|46|

[WO-1: B23 generale rechtspositieregeling en deputaten rechtspositie
B23.1 De synode benoemt generale deputaten voor de rechtspositie van de predikant.
B23.2 Op voorstel van deputaten stelt de synode de generale rechtspositieregeling voor predikanten vast en draagt zorg voor regelmatige actualisering daarvan.
B23.3 Bij toepassing van art. B13 tot B22 houden de kerkelijke vergaderingen zich aan de generale rechtspositieregeling.
B23.4 Bij toepassing van art. B19 tot B21 verleent de classis haar goedkeuring niet dan na consultatie van de deputaten.]

[WO-2: B23 generale regeling voor predikantszaken
B23.1 Op de rechtspositie en het levensonderhoud van de predikanten is naast de kerkorde de generale regeling voor predikantszaken van toepassing.
B23.2 Generale deputaten voor predikantszaken dragen zorg voor regelmatige actualisering van de generale regeling.
B23.3 In alle predikantszaken waarvoor de goedkeuring van de classis is vereist, ziet de classis toe op naleving van de generale regeling.]

B23 regeling van predikantszaken
B23.1 Op de ambtsdienst van de predikanten is behalve de kerkorde de generale regeling voor predikantszaken van toepassing.
B23.2 gereserveerd
B23.3 vervallen

Toelichting B23

1. In WO-2 was B23 al naar voren gehaald en geplaatst na B17. In WO-3 nemen wij B23 direct aan het begin van hoofdstuk B bij de algemene bepalingen op. Vanwege de algemene strekking is dit de logische plaats. Bovendien geldt zo voor alle volgende bepalingen de algemene verwijzing naar de generale regeling predikantszaken (GRP).

2. De tekst van B23.1 is vereenvoudigd: we formuleren nu in algemene termen dat de KO en de GRP van toepassing zijn op “de ambtsdienst van de predikanten”. Dit voorkomt een opsomming van zaken en/of besluiten in de KO. B23.1 is dus een belangrijke schakelbepaling. Bij de volgende artikelen over de ambtsdienst van de predikant dient telkens bedacht te worden dat de GRP ook van toepassing is, ook zonder herhaalde vermelding.

3. Er zijn diverse vragen gesteld rond de inhoud en strekking van de GRP als nieuw te concipiëren generale regeling. Wij willen enkele aspecten hiervan belichten.

4. Allereerst: de GRP heeft de functie om veel details m.b.t. de ambtsdienst, die anders in de KO zouden moeten worden opgenomen, gestructureerd onder te brengen in één regeling. Een ’nieuwe’ regeling betekent hier primair het samenbrengen onder één noemer van veel bestaande, maar verspreide besluiten. Uiteraard dient de GRP aan te sluiten bij de basisregels van de KO omtrent rechtspositie, levenstaak, levensonderhoud, e.d. van de predikant. Verder zal de GRP de nadere uitwerking bevatten van de kerkelijke maatregelen die jegens een predikant kunnen worden getroffen op basis van hoofdstuk B.

5. Vervolgens: de GRP is de plaats waarin de kerkrechtelijke uitvoeringsregels van de generale synoden samenkomen met de uitvoeringsregels van kerkelijke parallelverbanden, zoals SKW en VSE. Derhalve is afstemming gewenst en noodzakelijk, zoals ook eerder op GS-niveau is uitgesproken, om onderlinge tegenstrijdigheden te voorkomen. Dit ‘samenkomen’ van de uitvoeringsregels kan op verschillende manieren gestalte krijgen. Besluiten en regelingen van de generale 

|47|

synode zullen in principe in de GRP zelf staan. Uitvoeringsregels van kerkelijke parallelverbanden kunnen via schakelbepalingen in de GRP van toepassing worden verklaard. Dergelijke uitvoeringsregels kunnen ook, in onderling overleg, in de GRP geïncorporeerd worden. Het gaat er om dat een samenhangend, transparant en consistent geheel ontstaat. Ter verduidelijking enkele voorbeelden.

Voorbeeld 1: B17.1 in WO-3 bepaalt dat bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid van de predikant de desbetreffende verzuimvoorschriften in acht moeten worden genomen. Van dergelijke voorschriften was in het verleden überhaupt geen sprake. Via de regelingen van VSE zijn ze opgekomen. De GRP zou nu met één schakelbepaling kunnen bepalen dat het hier gaat om de verzuimvoorschriften van VSE c.q. de achterliggende verzekeraar, welke van toepassing zijn op de rechtspositie van de predikant.

Voorbeeld 2: B22.1 bepaalt dat de synode de emeritaatsleeftijd vast stelt. Dit besluit komt dan in de GRP. Maar in de GRP zou ook een regeling moeten staan dat VSE dezelfde emeritaatsleeftijd hanteert als de GS.
Let wel: het gaat hier puur om enkele voorbeelden om inzichtelijk te maken dat via de GRP afstemming kan en dient plaats te vinden.

6. Ten derde: de totstandkoming van een GRP betekent dan ook niet automatisch dat deputaten daarmee voorstellen dat de synode het monopolie over alle uitvoeringsregelingen volledig naar zich toe zou (moeten) trekken. De vrees die hieromtrent bij parallelverbanden als SKW en VSE lijkt te bestaan, is geen goede raadgever. De reactie van de besturen van SKW, VSE en predikantenvereniging om in het geheel geen GRP vast te stellen, is niet realistisch. Het is een zaak van overleg wie wat op welke wijze regelt. De GRP kan bijvoorbeeld, als gezegd, een of meer schakelbepalingen bevatten, waarin voor een deel van de rechtspositie wordt (door-)verwezen naar een andere regeling. 

7. Het woord “naast” in B23.1 roept in een reactie de vraag op of sprake is van nevenschikking aan de KO. De GRP biedt — net als de andere generale regelingen —een nadere uitwerking van de hoofdlijnen die in de KO staan. Wij vervangen “naast” door “behalve”. De woorden “behalve de kerkorde” kunnen niet vervallen, want dat zou weer tot de interpretatie kunnen leiden dat de genoemde onderwerpen alleen nog onder de GRP vallen en daarop niet meer de KO van toepassing is. 

8. Wij hebben in WO-3 de vermelding van generale deputaten predikantszaken in B23.2 alsnog achterwege gelaten. Enerzijds biedt E3.5 een kerkordelijke basis voor alle deputaatschappen, dus ook voor deputaten GRP. Anderzijds is het een zaak van verdere uitwerking, in samenhang met de totstandkoming van de GRP zelf, wat precies de positie en taakstelling van deputaten GRP zal zijn en hoe de samenwerking met de parallelverbanden op goede wijze wordt ingevuld. Wij hebben daarom B23.2 hiervoor gereserveerd.

9. B23.3 komt te vervallen. Wij menen bij nader inzien dat een permanente opdracht aan de classis tot preventief toezicht op predikantszaken niet goed past in de taakstelling van de meerdere vergaderingen en daarom ook niet zo zal functioneren. Voor veel besluiten m.b.t. predikantszaken is al de goedkeuring van de classis vereist. Zie de desbetreffende bepalingen hierna in hoofdstuk B. De classis heeft verder ook al een adviserende en toezichthoudende functie volgens E4.5. Dat is samen toereikend.