwaarde mag van een hulp gebruik maken, mits deze een kerkelijk persoon zij. In sommige gevallen, als een persoon verlegen, zenuwachtig of slecht ter taal is, kan het zelfs gewenscht zijn hem de gelegenheid te geven zich te doen ondersteunen. De kerk moet er voor waken, dat recht en gerechtigheid gedaan wordt. Vroeger noemde men een persoon, die hielp, den mond of de hulp van den bezwaarde. De synode van Utrecht volgde den regel 1): „Ook mag iemand voor een classis en synode uit de classicale en synodale leden een mond voor zich verzoeken tot defensie van zijne zaak voor die classis en synode; of kan anders, bij verweigering eenen advocaat of anderen voorspraak medebrengen, om zijne zaak aldaar voor hem te defendeeren, gelijk alzoo tot bepleiting en verdediging van eene zaak voor die synodus een advocaat op authorisatie van den Ed. Hove verschenen is op de synode van 1716. En op dit gebeurde, ook bij vervolg,


1) Chr. de Kruyff, Utr. Syn. Handboekje, bl. 11.

|46|

mede een advocaat voor de classis van Utrecht is toegelaten, Aug. en Octob. 1731 § 6.” Op de synode van Harlingen (1617, art. 10) werd op de vraag: „oft men in kerckelycke saecken ende vergaderingen wel politique advocaten ofte notarissen mach gebruijcken” geantwoord: „ecclesiastica ecclesiastice, dat is, dat men kerckelijcke saecken op kerckelijcke wij se in aller eenvoudicheyt sal verhandelen. Wort niettemin toegelaeten dengenen, die haer woort selfs niet cunnen doen, een dienaer oft ander lidmaet daertoe te bewilligen.” In 1816 is deze regel afgeschaft, hetgeen wel eens ten gevolge had, dat de rechten van de leden der gemeente, of van een predikant werden verkort. In onze kerken komt het weinig voor, dat iemand als verdediger van de rechten van een per­soon optreedt, maar in bijzondere gevallen kan van dat recht gebruik ge­maakt worden. Het is echter te verstaan, dat de bezwaarde en zijn hulp zich moeten houden aan de regelen door de kerkelijke vergadering gesteld.

Wanneer moet het beroep geschieden? De synode van Dordrecht (1578, Part. vr. 4) bepaalde daarvoor een zekeren tijd, namelijk de helft van den tijd tusschen de vergadering, daar hij veroordeeld is, tot de naaste grootere vergadering daar zijn zaak zal behandeld worden. En zoo hij zich op den bestemden tijd niet beroept, zal het recht van beroep vervallen. Later stelden de kerken, in navolging van het gebruik bij de wereldlijke rechtbank, een bepaalden tijd, tien dagen, drie of zes weken. De Christelijk Gereformeerde Synode van 1877 stelde, dat hooger beroep moest geschieden „binnen veertien dagen na de uitspraak” eener kerkelijke vergadering (Art. 151). Nu is er zeer zeker orde in het kerkelijke leven noodig, maar het is toch niet wenschelijk zich al te zeer te binden aan een bepaalden tijd, wijl een kerkelijke vergadering behoort te waken voor de rechten der leden en het welzijn der kerken. Om die reden is de bepaling der synode van Dordrecht (1893, art. 185) beter: „Hooger beroep tegen eenige uitspraak eener kerkelijke vergadering moet vóór de eerstvolgende samenkomst der meerdere vergadering, waarop men zich beroept, geschieden met kennisgeving aan den scriba der vergadering, door wier besluit men zich bezwaard acht. Bij elke uitspraak moet hiervan (n.l. van die uitspraak) worden kennis gegeven aan belanghebbenden.” Evenals bij alle kerkelijke besluiten worde dus ook hier de regel gevolgd, dat van de beslissing afschrift wordt gegeven aan de betrokkene personen, opdat deze de uitspraak kunnen overwegen en desgewenscht hun bezwaar op de meerdere vergadering brengen. De bezwaarde is van zijn zijde gehouden zijne zaak wel omschreven en duidelijk bekend te maken, en de gronden hiervoor aan te geven, hetzij dat het besluit, dat hem bezwaart, onjuist is genomen, omdat de klager van oordeel is, dat de vergadering niet over genoegzame gegevens beschikte, of dat hij acht dat het in strijd is met Gods Woord of het kerkelijk recht.