|23|

1 De bakermat van het predikantschap

1500-1560

 

Waar komt de dominee vandaan? De beantwoording van deze vraag voert ons terug naar de zestiende eeuw, de geschiedenis van de Reformatie. Daar verschijnt de predikant op het toneel, niet langer als geestelijke, drager van het gewijde priesterschap en behorend tot de clerus, maar als leek, dat wil zeggen als iemand die behoort tot de laos, het volk. Binnen het volk van God, zoals de kerk met verwijzing naar het volk Israël in het Nieuwe Testament genoemd wordt (1 Petrus 2, 9), werden sommigen aangewezen voor het verrichten van bepaalde diensten aan de gemeenschap, waaronder de dienst van de leiding. Zij werden hiertoe verkozen omdat de gemeenschap had ontdekt dat zij de voor deze taak benodigde gaven van God ontvangen hadden. Spoedig werden ze ambtsdragers genoemd.

Dit roept meteen de volgende vraag op: Waarom dragers van een ambt? Ook het begrip ambt, dat we hier voor het eerst gebruiken, vraagt enige toelichting. Met het woord ambt wordt namelijk nog niets inhoudelijks gezegd. Het heeft niets in zich dat het geschikt maakt voor kerkelijk gebruik. Etymologisch is het een samentrekking van ambacht, een woord dat uit het Keltisch in de Germaanse talen is binnengedrongen. Vanaf het begin van de veertiende eeuw wordt het aangetroffen in de betekenis van ‘bedrijf’. Het is dus een woord van gewone komaf en ziet op het beroep dat men uitoefent als timmerman, smid, schoenmaker of boer.

In de loop der tijd werd het ambt opgewaardeerd en stond het voor een ‘openbare betrekking’ waartoe men door de overheid of een andere gezagsinstantie werd geroepen. Het werd voorzien van bijvoeglijke naamwoorden als openbaar ambt of heilig ambt, zodat het geschikt werd voor gebruik in dienst van de overheid en in dienst van de kerk. Woorden die later vanuit het Grieks of Latijn met ambt werden vertaald hebben dan ook het karakter van dienst in en aan de gemeenschap, de gemeente of het volk.

Binnen een standenmaatschappij werd het ambt vervolgens verbonden met een bepaalde, in dit geval deftige, stand. In de kerk kreeg het woord al spoedig een gewijde klank, waardoor men ging spreken van een geestelijke stand. Het ambt van predikant begon clericale trekken te krijgen. Daardoor

|24|

zou men de verworteling van het ambt in het algemeen priesterschap van het volk Gods, waarnaar de genoemde tekst uit Petrus eveneens verwijst, kunnen vergeten. Maar juist op dit punt zette de Reformatie in. De gedachte van het algemeen priesterschap was voor haar onopgeefbaar.

 

Het algemeen priesterschap (Luther, Melanchton)

Voor Maarten Luther (1483-1546) was het ambt geworteld in het algemeen priesterschap. Wie door de doop is heengegaan, mag zich erop beroemen dat hij al tot priester, bisschop en zelfs tot paus gewijd is, schrijft hij uitdagend in één van zijn vroege geschriften, gericht aan de christelijke adel (1520). Ieder christen kan voorbestemd zijn om tot het ambt geroepen te worden. Of dit er ook werkelijk van komt hangt uiteraard af van de wens van de betrokkene en de roeping door de gemeente. Het is net als bij wereldlijke ambtsdragers. Men kan geroepen worden om voor een tijdje zijn gewone werk te onderbreken en deze dienst op zich te nemen. Zij die een ander daartoe roepen, zien daarmee zelf af van het openlijk uitoefenen van het ambt. Hiermee trad de roeping door de gemeente dus in de plaats van de sacramentele wijding. De legitimatie vanuit de gemeenschap vormde de basis voor de uitoefening van het ambt.

Hier lijkt het me van belang te constateren dat het algemeen priesterschap niet de plaats inneemt van het ambt en evenmin daarmee in concurrentie staat. Het ‘allen zijn priesters’ doet met andere woorden niets af aan de noodzaak van zoiets als ‘ambt’. Het algemeen priesterschap vormt hiervoor eerder de basis. Luthers beroep op het algemeen priesterschap moet vooral gezien worden als een protest tegen het heilsbemiddelende priesterschap. Hij verwijst in dit verband naar de genoemde tekst uit Petrus over de gemeente als ‘een koninklijk priesterschap’ en naar een liedtekst uit het boek Openbaring (5, 10), het visioen dat gelovigen als priesters en koningen zullen heersen op aarde.

Voor Luther was het priesterschap ‘dienst aan het Woord’. Deze dienst kan, zo schrijft hij in de Schmalkaldische Artikelen (1536), heel verschillende vormen aannemen. Tot de priesterlijke plichten van de gelovigen rekent hij: het Woord leren en prediken, dopen, avondmaal houden, onderlinge vermaning en vertroosting, offeren, voor anderen bidden, oordelen en beslissen over de leer. Dit zijn de zeven officia of plichten die behoren tot het algemeen priesterschap en voor een deel door hiervoor aangewezen ambtsdragers worden waargenomen.

Het ambt, dat opkomt uit het algemeen priesterschap, krijgt hierdoor bij Luther een sterk functioneel karakter, heeft I. Karle onlangs nog eens

|25|

aangetoond. Zo spreekt ook Luthers medewerker Philipp Melanchton (1497-1560) erover in de Augsburgse Confessie (1530). God gebruikt de verkondiging van het Evangelie via Woord en Sacrament als middel om het geloof in de harten van de mensen ingang te doen vinden. Het ‘ambt’ van predikant is dus niet anders dan een ‘Spezialfall des Predigtamtes’ dat aan de gemeente is toevertrouwd. Want alle priesters samen dragen de zorg voor het Woord. Het gaat hier, zo kan men zeggen, om een vorm van professionele delegatie. Je moet er verstand van hebben en roeping voor voelen. Als iedereen hardop profeteert wordt het een rommeltje, merkte Luther nuchter op. Je moet dit goed regelen, want anders staat de gemeente bloot aan schreeuwers, ijdeltuiten en geestdrijvers. Kort gezegd komt het volgens Karle hierop neer: alle christenen zijn priester maar niet allen zijn predikant.

De kerk kent algemene dienstplicht, aldus E. Thurneysen, de bekende pastoraaltheoloog die in deze traditie stond en in de vorige eeuw de gedachte van het algemeen priesterschap met overtuiging vertolkt heeft. Hij bediende zich daarbij graag van militaire termen. Als lid van het lichaam van Christus kan iedere gelovige geroepen worden pastor te zijn voor anderen. Ieder staat in hetzelfde gelid. Wie zich geroepen voelt moet zelf de stap zetten en ‘aus der Reihe treten’.

Men kan zich afvragen waarom de reformatie van Luther geen grotere invloed in Nederland heeft gekregen. Dit hangt hiermee samen dat Luther geen richtlijnen gaf voor het opbouwen van een kerkelijke organisatie maar dit overliet aan de overheid. Hij ging in zijn gehoorzaamheid aan de overheid tot het uiterste, aldus de kerkhistoricus O. de Jong. Daardoor werd de groei van het lutheranisme sterk afhankelijk van de vraag of de vorst in een bepaald gebied de zijde van de Reformatie koos. Hier gold het ‘cuius regio, eius religio’ (wiens rijk, diens godsdienst). In Nederland zou die keuze, zoals we nog zullen zien, anders uitvallen.

 

Charisma en ambt (Bucer)

Luther is nooit tot een uitgewerkte ambtstheologie gekomen. Dat ligt anders bij Martin Bucer (1491-1551), de bekende reformator uit Straatsburg die, zoals Van ’t Spijker heeft aangetoond, het algemeen priesterschap theologische heeft uitgewerkt tot het fundament van heel zijn ambtstheologie. Hij legt hierin grote nadruk op het werk van de Heilige Geest. Het unieke priesterschap van Christus laat geen enkele plaats voor menselijke heilsbemiddeling. Lezing van het hogepriesterlijk gebed (Johannes 17) leert dat alle gelovigen in Christus met de Vader verbonden zijn. Voor dit deelhebben aan Christus en al zijn gaven is de zalving met de Heilige Geest beslissend.

|26|

Dat maakt de christen onafhankelijk van het kerkelijk leergezag. Het geeft aan het algemeen priesterschap een pneumatologisch accent. Gelovigen zijn begiftigd met de gaven van de Geest, die hen vernieuwt en onderwijst. Dit algemeen priesterschap functioneert binnen de gemeente als lichaam. Het heeft een gemeenschapsvormende kracht. Bucer was een man van gemeenteopbouw. De gemeente was voor hem een mondige gemeente. Door de volmacht van de Geest zijn gelovigen bevoegd over alles te oordelen. Allen mogen profeteren (Handelingen 2, 17). De gemeente zelf beroept en stelt mensen aan. Zij heeft hiervoor voldoende onderscheidingsvermogen. Zij gaat ook over de onderlinge tucht en voor de biecht kan men bij ieder vroom en verstandig mens terecht. Daar hoeft geen priester aan te pas te komen. Men proeft hierin een gelovige zelfbewustheid en een allergie voor elke vorm van kerkelijke hiërarchie.

Sprekend over het ambt koos Bucer zijn uitgangspunt in de charismata, gaven van Christus aan de gemeente. Dat geldt in het bijzonder van hen die door de gemeente geroepen worden het Woord Gods te verkondigen. Het ‘tegenover’ van het Woord geeft hun een speciale positie. Niemand mag immers preken zonder gezonden te zijn (Romeinen 10, 15). Dat vraagt studie van het hebreeuws, grieks en latijn. Het is een zending waar je wat voor over moet hebben. ‘God heeft geen luie buiken geroepen, die slechts geboren worden om vruchten te consumeren en nalaten vruchtbaar te zijn voor de kerk, terwijl zij intussen wel vetgemest worden door de kerk en door de moeitevolle arbeid van anderen’. Dit was gangbaar spraakgebruik in die tijd. Predikanten moeten in hun werk dus kritisch gevolgd worden! Maar het ambt is niet alleen een functie van het algemeen priesterschap, het berust ook op goddelijke roeping en bekwaammaking. Het vraagt echter geen bijzondere wijding. De functies die aan het ambt worden toegeschreven, gelden in principe voor alle gelovigen. Toch maakt dit het ambt of ministerium (dienst) niet overbodig.

Bucer, die als eerste een pastoraaltheologie schreef (1538), nog recent vertaald in het Nederlands (Over de ware zielzorger), heeft mee de basis gelegd voor de ambtstheologie van Calvijn. Hij bracht al een differentiatie binnen het ambt aan, met afzonderlijke aandacht voor de zielzorg en de diaconale zorg. Daarbij deed hij op geen enkele wijze iets af aan de gelijkwaardigheid van de ambten. Iedere gelovige heeft een charisma, niemand is hoger of waardiger dan een ander. Dat Bucer het ambt verstond als pastorale dienst blijkt ook hieruit dat hij in zijn hiervoor genoemde boek de herderlijke zorg in aansluiting bij Ezechiël 34 heeft ingedeeld naar verschillende soorten schapen: verloren schapen, verjaagde schapen, zieke en gewonde schapen, zwakke schapen. Ook de zwarte schapen ontbreken niet! In de herderlijke zorg van de gemeente verdient elke groep een eigen toegespitste aandacht.

|27|

In de belijdenisgeschriften van de Calvinistische kerken in Nederland komen we eveneens elementen tegen die naar zoiets als het algemeen priesterschap verwijzen. Ik denk hier aan artikel 28 van De Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daarin wordt gesproken over ‘de opbouwing der broederen, naar de gaven die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams’. Het is ‘het ambt der gelovigen’ zich bij deze gemeenschap te voegen. Ambt betekent hier eenvoudig ‘schuldige plicht’. Ook dit ambt der gelovigen staat dus niet in een concurrentiepositie ten opzichte van het bijzondere ambt. Anders dan bij Luther ligt hier zelfs geen enkele relatie. Volgens antwoord 32 van de Heidelbergse Catechismus heeft ieder christen deel aan de zalving van Christus, waardoor hij zelf een dankoffer wordt en met een goed geweten in het leven staat. Het drievoudig ambt van Christus (munus triplex) wordt niet verbonden met het ambt maar met het leven van ieder christen. Men kan hier ook denken aan antwoord 55 van dezelfde catechismus, waar gesproken wordt over de gemeenschap der heiligen. Deze houdt in ‘dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden’. Ook hieruit blijkt dat de kerken van de Reformatie een centrale plaats toekenden aan het gewone gemeentelid bij de opbouw van de geloofsgemeenschap. Niet het ambt, maar de gemeente vormt de basis van de kerk, die hier vooral verschijnt in de gestalte van de plaatselijke gemeente. Dit versterkt onze nieuwsgierige vraag: Vanwaar de dominee?

 

Herder, profeet en bisschop (Zwingli, Bullinger)

Op weg van Straatsburg naar Genève passeren we Zürich waar Huldrych Zwingli (1484-1531) en Heinrich Bullinger (1505-1575) de Reformatie hebben ingezet. Zwingli ging een eigen weg. Door kennismaking met Erasmus en het Humanisme kwam hiij tot zelfstandige lezing van de Schrift in de grondtalen. Daarnaast was hij ook sterk beïnvloed door geschriften van Luther, voor wie hij grote waardering had. In een preek over De herder uit 1523 tekende hij zijn ideaalbeeld van de predikant. In 1531 verklaarden de katholieke kantons de oorlog aan Zürich. Zwingli reisde met de troepen mee en verloor het leven in de slag bij Kappel.

Bullinger volgde hem op. Deze had op school gezeten bij de Broeders des gemenen levens in Emmerich, de huidige grensplaats tussen Duitsland en Nederland. Tijdens zijn verdere studie in Keulen werd hij door bestudering van het werk van Luther en Melanchton gewonnen voor de Reformatie. In die geest doceerde hij vanaf 1523 in het Cisterciënzer klooster van Kappel. Hij raakte bevriend met Zwingli en nam in 1531 dienst werk in

|28|

Zürich over. Ook was hij de opsteller van de tweede Helvetische Confessie (1566). Daarin staan de bekende woorden: Praedicatio verbi Dei est verbum Dei (de prediking van het Woord van God is zelf Woord van God). Deze woorden zijn in de traditie van de Reformatie uitgegroeid tot de klassieke definitie van wat een preek is. Ze laten zien hoe heil — prediking — geloof ten nauwste op elkaar betrokken zijn. Hier krijgt het Woord een bijna sacramentele betekenis en de predikant een hoge priesterlijke waarde. Het Woord wordt sacrament. Dat kon ook, want het omgekeerde was niet minder waar. De Reformatie zag het sacrament als een gestalte van het Woord.

Deze inzet bij de prediking wil natuurlijk niet zeggen dat er in de eeuwen voor de Reformatie niet gepreekt werd. Vanaf Pinksteren (Handelingen 2) is het Woord verkondigd, gelegen of ongelegen. Al bij Augustinus heeft het Woord een sacramenteel karakter. Maar door de grote nadruk op het offer van de mis raakte de prediking later in verval. In de Middeleeuwen ontstond echter een zelfstandige preekdienst, de pronaus, die voorafging aan de mis. Pronaus komt van ‘pro naos’, voor de tempel, dat wil zeggen op het kerkplein. Wie middeleeuwse kerken in Italië bezoekt wordt getroffen door prachtige gebeeldhouwde preekstoelen, zoals in Pistoia en Pisa van de hand van Nicola en Giovanni Pisano. Ook treft men daar, bijvoorbeeld in Prato en Perugia, fraaie buitenpreekstoelen aan, opgenomen in de voorgevel van de kathedraal. Daar omheen verzamelde zich de menigte onder het gehoor van rondtrekkende predikers, bedelmonniken, letterlijk dus op het kerkplein. Prediking is vanouds niet allereerst een binnenkerkelijk maar een publiek gebeuren voor ieder die het horen wil. Daarin spreekt God zelf door het woord van de prediker. Zo werkt de Geest in de harten van mensen. Bij deze traditie sloot de Reformatie aan. Daarom is het ambt bij Luther, zoals we zagen, predikambt.

Na deze uitwijding, naar aanleiding van de prediking bij Bullinger, terug naar het ambt bij Zwingli. In zijn preek over de herder stelde hij de prediking van het Woord centraal. Hij benadrukte het priesterschap van de gelovigen, maar zag toch ook een belangrijke taak weggelegd voor de ambtsdrager. Zijn inzichten werkte hij in 1525 uit in een apart werk Von dem Predigtamt. Daarin legde hij op grond van het Nieuwe Testament (Efeze 4, 11-14; 1 Corinthe 14, 26-33) de nadruk op het ene ambt van profeet, ook wel evangelist, bisschop (episkopos) of herder genoemd. Het was de taak van de profeten de Schrift te verklaren in de samenkomsten van de gemeente. Aanvankelijk zag hij dit als een recht van alle mannelijke gemeenteleden. Maar omdat kennis van de grondtalen vereist is beperkte hij het in dit boek tot een professionele taak van enkelen, maar de leden mochten hierover in de samenkomsten hun oordeel uitspreken. Ook dat laatste heette profetie.

|29|

Duidelijk onderkende hij het gevaar van verzelfstandiging van het ambt. Daarom was verkiezing door heel de gemeente voorwaarde voor aanstelling van een predikant. In dit verband had hij ook oog voor het bovenplaatselijke ambt, dat van bisschop. Elke vorm van hiërarchie wees hij af, aldus M. Hauser in zijn studie over het ambt bij Zwingli, maar de kerk kende ook ambtsdragers zoals hij zelf, wier werk een bredere regionale betekenis kreeg. Enerzijds had hij oog voor de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, anderzijds ook voor het kerkverband.

Bullinger werkte deze gedachten verder uit in het genoemde belijdenisgeschrift. Deze confessie spreekt van ‘seniores’ onder de pastores, die ook bisschop kunnen heten. Dat ziet dus op een bredere verantwoordelijkheid, niet op een hiërarchische ordening. Verder werd onderscheid gemaakt tussen het priesterschap der gelovigen (sacerdotium) en de dienst van de regering der kerk door de bediening van het Woord (ministerium). Het laatste was de taak van de profeten. Zij waren geroepen de geheimen van God uit te delen (1 Corinthe 4, 1).

Hoe de ideeën van Zwingli en Bullinger in de praktijk hebben uitgewerkt blijft in veel opzichten onduidelijk. Ze waren in hun tijd nog niet toe aan een kerkelijk organisatiemodel.

 

De predikant als dienaar van het Woord (Calvijn)

De komst van de predikant is vooral te danken aan Calvijn. Hij koos voor een heel andere inzet. In zijn hoofdwerk, de Institutie (IV, 3) heeft hij zijn visie op het ambt uiteengezet. Zijn principiële uitgangspunt is dat Jezus Christus zijn gemeente op aarde regeert door zijn Woord en Geest en dat hij hierbij plaatsvervangend gebruik maakt van de dienst van mensen. ‘Door hun mond’ volbrengt hij zijn eigen werk. Wat opvalt is de functionele wijze waarop Calvijn hierover spreekt. Hij vergelijkt het ambt met gereedschap, als instrument in de hand van de Heer. Christus zou zijn kerk ook heel anders kunnen leiden, maar hij doet dit ‘liever door de dienst van mensen’. Het gaat erom dat het Woord gepredikt wordt. Daarmee verschijnt de dominee op het toneel als ‘dienaar van het Woord’, dat wil zeggen predikant.

Calvijn spreekt hier heel bescheiden over als ‘een of ander mensje uit het stof opgerezen om in de naam Gods te spreken’. Het gezag van het ambt is voor hem geen ander gezag dan het gezag van het Woord. De hemelse wijsheid ligt verborgen in ‘zwakke aarden vaten’ (vgl. 2 Corinthe 4, 7). De gemeente laat zich volgens hem gaarne onderwijzen door haar Dienaar, ‘hoewel deze in geen enkel opzicht boven ons uitsteekt’. Hij vormt de verbindende factor

|30|

in de gemeente. Zich aansluitend bij Efeze 4, 11, spreekt Calvijn bij voorkeur van ‘herder en leraar’. Het beeld van de gemeente als lichaam van Christus, dat Paulus hier en elders gebruikt, staat bij hem centraal en deze dienst noemt hij ‘de voornaamste zenuw’, waardoor de gelovigen binnen één lichaam verbonden worden.

In zijn analyse van de Institutie merkt C. Graafland op dat Calvijn geen definitie geeft van wat hij onder ambt verstaat. Het woord ambt betekent op zich niets. Het komt in de bijbel zelfs niet voor. Ambt is eenvoudig taakvervulling en heeft een dienend karakter, plaatsvervangend voor anderen. Ook hierbij legt hij de nadruk op het functionele karakter van het ambt. Tot in zijn woordkeus toe. Calvijn gebruikt de latijnse woorden ministerium (dienst), instrumentum (gereedschap, officium (dienst), munus (taak) en functio (functie). Het zijn allemaal woorden die het operationele karakter van het ambt benadrukken. Het ambt bezit geen eigen waardigheid. Een opgetuigde ambtstheologie, waardoor ambtsdragers boven de gemeente uitsteken, zoals hij dat noemt, is hem vreemd. De angst voor hiërarchie zit er blijkbaar diep in!

Verder moet gelet worden op de ‘hermeneutische sleutel’ die Calvijn gebruikt om zijn ambtsvisie uit te werken. In Efeze 4, waar hij zich hier naast 1 Corinthe 12 op beroept, worden namelijk meer ‘ambten’ genoemd. Calvijn betoogt dat onderscheid gemaakt moet worden tussen tijdelijke ambten, die golden voor de begintijd van de kerk en blijvende ambten. Vervolgens komt hij tot de selectie van drie ambten, die van predikant, ouderling en diaken, die hij eerder aantrof bij Bucer in Straatsburg. Hij beseft zelf ook wel dat het hier gaat om een bepaalde interpretatie van schriftgegevens en gaat daar heel vrijmoedig mee om. Niet alleen de bijbel is normerend, ook de actuele situatie speelt hier een belangrijke rol. Calvijn merkt op dat zijn keuze mee bepaald wordt door wat hij noemt ‘de noodzakelijkheid der tijden’ en ‘de ervaring zelf’. Actuele noodzakelijkheid en eigen ervaring spreken dus een duchtig woordje mee! Dat geeft aan zijn ambtsvisie een grote mate van flexibiliteit. Het mag niet uitgesloten worden dat in een andere tijd zich een andere noodzaak aandient. Zo zou men zich bijvoorbeeld kunnen afvragen of in een tijd van secularisatie het ambt van evangelist, dat ook in Efeze 4 genoemd wordt, geen herwaardering verdient.

Naast de ‘dienst van het Woord’ zijn ‘de regering en de verzorging der armen’ de beide andere diensten die ambtelijke ondersteuning vergen. Dat is een keuze voor het organisatorische of functionele boven het charismatische principe. Het ambt van profeet valt hiermee af. Verder hecht Calvijn eraan de eenheid van het ambt te benadrukken. Centraal staat bij hem de dienst van het Woord. Ouderlingen worden evenals predikanten opzieners genoemd. Zij hebben toe te zien op de bediening van het Woord. De ‘regering’

|31|

is dus niets anders dan de zorg voor de handhaving van het Woord, ook wanneer deze tot uitdrukking komt in een vorm van tuchtoefening, zoals in Genève het geval was. Omdat rechtvaardiging en heiliging voor Calvijn één zijn, moesten ouderlingen nagaan of het zaad van de prediking ook vruchten draagt, aldus Plomp. Dat is de kern van tuchtoefening. Dit principiële gezichtspunt valt overigens moeilijk te rijmen met de zeer omstreden juridische tuchtpraktijk, die hieruit is voortgekomen. Diakenen zijn zij die het Woord met daden van barmhartigheid in praktijk brengen. Graafland spreekt hier van een zekere ambivalentie bij Calvijn, doordat hij enerzijds het ene ambt benadrukt, maar daarnaast kiest voor een zekere spreiding over meerdere ambten. Het onderscheid tussen de opziener en de ouderling, tussen de dienst van het evangelie en het regeren van de gemeente, blijft onduidelijk.

Op verschillende plaatsen lezen we dat Calvijn in heel zijn denken over kerk en ambt aansluiting zoekt bij wat de Schrift leert en bij de praktijk van de vroege kerk. Hij is echter van mening dat het gegroeide heilsbemiddelende priesterschap een ontaarding is van het ambt. Wel hecht hij aan de ceremonie van de handoplegging bij de ordinatie, die hij een goede gewoonte noemt en ziet als een vorm van toewijding aan de dienst van God. ‘Hoe het ook zij, dit was de gewone ceremonie, telkens als ze iemand tot de kerkelijke bediening riepen. Zo plachten zij de herders en leraars, zo ook de diakenen te wijden.’ Ouderlingen worden hierbij niet genoemd. Deze plechtigheid onderstreept voor het volk de waardigheid van de bediening, meent Calvijn, maar men mag er geen sacramentele betekenis aan toekennen.

In ieder geval is duidelijk dat we in de Institutie te maken hebben met een betrekkelijk open ambtsconceptie. Calvijn zette een model neer dat ook volgens hemzelf voor correctie vatbaar is.

 

Discussie

Het is niet vreemd dat in onze tijd, waarin zowel het ambt als de kerk in een crisis verkeren, de ambtstheologie van Calvijn opnieuw de aandacht trekt. Daarbij interpreteert de één Calvijn in laagkerkelijke termen, de ander gaat juist op zoek naar episcopale trekjes of benadrukt dat de predikant toch een treetje hoger staat dan de andere ambtsdragers. Alle ambten zijn gelijk, maar het ene is meer gelijk dan het andere!

Ik geef een recent voorbeeld van tegenspraak, of zo men wil verschil van interpretatie. Zo wijst Den Dulk, kerkelijk hoogleraar te Leiden, op het gevaar dat het ambt via Calvijn toch weer kan uitgroeien tot een ‘tussending’

|32|

tussen God en de gemeente. ‘Het is meer dan de menselijke persoon, het wordt waarachtig een weinig onder de engelen gesteld’, spot hij. Die plaats komt alleen toe aan het Woord. Spreken over het ambt als Christusrepresentatie is in de woorden van Den Dulk niet minder dan een ‘verzoeking. Het ambt wordt dan een rechtstreeks machtsmiddel in de hand van God. Vergeten wordt dan dat de Geest aan heel de gemeente gegeven is. Margriet Gosker daarentegen acht het begrip representatie in de zin van plaatsbekleding verdedigbaar. Ambtsdragers kunnen gezien worden als representanten van God en tevens als representanten van de gemeente.

E. van der Borght benadrukt in zijn dissertatie nog sterker de zelfstandige positie van de predikant, die als dienaar van het Woord Christus vertegenwoordigt bij de gemeente. Daarom moet volgens hem het ministerium, de bediening van het Woord waartoe een bijzondere roeping en ordinatie nodig is, worden onderscheiden van het sacerdotium, het priesterschap van alle gelovigen, dat in de gereformeerde ambtstheologie nauwelijks een rol heeft gespeeld. Vanuit een christologische interpretatie van het ambt is de herder, anders dan we zagen bij Bucer, voor hem niet de vertegenwoordiger van de geloofsgemeenschap. Van der Borght wijst erop dat de twee basisambten, herder/presbyter/dienaar van het Woord en diaken aansluiten bij de beide wijdingsambten van de vroege kerk. Het ambt van doctor (dat is de leraar in onderscheid van de herder) en van ouderling groeien volgens hem niet uit boven het niveau van hulpambten.

Het mag duidelijk zijn dat de genoemde auteurs er verschillende kerkvisies op nahouden. De eerste argumenteert van onderop, vanuit het perspectief van gemeenteopbouw. De beide anderen zoeken vooral aansluiting bij de oecumenische discussie over het Lima-rapport, dat onmiskenbaar episcopale trekken vertoont. Ieder interpreteert Calvijn dus mede vanuit haar of zijn eigen theologisch referentiekader en ecclesiologisch belang. Anders gezegd, met de woorden van Calvijn, de ervaring van de noodzaak van de tijd is niet bij iedereen dezelfde.

Deze kwestie zal ons ook in het vervolg nog bezig houden. Op deze plaats volsta ik met een voorlopige constatering. Wanneer het begrip ambt organisatorisch verzelfstandigd wordt ten opzichte van de inhoudelijke dienst aan het Woord en verdeeld wordt over verschillende kerkelijke functies, staat het open voor allerlei invloeden die bewerken dat het uitgroeit tot een kerkelijke machtsfactor van betekenis. De nieuwe christologische inzet bij Calvijn kan de kerk blijkbaar op een spoor zetten dat steeds verder afvoert van het algemeen priesterschap, dat we als een belangrijke theologische notie aantroffen bij Luther en Bucer.

|33|

‘De noodzakelijkheid der tijden’

Hier moet ter verklaring van de voorafgaande paragrafen een stukje kerkgeschiedenis in samenhang met de politieke geschiedenis worden ingelast. Kerk en staat vielen in die tijd namelijk voor een belangrijk deel samen. Binnen dit theocratische model had Calvijn in Genève naast predikanten zowel ouderlingen als diakenen nodig. De ouderlingen waren gegoede burgers, aanvankelijk zowel gemeenteraadslid als kerkenraadslid. De kerkenraad of het consistorie was zoveel als een adviescommissie van de Raad van de stad. De ouderlingen werden belast met de kerkelijke rechtspraak, waaronder ook zedenzaken vielen die bij ons onder de burgerlijke rechter zouden vallen. Alleen de Raad kon straffen opleggen.

Verder was het sociale terrein helemaal aan de kerk toevertrouwd, zowel de armenzorg als de ziekenverpleging. Mede daarom maakte Calvijn op grond van Romeinen 12, 8: ‘wie mededeelt in eenvoud, wie barmhartigheid bewijst in blijmoedigheid’, onderscheid tussen twee soorten diakenen. Het eerste ‘wie’ slaat volgens hem op de armenzorg in de vorm van financieel beheer, het tweede ‘wie’ op de persoonlijke zorg voor armen en zieken. Dat is theologie achteraf en Calvijn was zich hiervan bewust. Daarom maakte hij bij deze uitleg, zoals hij ook op andere plaatsten doet, een hermeneutisch voorbehoud: ‘indien mijn oordeel me niet bedriegt’. Waar Calvijn spreekt van ‘de noodzakelijkheid der tijden’, zouden wij zeggen dat hij gevoel had voor contextualiteit. Hij moest zijn ideeën realiseren onder uiterst moeilijke omstandigheden.

Johannes Calvijn (1509-1564), geboren in het Noord-Franse Noyon, stamde uit een kritisch katholiek gezin en studeerde in Parijs. Omstreeks zijn vierentwintigste jaar had ‘zijn plotselinge bekering tot gehoorzaamheid’ (Beza) plaats en in 1536 verscheen onder pseudoniem de eerste editie van zijn beroemde Institutie of Onderwijzing in de Christelijke Godsdienst, bedoeld als catechetisch leerboek. Hij was toen 26 jaar oud. De veel latere editie uit 1559, die ik hiervoor gebruikte, werd het standaardwerk van de gereformeerde dogmatiek. In 1536 kwam hij min of meer bij toeval in Genève terecht, waar Farel hem bezwoer te blijven. Genève was een der ‘vrije’ steden, waar adel en clerus hun overheersende positie verloren hadden en de gegoede burgerij de macht had overgenomen. Calvijns eerste verblijf daar duurde van 1536-1538. Als een toen nog onbekende Fransman trad hij in de St. Pierre op als lector van de Heilige Schrift. In 1537 begon de Reformatie in die stad. In dat jaar werden de Artikelen over de regering der Kerk, door Farel namens alle predikanten aangeboden, door de Raad vastgesteld. De wijze waarop Farel en Calvijn de reformatie doorzetten riep spoedig verzet op. Calvijn moest de stad verlaten. Daarop riep Bucer hem naar

|34|

Straatsburg, waar hij van 1538-1541 predikant was van de kleine vluchtelingengemeente die zich daar gevormd had.

Sinds 1524 werd Straatsburg in betrekkelijk korte tijd een protestantse stad. Vanaf dat jaar was Bucer hier werkzaam. Deze zag, zoals we hiervoor al opmerkten, de kerk niet alleen als een heilsinstituut, maar geleidelijk aan ook als een gemeenschap van gelovigen, waarbinnen de leden elkaar moeten liefhebben en dienen. In 1531 werd hier het ambt van ‘Kirchenpfleger’, een figuur die voor het eerst in 1150 in Venetië opdook en daarna verspreid over heel Europa voorkwam, in ere hersteld. Dit lekenambt ontleende zijn gezag niet aan de kerk maar aan de overheid, door wie men ook benoemd werd. Zij fungeerden als orgaan van ‘tucht’, via het opzicht over de gemeente en ook over de predikanten.

Bucer kwam tot een nadere uitsplitsing in drie ambten, die van opziener, presbyter en diaken. Hij ging uit van de eenheid der ambten. De opziener of episkopos staat volgens hem niet boven de presbyters, ook niet wanneer men het Griekse woord met bisschop vertaalt. In dat geval valt dit ambt samen met dat van superintendent, toezichthouder. Deze trad op als voorzitter van het college van ambtsdragers, een functie waarin Bucer ook zelf benoemd werd. Tussen de episkopos en de andere presbyters zag hij alleen een functioneel onderscheid. Er zijn twee soorten presbyters, namelijk leer- en regeerouderlingen. Diakenen worden ook wel als derde soort presbyters aangeduid. Sommige presbyters werken in de prediking, andere in de tucht. Er is sprake van collegialiteit op basis van pariteit tussen alle dienaren binnen het ministerium. Zo vinden we hier de grondtrekken van de latere calvinistische ambtsleer. Bucer streefde ernaar de kerkenraad minder afhankelijk te maken van de raad van de stad.

Toen de politieke spanningen in Genève hoog opliepen, ging Calvijn in 1541 na grote aandrang naar deze stad terug, waar hij tot zijn dood in 1564 gewerkt heeft. Reeds in 1541 werden zijn Kerkelijke ordinanties door de Raad der stad aanvaard. Hierin werd uitgegaan van vier ambten: predikanten, leraren (doctores), ouderlingen en diakenen. Overigens, aldus H.A. Speelman, dacht Calvijn hierbij meer in termen van functies dan van ambten. De eerste twee functies waren in de reformatorische wereld toen al vertrouwde beroepskrachten, de laatste twee waren nieuw als kerkelijke functies voor leken. Toen Calvijn deze functies in Genève introduceerde had hij ze nog niet systematisch doordacht. Dat gebeurde pas in de latere drukken van de Institutie, toen hij zelf over praktijkervaring beschikte.

De predikant was in dienst van de overheid, maar was betrekkelijk vrij in zijn prediking. Voor de tucht was de vergadering van ouderlingen en predikanten, de kerkenraad (consistorie) onder voorzitterschap van een der burgemeesters, als eerste verantwoordelijk. Bij ernstige vergrijpen kwam,

|35|

na uitsluiting van het avondmaal, de overheid er strafrechtelijk aan te pas. Omdat de kerkenraad mensen niet kon dwingen, werd deze hierin bijgestaan door een gerechtsdienaar of politieagent. Volgens Speelman lag de beslissingsbevoegdheid inzake tuchtmaatregelen bij de ouderlingen, in de kerkorde aangeduid als ‘commissarissen’ en ‘deputaten’, en niet bij de predikanten. Zij waren de vertegenwoordigers van de stadsraad binnen de kerkenraad.

Predikanten hadden geen juridische bevoegdheid. Vaak waren het uitgeweken Franse vluchtelingen, die als vreemdelingen werden beschouwd. Speelman sluit zich aan bij het oordeel van Kingdon over de positie van de predikanten: ‘Het zijn dienaren van de burgerlijke overheid zonder enige macht, zonder burgerschap en een enigszins veilige juridische status, zonder eigendom of financiële bronnen, zonder enige militaire macht. Al deze middelen van de geestelijke stand van de Rooms-Katholieke kerk zijn onherstelbaar verloren gegaan.’ Zij waren betaalde krachten in dienst van de overheid, zonder regeringsverantwoordelijkheid.

De situatie in de stad veranderde vanaf 1555, toen de stroom van vluchtelingen de aanhangers van Calvijn een meerderheid bezorgde die ook haar stempel zette op de samenstelling van de Raad der stad. De predikanten kregen nu meer invloed. We hebben dan te doen met dikwijls intelligente Franse leidersfiguren, die door bekwaamheid en geestelijk overwicht aan prestige wonnen. De functie van leraar of doctor omvatte naast de theologische vorming heel het onderwijs in de stad. Het was geen typisch kerkelijke functie, al stonden deze leraren onder dezelfde tucht als de predikanten. Er was dus sprake van ‘een sterke verstrengeling van overheid, kerk en school’ (Speelman).

In zijn denken over de kerk kreeg de catechese bij Calvijn een grote plaats. Onderwijs en opvoeding maken mensen mondig, ook als gelovigen. Voor Calvijn was de gemeente een familie en tevens een leerlinggemeenschap. Zo lezen we in de Institutie (IV, i.) over het werk van God, in aansluiting bij Augustinus, ‘dat voor hen, voor wie Hij een Vader is, de kerk ook een moeder zij.’ Alleen al uit de naam ‘moeder’ leren we dat ‘er geen andere ingang is tot het leven, indien zij ons niet in haar schoot ontvangt, baart, ons voedt aan haar borsten en eindelijk onder haar leiding en hoede neemt...’. Daarom kunnen wij niet ‘uit de school ontslagen worden, voordat wij gedurende de ganse loop des levens leerlingen geweest zullen zijn’. Theologie en pedagogie grijpen hier in elkaar: ‘Wij zien, hoe God, die de zijnen in een ogenblik zou kunnen volmaken, toch niet wil, dat zij tot de mannelijke leeftijd opgroeien, tenzij door de opvoeding van de kerk.’

Dit bleef een der grondtrekken van het calvinisme, die onder andere tot uitdrukking kwam in het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis.

|36|

Calvijn pleitte voor een vorm van kerkelijk onderwijs die erop gericht was dat ‘de kinderen of de aankomende jongelieden rekenschap zouden afleggen van hun geloof’. Een kind van tien jaar, dat voor de begrippen van die tijd de jaren des onderscheids had bereikt, kon zich aanbieden om belijdenis des geloofs te doen. Vervolgens mocht het deelnemen aan het avondmaal. Ter versterking van het onderwijs werd in 1559 de Geneefse academie gesticht, met Beza als eerste rector.

Ook de kerkorde van 1541 sprak van twee soorten diakenen, namelijk ‘procureurs’, die het beheer over de bezittingen voerden en ‘hospitalliers’, die verantwoordelijk waren voor de praktische verzorging van armen en zieken. Deze functies bestonden al voor Calvijn in Genève kwam, al was hieraan nog niet de naam van diaken verbonden. Predikanten en ouderlingen zouden hun werk moeten controleren, maar in de praktijk waren ze vooral een overheidscommissie, vanaf 1552 eveneens voorgezeten door een der burgemeesters.

Tenslotte nog iets over de al een aantal keren genoemde kerkenraad. Calvijn, aldus Speelman, was voorstander van een goede samenwerking tussen de burgerlijke autoriteiten en de predikanten, met name ten aanzien van de tucht rond het avondmaal. Daarom streefde hij naar zoiets als een ‘rechtscollege van ouderlingen’ (presbyterorum judicium), een orgaan dat toezicht hield op het avondmaal en het kerkvolk, enigszins onderscheiden van de stadsraad, maar zeker niet een onafhankelijk orgaan. Dit presbyterium kwam voort uit het voormalige ‘consistorium’, dat al in de Middeleeuwen was ontstaan als een soort van kerkelijke rechtbank. Het presbyterium had een ruimere taak van het consistorium, dat zich voornamelijk met huwelijkszaken bezig hield. Ouderlingen konden van zowel de stadsraad als de kerkenraad lid zijn. De kerkenraad vormde met de ambten het kader waarbinnen de bediening van Woord en sacrament tot hun recht konden komen.

De instelling van een kerkenraad kan gezien worden als een substantiële bijdrage van Calvijn aan de opbouw van de gemeente. In 1541 kwam de kerkenraad voor het eerst bijeen, om zich te buigen over allerlei morele kwesties. Het was vooral een instantie ten dienste van het kerkelijk en godsdienstig leven in de stad, met een beperkte eigen bevoegdheid. Via Genève kreeg het calvinisme vleugels en verbreidde het zich over anderen landen in Europa en via Frankrijk ook in de Nederlanden.

Men zou kunnen denken dat Calvijn in het geestelijk gehalte van de gemeente weinig vertrouwen had. Hij gaf haar geen grote stem in de verkiezing van ambtsdragers. Graafland wijt dit hieraan dat kerk en volk samenvielen. Daardoor was het geestelijk gehalte van de gemeente laag. Hoewel Calvijn op veel plaatsen hoog opgeeft van de gemeente en de

|37|

mondigheid van de gelovigen, zou er nog veel onderricht nodig zijn voordat de gemeente voldoende onderscheidingsvermogen bezat om haar eigen ambtsdragers te kiezen. Volk was voor de aristocraat Calvijn ook ‘gepeupel’. De werkelijke reden was waarschijnlijk dat de Raad nooit toegestaan zou hebben dat de gemeente zelf haar ambtsdragers koos.

 

Verzelfstandiging van het regeerambt (Beza)

Wie de beroemde pelgrimskerk Sainte-Madeleine in het Franse Vézelay, gelegen op een heuvel en sinds de elfde eeuw een bedevaartsplaats, wil bezoeken, passeert langs de weg omhoog het geboortehuis van De Bèze, Theodorus Beza (1519-1605). Zijn naam viel al enkele keren. Ik stond op die plek even stil. Als kind heeft hij hier misschien gespeeld, bedenk je dan, en wie weet in deze indrukwekkende kathedraal de liturgie gevierd. Maar al jong werd hij elders opgevoed. Hij studeerde rechten en koos voor de Reformatie. Na veel omzwervingen kwam hij in Lausanne terecht, waar hij samenwerkte met de reformator van die stad, Pierre Viret. Vandaar vertrok hij naar Genève, waar hij de collega en later de opvolger van Calvijn werd.

Bij hem groeide het regeerambt uit tot een zelfstandige institutie. Dat betekende een aanmerkelijke verschuiving ten opzichte van Calvijn, aldus Graafland. Ook Beza zocht naar de eenheid van de ambten, maar ging daarbij niet uit van de Woordbediening maar van het regeerambt. Anders gezegd, terwijl bij Calvijn de ouderling getrokken werd binnen de kring van de ‘herder en leraar’, gebeurde bij Beza het tegenovergestelde. Bij hem stond het ouderlingschap of presbyterium centraal en werd de predikant binnen het regeerambt getrokken. Daarmee kreeg de ouderling een aparte status en een zelfstandige positie binnen de structuur van de gemeente en werd de predikant gezien als een van de twee varianten binnen het ouderlingschap. We kennen deze constructie al van Bucer, bij wie het ambt echter geen zelfstandige plaats had tegenover de gemeente. Uit deze ontwikkeling mag duidelijk zijn dat de predikanten in Genève, als vreemdeling binnengekomen, inmiddels waren uitgegroeid tot invloedrijke figuren in de stad.

Waarom deze verschuiving? Beza pleitte voor een grotere zelfstandigheid van de kerk ten opzichte van de overheid. Bij Calvijn, zo zagen we, liepen die bevoegdheden nog sterk door elkaar. Dat gaf conflicten. Daarom moesten de burgerlijke en de kerkelijke ordening scherper onderscheiden worden, meende Beza. De tuchtoefening, verstaan als de handhaving van Gods geboden, zag hij als een kerkelijke verantwoordelijkheid. Om die reden kwam het ouderlingschap bij hem centraal te staan. Onder

|38|

het gezag van Christus groeide het presbyterium, de kerkenraad, uit tot een geestelijke stand, bestaande uit herders en mannen van gezag. Beza gaf hieraan zelfs een schriftuurlijke fundering door de kerkenraad te verstaan als opvolger van het Joodse sanhedrin.

De mannen van gezag werden aan de predikanten toegevoegd, opdat deze niet konden uitgroeien tot zoiets als een nieuwe clerus. De gegoede burgers in de kerkregering waakten ervoor dat er geen tyrannie van kerkelijke ambtsdragers kon ontstaan. Anders gezegd, de predikant werd herder en de ouderling herdershond, waakhond van de predikant. Beza benadrukte in dit verband het aristocratisch karakter van de kerkenraad. Terwijl de gemeente een democratische gemeenschap vormde, vond zij in de kerkenraad haar aristocratisch ‘tegenover’. Het democratische bestond hierin dat de ouderling uit het volk gekozen werd en daarom het volk vertegenwoordigde.

Het aristocratische karakter, dat terug te voeren was op standsverschillen, was geen vorm van kerkelijke hiërarchie. Immers binnen de kerkenraad waren alle presbyters, predikanten en burgers, gelijk. De prijs was echter een groeiende distantie tussen ambt en gemeente. Ook werd hier niet door verhinderd dat predikanten al spoedig een heersende positie gingen innemen binnen de kerkenraad. Zij waren geletterde mensen, fulltime kerkelijk werkzaam en benoemd voor het leven, terwijl de ouderlingen slechts voor een periode van enkele jaren benoemd werden. Dat bemoeilijkte hun functie van waakhond.

Hier zien we een van de zwakke plekken in het presbyteriale stelsel van kerkregering. De predikanten kregen meer en meer vrij spel en werden de centrale figuren binnen de kerk, die nu verder kon uitgroeien tot een domineeskerk. Dat gebeurde in de ene situatie sterker dan in de andere, maar vooral daar waar de kerk van de reformatie een gevestigde institutie was geworden. De dienaar van het Woord streek als kerkregeerder neer op het pluche van de geestelijke stand en zou hier in de loop der tijd zeer aan gehecht blijken te zijn.

 

Invloeden vanuit Frankrijk

De Franse calvinistische kerken vormden een schakel tussen Genève en de Nederlanden. In de jaren vijftig van de zestiende eeuw was er sprake van een belangrijker hervormingsbeweging met een illegale organisatie, geleid vanuit Genève. Er vormden zich gemeenten op plaatselijk niveau, voortgekomen uit bijbelstudiekringen. Wanneer een nieuwe gemeente ontstond zorgde Genève voor een predikant. Terwijl Calvijn bepleitte dat deze

|39|

gemeenten als een ondergrondse beweging zouden voortbestaan, zolang er in Frankrijk geen politiek klimaat was ontstaan waarin zij zich in alle vrijheid als kerken zouden kunnen manifesteren en organiseren, gingen de Franse kerken hun eigen weg en kwamen vertegenwoordigers van 72 kerken in 1559 in Parijs in synodaal verband bijeen. Men gebruikte hier het woord kerk niet alleen voor de plaatselijke kerken, maar eveneens voor het synodale verband. Ook belegde men classikale en provinciale kerkelijke vergaderingen.

De synode stelde een eigen belijdenis op, de Confessio Gallicana, naar een voorbeeld van Calvijn, en een eigen kerkorde. Beide zouden grote invloed uitoefenen op de ontwikkeling in Nederland. De belijdenis vormde de basis voor de Confessio Belgica of Nederlandse Geloofsbelijdenis en de kerkorde werkte door in de regelingen die door synodes getroffen zouden worden, uitlopend op de Dordtse Kerkorde. Hierbij valt op dat het ambt niet alleen een plaats kreeg in de kerkorde, die voornamelijk een ambtsorde was, maar dat het tevens in de belijdenis werd opgenomen, waardoor het meer nadruk kreeg. Het ambt bij Calvijn nog sterk functioneel van karakter, werd hier een zaak van belijden, met de predikant als hoeksteen: daarom ‘kan de kerk niet bestaan zonder herders die het leerambt vervullen, die men moet eren en naar wie men eerbiedig moet luisteren, wanneer zij wettig geroepen zijn en getrouw hun functie uitoefenen’ (artikel 25). Artikel 29 handelt over de drie ambten.

Hier treedt een verdere verschuiving op van het gezag van het Woord naar het gezag van de ambtsdrager. In deze artikelen overheerst de lijn van Beza. Het ambtswerk valt onder de regering der kerk en valt daar vrijwel mee samen. Het ene ambt is hier het regeerambt, met nadruk op gezag en tucht. De drie ambten zijn hiervan afgeleid.

Alle herders hebben gelijke macht (art. 30), want ze staan onder het ene hoofd, Christus. ‘Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over dienaren, geen ouderling over ouderlingen, geen diaken over diakenen voorrang of heerschappij uitoefenen, maar veeleer zal elk zich wachten voor alle verdenking daarvan en gelegenheid daartoe’. Hier wordt in één bepaling zowel de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk als het democratisch gehalte van het ambt veilig gesteld. Overigens konden op grond van artikel 32 wel superintendenten worden aangesteld, waarbij duidelijk moest worden afgesproken welk gezag zij hadden over de kerk als geheel. Van een ambtelijke hiërarchie wilde men namelijk niets weten.

Omstreeks 1560 behoorde mogelijk 15% van de Franse bevolking tot de nieuwe calvinistische kerk. Aanvankelijk kwam men alleen in het geheim voor bijbelstudie en psalmzingen bijeen. Deelname aan de eucharistie vond nog lang plaats in de Rooms-Katholieke eredienst. Ook de doop werd daar bediend. Deze ‘nicodemische situatie’ kon niet te lang voortduren.

|40|

Toen de protestanten eenmaal ook de sacramenten gingen bedienen in hun eigen bijeenkomsten, deelde men zowel brood als wijn met elkaar. Dat was nieuw. In de eucharistievieringen waren de gelovigen voornamelijk toeschouwer, alleen met Pasen ontvingen leken de hostie. Hier at elk gemeentelid het brood en dronk de wijn bij elke viering. Wat de doop betreft bleef men terughoudender. De doop door een priester bediend werd ook daarna erkend. Er moest een instantie zijn op wier gezag de doop kon worden bediend. Dit werd later de kerkenraad. In de Franse kerken kreeg de kerkenraad een centrale plaats, als zelfstandig orgaan zonder de steun van de overheid. Ook de ambten van predikant, ouderling en diaken werden hier ingesteld. De diaken trad vooral op als lekeprediker in vacante gemeenten, waardoor het diakenschap aan betekenis won.

In 1561 verscheen de Nederlandse Geloofsbelijdenis in druk, opgesteld door Guido de Brès. Het stuk werd met een begeleidende brief over de muur van het kasteel te Doornik gegooid, opdat de landvoogdes, Margaretha van Parma, het zou kunnen lezen. De Brès, zelf predikant in het Zuid-Nederlandse Doornik, stond in directe verbinding met Genève en de kerken in Frankrijk. Hij sloot zich nauw aan bij de Franse belijdenis van 1559, de ‘Confessio Gallicana’. In de tekstuitgave van J.N. Bakhuizen van den Brink staan de Franse en de Nederlandse Geloofsbelijdenis in kolommen naast elkaar afgedrukt, waarbij opvalt de grote overeenkomst tussen beide. Ook in artikel 30 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis worden regering en ambt nauw verbonden. Hier is eveneens sprake van ‘geestelijke politie’, dat wil zeggen kerkregering van bovenaf. Daarop volgt vanuit het ene ambt een differentiatie naar dienaars of herders, opzieners en diakenen. Dat is de lijn van Beza. Ieder heeft een eigen taak, maar de gezamenlijke opdracht luidde dat ‘alle dingen in de kerk wel en ordelijk toegaan’. Hierbij wordt in algemene zin verwezen naar de brief aan Timotheüs.

Graafland wijst erop dat het Nieuwe Testament slechts op twee plaatsen over regeren (besturen, leiding geven) spreekt en dan nog met verschillende woorden, naast 1 Timotheüs 5, 17 in 1 Corinthe 12, 28. Hij concludeert hieruit, naar ik meen terecht, dat het regeerambt in de Schrift geen breed draagvlak heeft. In de tekst uit Corinthe neemt het slechts de voorlaatste plaats in!

Overigens lezen we in de tekst uit Timotheüs: ‘De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbetoon toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht’. In de latere bevestigingsformulieren leverde dit de predikant een plaatsje boven de ouderling op. Verder wordt in art. 31 de gelijkheid van alle dienaren des Woords beklemtoond. Opmerkelijk is het dat de gelijkheid zich hier beperkt tot die binnen het ambt van predikant.

|41|

De vluchtelingengemeente van Londen (A Lasco, Micron)

Behalve door Genève en Frankrijk is de ontwikkeling in Nederland ook beïnvloed vanuit Engeland, via de vluchtelingengemeente van Londen. Onder de veelzeggende titel Vluchtig voorbeeld heeft O. Boersma zijn onderzoek naar deze gemeente beschreven. De gemeente werd in 1550 gesticht en telde een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling. Daarnaast was er een Italiaans sprekende vluchtelingengemeente. Engeland was sinds ca. 1535 onder Hendrik VIII (1491-1547) een gastvrij land waar honderden godsdienstvluchtelingen vanuit de Nederlanden een toevlucht gevonden hadden. Zij kwamen aanvankelijk in huiselijke kring bijeen. Onder zijn opvolger Eduard VI kregen zij in 1550 de beschikking over het voormalige kerkgebouw van de Augustijner monniken, Austin Friars.

De gemeente onderging de invloed van Bucer, die in 1548 als docent in Cambridge werd aangesteld. De organisatie van de kerk was georiënteerd op Zürich. In 1553 waren er al tussen de drie- en vierduizend leden. Bij toelating werden de leden getoetst en stelden zij zich onder kerkelijk opzicht. De gemeente werd geleid door vier predikanten, onder wie de bekende Vlaming Marten Micron (1523-1559). Deze trok na een verblijf in Straatsburg, Bazel en Zürich, waar hij studeerde bij Bullinger, in 1549 naar Londen. Daar zou hij samenwerken met de Poolse theoloog Johannes a Lasco (1499-1560), die in 1550 door de Engelse aartsbisschop Thomas Cranmer werd uitgenodigd naar Engeland te komen, waar de koning hem benoemde tot superintendent van de vluchtelingenkerken. A Lasco en Micron hebben samen hun stempel gezet op de kerkorde en de liturgie van deze kerken en van hieruit ook de in de Nederlanden te stichten kerk beïnvloed.

Ze werden terzijde gestaan door een competente kerkenraad onder leiding van de invloedrijke ouderling Jan Utenhove (1520-1565), afkomstig uit Gent en academisch gevormd in Leuven, een man met grote literaire gaven, die hij in dienst stelde van de kerk. Hij vertaalde het Nieuwe Testament en schreef een geloofsbelijdenis, een catechismus en een berijming van de psalmen. Onder de katholieke koningin Maria Tudor (1553-1558), ‘Bloody Mary’, vonden de vluchtelingenkerken een voortijdig einde, doordat men hier niet meer veilig was, maar in 1560 konden de diensten hervat worden.

A Lasco had zijn ideeën over kerk en ambt al ontwikkeld voordat hij met de conceptie van Calvijn in aanraking kwam. Hij was een Poolse theoloog, als katholiek priester breed internationaal opgeleid. In Bazel kwam hij in aanraking met Erasmus, wiens bibliotheek hij later kocht. In 1540 belandde hij in Emden. Hij was toen inmiddels overgegaan tot de Reformatie. In Oost-Friesland stelde Gravin Anna hem aan als superintendent. Hij voerde daar het ouderlingenambt in en drong aan op handhaving van de tucht. Van

|42|

hem is afkomstig de instelling van de coetus van predikanten, ouderlingen en diakenen, die samen kwamen om toezicht op elkaar uit te oefenen. Ook de toelating tot het predikambt en de tucht over gemeenteleden was aan de coetus toevertrouwd. Later zou deze instelling uitgroeien tot de classis.

Veel hebben de kerken aan hem te danken. Zijn Forma ac ratio (1555) bevat de kerkorde en liturgie van de Londense gemeenten. Hij probeerde een brug te slaan tussen lutheranen en calvinisten. Zelf ging hij door voor een gematigd calvinist, wiens persoon en werk overigens door Calvijn zeer werden gewaardeerd. De gereformeerde voorman Abraham Kuyper promoveerde op A Lasco en onderging de invloed van diens visie op de kerk, zoals we later zullen zien.

In zijn denken over de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente werd A Lasco beïnvloed door Bucer, die vond dat de gemeente zelf haar eigen regering en tuchtoefening zou moeten behartigen. Alleen omdat ze hier niet toe in staat was, moesten hiervoor speciale ambtsdragers worden benoemd. Al in Emden voegde A Lasco aan de predikanten ‘burgers’ toe met het oog op het toezicht over de gemeente. Overigens kende de kerk van Oost-Friesland vanaf de Middeleeuwen de invloed van leken binnen de regering van de kerk. Hieruit groeide de ouderling, maar dan in een veel kerkelijker gedaante dan in Genève. Bij de opbouw van de gemeente in Londen verkeerde A Lasco echter in een andere positie dan Calvijn. De vluchtelingenkerken waren onafhankelijk van de overheid en van de bisschoppen van de kerk van Engeland. In Forma ac ratio volgde hij Straatsburg en Genève. Het verschil is echter dat in Londen ambtsdragers rechtstreeks gekozen werden door de gemeente. Meer in de lijn van Bucer is de gemeente bij hem een mondige gemeente. Die mondigheid komt ook tot uitdrukking in de instelling van de profetie. De gemeente is niet alleen hoorder van het Woord, maar heeft ook een eigen rol bij het verstaan en toe-eigenen van wat wordt geleerd. Daartoe werden wekelijks op donderdag profecyings belegd. Deze profetieën hadden plaats in de vorm van een gesprek tussen de gemeente en de voorgangers, ter beproeving van de predikanten, waarin gemeenteleden hun vragen en kritische opmerkingen bij de prediking en de leer kwijt konden.

Graafland, die de situatie van Genève vergelijkt met Straatsburg en Londen, doet in dit verband de interessante waarneming ‘dat als het niveau van de gemeente geestelijk laag is, de ambten een meer zelfstandige plaats innemen. Ze fungeren dan meer als een instantie tegenover de gemeente dan dat ze uit de gemeente opkomen. Is het niveau van een hoger geestelijk gehalte, dan krijgt de gemeente een navenante positieve rol te vervullen naar de ambten toe. Dan komt er ook meer ruimte voor de gedachte, dat de ambten uit de gemeente zelf opkomen, zonder dat dit iets afdoet aan het grondgegeven, dat de ambtsdragers de gemeente dienen en regeren als

|43|

instrumenten van Christus.’ Men zou op grond hiervan de stelling kunnen verdedigen dat de belangrijkste taak van het ambt is zichzelf overbodig te maken ten gunste van de gemeente!

Marten Micron bezat organisatorische gaven en was theologische goed geschoold. Hij stelde voor de kinderen een kleien Catechismus op. Belangrijk zijn de door hem geschreven Christelijke ordinantiën (1554) van de gemeente in Londen. Daarin worden de kerkregering en de liturgie van deze gemeente toegelicht. Hij was meer een volgeling van de Zürichse tak van de Reformatie, onder leiding van Zwingli en Bullinger, dan van Calvijn. Zo was bijvoorbeeld de genoemde profetie afkomstig uit de kerk van Zürich. Waarschijnlijk vormden de ‘Ordinantiën’ van Micron een bewerking van een eerdere versie van ‘Forma ac ratio’ van A Lasco, zo begrijp ik uit een reconstructie van Dankbaar. Ook Jan Utenhove heeft er als ouderling het zijne aan bijgedragen.

In Londen hebben we voor het eerst te maken met een niet vervolgde kerk en een overheid die zich afzijdig houdt, kortom een aantrekkelijk klimaat voor een reformatie. Luttikhuis noemt als meest in het oog springende regel dat ‘het lidmaatschap van deze gemeente afhankelijk gesteld wordt van een uitdrukkelijke persoonlijke belijdenis, die bovendien gepaard gaat met de uitgesproken belofte zich onder de kerkelijke tucht te stellen.’ De tucht die hiermee anders dan in Genève een binnenkerkelijk karakter kreeg, gold alleen de belijdende leden. Ook werden de gemeenten in parochies verdeeld.

De ordinanties van Micron vormen een interessante collectie. Ze beschrijven zowel de kerkelijke praktijk als de ideale gemeente die de kerkleiders voor ogen stond. Drie keer per week werd dienst gehouden, tweemaal op zondag en eenmaal op donderdag. Alle drie diensten hadden als gemeenschappelijke elementen: gebed (besloten met het Onze Vader), psalmgezang, behandeling van een Schriftgedeelte, afkondiging, nagebed. Op zondagmorgen kwamen hier bij: lezing van de Wet, schuldbelijdenis (van de kansel), aankondiging van vergeving en oordeel, lezing van het Apostolicum en eventuele vormen van gemeenschap: doop, avondmaal of huwelijksinzegening, psalmgezang, aanbeveling de armen te gedenken, zegen. Het zijn de grondlijnen van de klassiek-gereformeerde orde van dienst, waarvoor wat de woorddienst betreft ook de middeleeuwse preekdienst in de volkstaal, de pronaus, die naast de mis was ontstaan, model had gestaan.

Op zondagmiddag werd dit tweede gedeelte vervangen door bespreking van de (grote) Catechismus, waarbij kinderen van 11-14 jaar de vragen moesten beantwoorden. Op veertienjarige leeftijd werden ze toegelaten tot het avondmaal. Op donderdagavond werd het tweede deel van de dienst ingenomen door de genoemde profetie. Het avondmaal werd om de twee maanden

|44|

gehouden, gezeten rond de tafel. De gemeente vormde een tafelgemeenschap, waarin men elkaar de gaven aanreikte. Dat geeft een heel andere beleving dan wanneer een priester de communie uitdeelt. De Londense kerkorde kende ook een begrafenisliturgie, ‘in alle simpelheit’. Dit gebruik zou in Nederland niet worden overgenomen. Begrafenisdiensten werden hier gerekend tot de ‘roomsche stoutigheden’ en waren daarom eeuwenlang verboden.

Hier moeten we nog aandacht geven aan de ook in Nederland bekende formulieren tot bevestiging van ambtsdragers, waarvan de vragen ontleend zijn aan de Christelijke ordinantiën van Micron. Ze waren tot voor kort in onze kerken in gebruik. In de vluchtelingengemeenten stond het ambt dichter bij de gemeente dan bij Beza. Dat hing ook samen met het verschil in kerkvorm: een zelfstandige gemeente tegenover een ‘staatskerk’. De nadruk lag in Londen op het dienstkarakter van het ambt. Graafland merkt op dat er twee bevestigingsformulieren waren, een formulier voor predikanten en daarnaast één voor ouderlingen en diakenen. Daaruit blijkt dat het predikambt als een afzonderlijk ambt werd beschouwd, maar tegelijk wordt duidelijk dat het om een specificatie van het ouderlingenambt gaat, die naast het regeren ook het leren omvatte. Dat was de invloed van Beza. Letten we echter op de inhoud van het formulier voor de dienst van het Woord, dan wordt hier bij herhaling gesproken van dienst of bediening. De bijbelse kern is Efeze 4, 11, met nadruk op het herderschap, dat tot uitdrukking komt in weiden, leiden, voorgaan en regeren. Deze werkwoorden geven uitdrukking aan de dienst van het Woord.

Van een zelfstandige regeertaak was geen sprake. Het is de lijn van Luther, Bucer, Calvijn. Het regeren kreeg zijn uitdrukking in het hanteren van de sleutels van het hemelrijk op de wijze van zondag 31 van de Heidelbergse Catechismus. Daar gaat het over de prediking van het evangelie en de kerkelijke tucht. De laatste staat in relatie tot de bediening der sacramenten. Hoewel de tucht hier maar een klein staartje vormt van het gedeelte over verkondiging en sacrament, wat past in de visie van Calvijn, is desondanks hiertegen wel het bezwaar ingebracht dat de tucht toch weer verzelfstandigd wordt. Aldus bijvoorbeeld Thurneysen, die in de tucht van het Woord het bindmiddel van de gemeenschap ziet, maar zich keert tegen elke vorm van tuchtmaatregelen. Principieel stond in Londen echter het Woord centraal. Wat ook opvalt is dat een verwijzing naar 1 Timotheüs 5, 17 ontbreekt. De regeertaak werd niet benadrukt.

In het formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen treffen we, aldus opnieuw Graafland, sterker de accenten van Beza aan. Het regeeraspect staat hier centraal, hoewel de vragen overeenkomen met die van het andere formulier. Verder sluit het diakenambt binnen hetzelfde formulier nauw aan bij dat van ouderling. Regeren betekent in dat verband beheren.

|45|

Bovendien wordt gewezen op het aanzienlijk karakter van het ambt, waarbij ook de oudtestamentische achtergrond van de ‘oudsten’ belicht wordt.

De lijn van Micron is in de latere Nederlandse bevestigingsformulieren duidelijk terug te vinden, maar aan de uiteindelijke tekst zijn ook andere handen te pas gekomen, waardoor een zekere spanning is ontstaan tussen de dienst van het Woord en de regering der kerk. Overigens had de tucht in Londen slechts betrekking op kerklidmaatschap en zedelijk gedrag, zoals blijkt uit het overzicht van tuchtzaken dat Boersma geeft. Dat zijn zaken van orde en levensheiliging, waar men elkaar binnen de geloofsgemeenschap op mocht aanspreken. Buiten de kerk gold de jurisdictie van de Engelse overheid.

Met haar uitgewerkte kerkorde en liturgie werd de kerk van Londen de moederkerk van de Nederlanden. Delen van de ordinanties, de liturgie, de formulieren en de gebeden vonden hun weg naar de kerken die hier gesticht zouden worden. Tot voor kort waren ze naast de belijdenisgeschriften in onze kerkboeken terug te vinden.

 

Het beroep op de Schrift

Op verschillende plaatsen werd opgemerkt dat de Reformatie op zoek was naar de oorspronkelijke bijbelse visie op kerk en ambt. Op deze wijze wilde men een einde maken aan de kerkelijke machtsuitoefening die onder ‘het pausdom’ was ontstaan. Op deze plaats kom ik hier nog eenmaal op terug, want hierin schuilt nu net de moeilijkheid. De bijbel is niet zo duidelijk over het ambt. Alle reformatoren hebben daarmee geworsteld. In het Nieuwe Testament is de kerk in opbouw. Er is nog geen sprake van een uniform patroon. De structuur van de gemeente van Corinthe bijvoorbeeld zag er heel anders uit dan die we in de pastorale brieven aan Timotheüs en Titus aantreffen. Het ambt werd gezien als een gave (charisma) van de Geest in de vorm van een dienst (diakonia) aan de gemeente. Het laatste gaat terug op Jezus zelf. Hij sprak: ‘Ik ben in uw midden als één die dient’ (Lucas 22, 27). Als het ambt iets van Christusrepresentatie zal inhouden, dan alleen in termen van navolging en dienst, uitgaande van het model van de voetwassing (Johannes 13).

Het eerste wat in contrast met het Nieuwe Testament opvalt is dat het tot nu toe alleen over mannen ging. Zo is het van den beginne niet geweest. In de huisgemeenten hadden niet alleen gastheren maar ook gastvrouwen de leiding. Lucas noemt Maria (Handelingen 12, 12) en Lydia (Handelingen 16, 14 e.v.). Priscilla wordt vaak voor haar man Aquila genoemd (Handelingen 18, 18 en 26). In Colossenzen 4,15 ontmoeten we

|46|

Nympha en de gemeente bij haar aan huis. En Phoebe heette zelfs diakonos (Romeinen 16, 1). Ook Tryphéna, Tryphosa en Persis speelden in de gemeente van Rome een rol van betekenis. Vrouwen waren in de antieke maatschappij de enigen die toegang hadden tot de vrouwenverblijven. Daar doopten ze, gaven onderricht en waren verantwoordelijk voor de pastorale en diaconale zorg. Desondanks zou het nog eeuwen duren voor de vrouw tot het ambt van predikant werd toegelaten. Het geduld van de lezer wordt hiervoor tot hoofdstuk 6 op de proef gesteld!

Aanvankelijk was in de kerk de leidingstructuur van de gemeente open. Ieder kon er deel aan hebben. Maar al in het Nieuwe Testament tekenen zich globaal twee lijnen af, of zo men wil twee modellen. Het eerste model treffen we aan in de brieven aan Rome, Corinthe en Efeze. Hier wordt de gemeente beschreven als een charismatische gemeenschap. Gemeenteleden zijn begaafde mensen. Ieder deelt in de gaven van de Geest. Paulus geeft hiervan een opsomming in 1 Corinthe 12-14. Hij doet dit, omdat gemeenteleden zich op bepaalde gaven laten voorstaan. Elk charisma is een gave, die aan de gemeente geschonken wordt, betoogt hij. Paulus gebruikt hiervoor het beeld van het lichaam. Bepaalde gaven zijn van institutionele betekenis. Zij krijgen namen als profeet, evangelist, herder en leraar. Ze zijn er ten dienste van de gemeente, ‘om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus’ (Efeze 4, 12). Maar ook deze speciale functies zijn charismata, net als de andere.

De laatste tekst wordt in dit verband veel aangehaald, maar roept ook discussie op. Deze heeft betrekking op de plaats van de ‘komma’ in de zin. Plaatst men die, zoals in de vertaling van het NBG, achter ‘tot dienstbetoon’, dan vormen deze woorden een parallel met de volgende, ‘tot opbouw’. Beide zijn dan taken van de gemeenteleden, hier zoals vaker in het Nieuwe Testament ‘heiligen’ genoemd. Dat zijn mensen met een roeping. Plaatst men de komma achter ‘toe te rusten’, dan slaan dienstbetoon en opbouw terug op de genoemde functies van profeet, evangelist, herder en leraar. Dienstbetoon (diakonia) is hun specifieke taak binnen de gemeente. De opbouw van het lichaam van Christus is hiervan het effect. Hiermee is natuurlijk niets ten nadele van de roeping van gemeenteleden gezegd. Exegeten maken duidelijk dat de laatste uitleg de juiste is. Onder de charismata heeft het ambt een eigen plaats en taak.

In het Nieuwe Testament komen we nog een tweede model tegen, een ambtsmodel dat waarschijnlijk stamt uit de synagoge. In de pastorale brieven (Timotheus en Titus) lezen we over een college van oudsten en opzieners. Voor oudste staat in het grieks presbyteros, waarvan zowel onze presbyter (ouderling) als de katholieke priester is afgeleid. Ook is er sprake van diakenen, die waarschijnlijk als helpers van de genoemde ambtsdragers

|47|

optraden. Voor opziener staat het woord episkopos, waarin we het woord bisschop herkennen. Het zijn namen voor hetzelfde ambt, maar na verloop van tijd ontstond een patroon waarin de episkopos optrad als hoofd van de presbyters. De diaken werd binnen dit model gezien als assistent van de bisschop in de liturgie. Zo groeide er al spoedig een zekere hiërarchie binnen het ambt. Dat is de situatie in zeg maar de tweede of derde eeuw.

We hebben dan te maken met twee modellen, die in verschillende contexten zijn ontstaan. Terwijl binnen de katholieke traditie het tweede model zich verder in hiërarchische richting ontwikkeld heeft, zien we bij de reformatoren met een beroep op de gemeente het eerste model centraal staan, zij het met een enkele aanvulling vanuit de pastorale brieven, met name 1 Timotheus 5, 17. In de Reformatie is duidelijk sprake van een ambt van onderop. Onder invloed van de oecumenische Lima-rapporten wordt de laatste tijd opnieuw aansluiting gezocht bij de katholieke traditie. Daarom zal deze tweeërlei benadering binnen wat zal gaan heten de ambtstheologie ons ook in het vervolg nog bezig houden.

 

Van beweging naar instituut

Terug naar de predikant. Hoe ziet het resultaat van onze verkenning binnen de traditie van de Reformatie eruit? Met het oog op de situatie in Nederland hebben we ons in hoofdzaak beperkt tot de gereformeerde traditie in brede zin. Daarin laat de positie van de predikant zich niet isoleren van die van de andere ambtsdragers en van de context van de plaatselijke kerk in haar relatie tot de overheid. In elke stad waar zich een reformatie voltrok was sprake van een andere ontwikkeling. Toch werd, zeker vanuit Genève, gezocht naar overeenstemming, waarbij zich spoedig de krijtlijnen van een presbyteriaal-synodaal kerkstelsel begonnen af te tekenen.

De rol die Calvijn zelf en later Beza hierin gespeeld hebben, kan vergeleken worden met die van een bisschop, die leiding geeft aan de ontwikkeling van kerk en ambt in een veel breder gebied dan de stadsstaat Genève. Op brieven gericht aan Bucer en Bullinger komt de term bisschop zelfs expliciet voor. Waar in de eerste tijd een bovengemeentelijke vorm van leiderschap opkwam, betrof dat de functie van superintendent. Dat was een organisatorische positie op basis van erkend leiderschap als senior-predikant. Zowel Bucer als A Lasco, beiden pleitbezorgers voor democratie in de kerk, hebben in verschillende situaties deze functie bekleed. Het woord bisschop werd hiervoor, ondanks de clericale en hiërarchische gevoelens die het kan oproepen, niet afgewezen. In zo’n samenbindende figuur tekende zich ook de behoefte af aan een vorm van kerkverband. Hoewel de zelfstandigheid van de lokale kerk voorop stond

|48|

(‘geen kerk zal over andere kerken heerschappij uitoefenen’), werd gezocht naar samenwerking binnen zoiets als een coetus of een classis en ontstonden kerkordes, waarin onderlinge afspraken geregeld werden.

Elke nieuwe beweging, aldus sociologen, kent na een charismatische fase een fase waarin gegroeide verhoudingen worden geïnstitutionaliseerd. Elke beweging kent leidersfiguren maar zou niet kunnen ontstaan zonder een breed draagvlak onder het volk. Leiders weten zich gedragen door een gemeenschap. Maar een beweging vraagt op den duur ook een bepaalde graad van organisatie, wil zij kunnen voortbestaan. De christenheid, een term die de voorkeur van Luther genoot, werd kerk. Dan gaan haast onvermijdelijk posities en belangen een woordje meespreken. Leiders kunnen, ondanks hun oprechte bedoelingen om de zaak van het evangelie te dienen, een organisatie naar hun hand zetten.

In de context van Straatsburg en Genève had de beweging te maken met een sterke overheid. Kerk en overheid werden bondgenoten en kwamen binnen het theocratische model van een volkskerk tot een verdeling van taken en verantwoordelijkheden. Heel anders was de situatie van de Franse minderheidskerken die vanaf het begin te maken kregen met onderdrukking en vervolging. In Emden, Londen en elders hebben we daarentegen te doen met vluchtelingengemeenten, bestaande uit uitgeweken ballingen. Hun gemeenten zijn belijdende gemeenten, waar men op grond van persoonlijke geloofskeuze lid van kon worden. Maar zo’n gemeente vormde wel een eilandje binnen de samenleving rondom.

Graafland ziet een zekere interdependentie van gemeente en ambt. Waar de gemeente diffuus was, zoals in de situatie van een volkskerk, werd een sterkere plaats toegekend aan het leiderschap. Een mondige gemeente daarentegen kon zelfde functies van het ambt voor een belangrijk deel uitoefenen. Men mag echter niet vergeten dat in deze tijd de politieke context de kerkvorm in hoge mate bepaalde.

Dit alles maakt duidelijk dat we niet geïsoleerd over de predikant kunnen spreken. Zijn rol en positie werden voor een belangrijk deel bepaald door de situatie waarin hij werkte, dat is de bredere context van kerk en samenleving in hun onderlinge verhouding. Veel ambtstheologie en ecclesiologie (de theologische leer van de kerk) kan daarom getypeerd worden als theologie achteraf, een legitimatie van bestaande kerkelijke en ambtelijke verhoudingen in een concrete politieke situatie. Calvijn was zich hier terdege van bewust. In de keuzen die hij maakte, speelden naar eigen zeggen de ervaring en de noodzaak van de tijd een belangrijke rol. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat het hier alleen om gelegenheidstheologie ging. Elke kerk kent een bepaalde orde en leidingstructuur, die ze tracht op te bouwen uit normatieve bouwstenen zoals aangereikt door Schrift en traditie.

|49|

Een probleem daarbij is dat de Schrift zelf ontstaan is in een opbouwfase die nog geen afgeronde kerkelijke en ambtelijke structuur kende. Hoogstens kan men spreken van twee modellen, waarbij weer het probleem komt dat het hiërarchische model zich in de vroege kerk heeft doorgezet ten koste van het charismatische model. Binnen de context van een zich ten opzichte van clerus en adel emanciperende burgerij genoot juist het laatste model, dat uitgaat van de mondigheid van de gemeente, een zekere voorkeur.

De gemeente is volledig bevoegd tot kerkelijk handelen, maar draagt een deel van haar bevoegdheden over aan het ambt. Dat is de grondgedachte van het priesterschap der gelovigen. Het ambt komt op uit de gemeente, maar wordt toegekend aan hen die zich daartoe door God gezonden weten. Deze zending heeft betrekking op de Dienst van het Woord in brede zin. Pastoraal leiderschap, met deze woorden zou men de functie van het ambt bij Bucer het beste kunnen omschrijven. De gemeente stelde bekwame en bevoegde leiders aan om haar ‘bij de les’ te houden. Deze laatste uitdrukking past heel goed bij een kerk, zoals Calvijn haar zag, een gemeente als een leerlinggemeenschap, een gemeenschap die zelf niet de wijsheid in pacht heeft, maar zich laat leiden door Woord en Geest. Het is tevens een beeld dat past bij een zich emanciperende bevolkingsgroep, die van de opkomende gegoede burgerij.

Hoe heeft het ambt zich tegen deze achtergrond ontwikkeld? Bij met name Bucer, Zwingli, A Lasco en in de vluchtelingenkerken kwam het ambt op uit de gemeente, die gekenmerkt werd door het priesterschap van alle gelovigen, een gedachte die door Luther werd geïntroduceerd. Het ambt stond in functie van de dienst van het Woord. Dat was ook de overtuiging van Calvijn. Overigens viel onder het begrip Woord ook de bediening van het sacrament. Volgens de Heidelbergse Catechismus (antwoord 65) wordt het geloof gewerkt door de verkondiging en versterkt door het gebruik van de sacramenten. Het zijn versterkende middelen. Daarmee kreeg het avondmaal een ondergeschikte positie ten opzichte van de prediking, wat doorgewerkt heeft in de frequentie waarmee het gevierd werd. Ook de tucht werd gezien als een gestalte van het Woord, uitgeoefend door de gemeente. Het laatste heeft Calvijn vanaf de eerste druk van de Institutie benadrukt, aldus Plomp. De eenheid van rechtvaardiging en heiliging, waardoor het Woord gestalte aannam in heel het leven van de gemeente, vormde hier voor hem het beslissende gezichtspunt.

Maar de ambtstheologie kreeg bij Calvijn nog een ander accent, dat later onder Beza versterkt werd. Dat heeft te maken met de relatief zelfstandige plaats die de regering der kerk in zijn theologie inneemt. Christus regeert zijn gemeente door de dienst van mensen, dat was Calvijns principiële uitgangspunt. Daarmee werd ruimte gemaakt voor menselijk handelen. Toch kreeg

|50|

het ambt bij hem hiermee ook een accent ‘van boven’, het namens Christus. Dat plaatste de ambtsdrager niet boven de gemeente, want Calvijn heeft een uiterst functionele ambtsopvatting. Het ambt heeft geen eigen waardigheid en behoeft geen bijzondere wijding, ook al vond hij de handoplegging een passend gebaar. In de regering der kerk kregen de ouderlingen van meetaf een centrale plaats toegewezen. Predikanten waren als regel import, als voorgangers ook voorbijgangers. Het waren ‘betaalde krachten in dienst van de overheid zonder regeringsverantwoordelijkheid’. Daar kwam wel enige verandering in toen de predikant deel ging uitmaken van de gevestigde nieuwe orde en door opleiding en vakbekwaamheid grotere erkenning afdwong.

Onder Beza verzelfstandigde het ambt zich verder binnen het presbyterium, dat een aristocratisch karakter droeg. De democratische gemeente, waarop ook Beza de nadruk legde, kreeg een ambtelijk ‘tegenover’. Ook verzelfstandigde de kerk zich ten opzichte van de overheid. Naast het inhoudelijke gezag van ‘de dienst van het Woord’ werd aan de ambtsdrager, met name aan de predikant, meer en meer een formeel gezag toegekend als ‘regeerder’ der kerk. Daardoor kreeg dit ambt iets tweeslachtigs. Ook deed de kerkenraad zijn intrede.

Een zo zelfstandige positie van de leidingstructuur vindt, zoals we zagen, weinig steun in de Schrift. Beza moest zich hiervoor zelfs beroepen op het sanhedrin! Het groeiende onderscheid tussen kerkenraad en gemeente lijkt mij een inbreuk op het oorspronkelijke gedachtegoed van de reformatoren. Dat is met name het geval wanneer dat ‘tegenover’ verder wordt aangekleed met woorden als Christusrepresentatie. Dan wordt, theologisch gezegd, de pneumatologie (de bezinning op het werk van de heilige Geest), die ten grondslag ligt aan de gemeente als een charismatische gemeenschap, verdrongen door de christologie, in de persoon van ambtsdragers die in het bijzonder Christus representeren tegenover de gemeente.

Naarmate de Reformatie via Frankrijk en de vluchtelingenkerken zich in de richting van de Nederlanden begon te bewegen, zagen we in de belijdenissen, de kerkordes en de bevestigingsformulieren beide lijnen zich binnen het denken over het ambt verder ontwikkelen. Er lag al een bepaald patroon klaar voordat het calvinisme in Nederland kon uitgroeien tot de ‘heersende kerk’. Het ambt van ouderling als kerkregeerder kende twee vormen, de ene had in zich het extra van de dienst van het Woord. Dat werd de dominee. De andere had dat extra niet. Dat werd de ouderling.

Daarmee groeide ‘een mensje uit het stof opgerezen’ in korte tijd uit tot drager van een ambt dat ‘dubbel eerbetoon’ verdient. Gaat de predikant als eerwaarde zo niet boven zijn geestelijke stand leven? Dienaar van het Woord en regeerder der kerk, kan dat samengaan? De tijd zou het leren.