|13|

Predikant, kerk en samenleving

Inleiding

 

‘Maar wanneer een of ander mensje uit het stof opgerezen in de naam Gods spreekt, dan bewijzen wij door een uitnemend getuigenis onze vroomheid en onze eerbied jegens God, indien wij ons gaarne laten onderwijzen door zijn dienaar, hoewel deze in geen enkel opzicht boven ons uitsteekt.’

Johannes Calvijn, Institutie IV/III, 1.

 

In de kerken van de Reformatie is de dominee al eeuwen lang een centrale figuur. In het verleden kreeg hij zelfs zo’n gewichtige plaats toegewezen, dat men kan spreken van domineeskerken. Op zich is dit een merkwaardig verschijnsel. Want de Reformatie van de kerk beoogde niets minder dan een breuk met het gewijde priesterschap, dat binnen de Rooms-Katholieke kerk een dominerende positie innam.

De rechtvaardiging door het geloof, het centrale thema van de Reformatie, houdt in dat de mens als zondaar deel krijgt aan ‘de vreemde vrijspraak’, vergeving ontvangt uit genade door het werk van Christus. Ieder mens staat zelf als gelovige voor het aangezicht van God, Coram Deo, zonder dat daar een bemiddelaar in de persoon van een priester aan te pas komt. Heilsbemiddeling via sacramenteel handelen maakte plaats voor ‘de drie sola’s’: sola fide (alleen door geloof), sola gratia (alleen door genade), sola scriptura (de Schrift alleen). Priesterlijke bemiddeling werd vervangen door het priesterschap van alle gelovigen.

Vanwaar dan toch de dominee? Dat is de intrigerende vraag waaruit dit boek geboren is. Hoe is het mogelijk dat de kerken van de Reformatie in feite en wellicht onbedoeld domineeskerken zijn geworden? Wat maakte de dominee zo belangrijk? Waarom wordt er nog altijd met enig ontzag naar de predikant gekeken en zelfs tegen haar of hem opgekeken? Waarom staat dit beroep hier en daar in een reuk van heiligheid? Blijkbaar hangt er iets omheen van een mysterie.

Het is natuurlijk ook bijzonder — om met Calvijn te spreken — ‘wanneer een of ander mensje uit het stof opgerezen in de naam Gods spreekt.’ Wie mag

|14|

het wel zijn die dit aandurft? Wie ben ik dat ik dit doen mag? Het citaat boven dit hoofdstuk roept in onze tijd gemengde gevoelens op. Voor ons is het al lang niet meer ‘een getuigenis van onze vroomheid en eerbied jegens God’, wanneer we met aandacht maar ook kritisch naar een dominee luisteren. Democratisch als we zijn, leggen we liever het accent op het laatste deel van de zin, dat een dienaar van God ‘in geen enkel opzicht boven ons uitsteekt’. Toch belicht Calvijn hier met een treffend beeld het werk van de predikant. Een dominee wordt geroepen om het hoge Woord te vertolken, maar beseft ook zelf niet meer te zijn dan ‘een mensje uit het stof verrezen’. Dat maakt dit werk tot een waagstuk.

 

Vragenderwijs op weg

Dit brengt me tot het stellen van enkele verdere vragen, waarop ik in dit boek een antwoord zoek. De eerste is deze: Hoe is het mogelijk dat binnen het protestantse vroomheidstype de priester kon worden opgevolgd door de niet minder centrale figuur van de predikant, die zelfs luistert naar de naam ‘dominee’, dat wil zeggen ‘heer’? (Dominee is de latijnse aanspreekvorm van dominus, heer, afgeleid van domus, huis. Hij is de heer des huizes! In de 17e eeuw werd de toonloze e als vulgair beschouwd en werd dominee de aanspreektitel van de predikant.)

De gestelde vraag komt niet alleen voort uit nieuwsgierigheid, eerder uit verbazing en verwondering over de positie en de macht die de dominee in de kerk gekregen heeft. Binnen een gemeenschap waarin allen priester zijn, zou men deze figuur toch niet nodig moeten hebben? Natuurlijk, de Schrift moet worden uitgelegd, het Woord vraagt om vertolking. Dat vereist studie, maar het verklaart nog niet het ontstaan van een domineeskerk. Hoe heeft het zover kunnen komen? Al vrij snel in de geschiedenis van de Reformatie tekent zich de komst van de dominee af. Want ook de Reformatie kon, zoals spoedig zou blijken, niet buiten het ambt, dat binnen een standenmaatschappij vrij snel kon uitgroeien tot een bevoorrechte positie.

Een antwoord zoekend op mijn vraag, heb ik de ontwikkeling van het predikantschap in de Nederlandse kerk van de Reformatie, vanouds Gereformeerd Kerk geheten, zo goed mogelijk proberen te volgen. Dit boek vormt het resultaat van mijn zoektocht. In deze studie staat dus het predikantschap als historisch verschijnsel centraal. Op deze formulering moet ik echter meteen een correctie aanbrengen. Het predikantschap is geen verschijnsel op zich. Men kan niet over de predikant schrijven buiten de kerkelijke en maatschappelijke context om. Predikant, kerk en samenleving,

|15|

de drie woorden die boven dit inleidende hoofdstuk staan, zijn nauw met elkaar verweven.

De veronderstelling, misschien mag ik zeggen hypothese, die zich in de loop van deze studie aan mij opdrong, luidt dat ontwikkelingen in het predikantschap begrepen moeten worden vanuit ontwikkelingen in de kerk en dat ontwikkelingen in de kerk begrepen moeten worden vanuit ontwikkelingen in de samenleving. Dat ligt ook min of meer voor de hand. Het is de roeping van de kerk voortdurend antwoord te geven op, of nuchter gezegd zich aan te passen aan, nieuwe ontwikkelingen die zich in haar midden en om haar heen voordoen. De vormgeving van het predikantschap was één van die antwoorden. Ik wil dit aan een nader onderzoek onderwerpen. Was het in alle gevallen het goede antwoord? Maar in deze ontwikkeling hebben ook andere factoren meegespeeld, die zich alleen met theologische woorden laten benoemen. Ze vormen de vertolking van bijbelse inzichten en geloofsovertuigingen. Ik wil ook hier in alle vrijmoedigheid aandacht voor vragen.

Het zoeken naar verbindingen tussen theologische en niet-theologische factoren is typerend voor een praktisch-theologische studie. Daarom voeg ik aan de eerste nog een tweede meer normatieve vraag toe: Wat zal en kan er in de nabije toekomst van het predikantschap worden? Voor welke keuzen staat de kerk nu, in een post-christelijke samenleving? Predikanten zijn zich in toenemende mate bewust van de kwetsbaarheid van hun positie. De dominee gaat voorbij. Historisch gezien is het beroep dat predikanten uitoefenen een snel veranderend en gelet op de huidige situatie van kerk en cultuur misschien wel een voorbijgaand beroep. Dat geeft aan dit onderzoek een zekere urgentie.

Daarmee is gekozen voor een dubbele beweging. Vanuit de actuele situatie blik ik terug om vooruit te kunnen kijken. Dat is het doel dat ik me met dit boek gesteld heb. Terug naar de roots, op zoek naar de oorsprong. Want wat iets geworden is draagt bij tot wat iets worden kan. Vooral in tijden van onzekerheid gaat een mens op zoek naar zijn wortels. Ook een beroep heeft wortels, een geschiedenis die dominees van nu verbindt met hun vele en verre voorgangers. Zo ontstaat een samenhangend portret van ‘de dominee m/v’. In dit boek wil ik het predikantschap trachten te verstaan vanuit deze ontwikkeling, met als beoogd resultaat de titel van het boek: Een biografie van de dominee.

Ik ben geen historicus, maar praktisch theoloog. Praktische theologie is wel getypeerd als ‘kerkgeschiedenis in omgekeerde richting’. Kerkhistorici proberen het handelen van de kerk en haar ambtsdragers in het verleden zo goed mogelijk te reconstrueren. Praktisch-theologen houden zich bezig met het actuele handelen, de geschiedende geschiedenis, vanuit de vraag

|16|

hoe iets worden kan. Kerkgeschiedenis is voor de praktische theologie daarom van groot belang. Wie zijn geschiedenis niet kent wordt kortademig, raakt in paniek of gaat af op de waan van de dag. Het historisch perspectief biedt de vereiste distantie die nodig is om gewenste veranderingen op hun merites te kunnen beoordelen. Kennis van de geschiedenis kan diepte geven aan kerkelijk handelen dat werkelijk toekomstgericht wil zijn.

 

Leven met onzekerheid

Dit boek staat in de context van het modernisme, inmiddels enigszins voorbarig al voorzien van het voorvoegsel ‘post-‘. Dit vraagt opnieuw enige historische toelichting.

‘Es wackelt alles!’ Met deze drie woorden omschreef de Duitse theoloog, filosoof en godsdienstsocioloog Ernst Troeltsch (1865-1923) de schokkende ervaring die hij en vele anderen in die tijd aan de moderniteit hadden opgelopen. Alles wankelt! Geloof en kerk staan op losse schroeven. Als geen ander onderkende hij de dynamiek van de historische ontwikkeling. Ook het christendom is een historisch verschijnsel dat geen aanspraak kan maken op absolute waarheid. Alles is relatief. Godsdienst en kerk zijn betrokken in een historisch proces van verandering. Daarom kon Troeltsch niet zoveel meer met de klassieke theologie en haar normatieve waarheidsbegrip. Toch schreef hij de religie niet af. Zijn denken over godsdienst berustte namelijk op een religieus apriori. Godsdienst heeft zijn fundament in de mens zelf, in de structuur van de menselijke geest. De historische ontwikkeling staat in dienst van de ontwikkeling van de menselijke vrijheid en autonomie. Dit gaf hem ook ruimte om op wetenschappelijk verantwoorde wijze kerkelijke ontwikkelingen in kaart te brengen en historisch te verklaren, waarbij hij dankbaar gebruik maakte van de opkomende sociale wetenschappen.

Troeltsch deed zijn ervaring op in een tijd waarin Nederland nog vrijwel ongeschokt kerkelijk en gelovig was. Ondanks de opkomst van de historische kritiek en de moderne theologie was van wankelmoedigheid nog weinig te merken. Slechts een minderheid voelde zich in haar geloof aangevochten of door de wetenschap aan het wankelen gebracht. Het was een tijd dat twijfel nog zonde genoemde werd. Een kerkelijk leider als Abraham Kuyper, tijdgenoot van Troeltsch, hulde zich met krachtige taal in een wolk van stelligheid en zekerheid. Maar sinds we weet hebben van psychologische afweermechanismen, kan deze stelligheid volgens O. Jager ook teruggevoerd worden op vrees voor onzekerheid. Kuyper wordt tegenwoordig

|17|

wel afgeschilderd als een innerlijk onzeker mens. Ook hij was als jong theoloog al zo sterk beïnvloed door het modernisme, dat hij de grond onder zijn voeten voelde trillen.

Ik denk dat velen vandaag iets van die schokervaring van Troeltsch kunnen meevoelen. Alle wankelt. De Magnalia Dei, de grote werken Gods waar vroeger hoog van werk opgegeven, worden als Marginalia Dei meer en meer terzijde geschoven. Kerk en geloof spelen zich af in de marge van de samenleving. Het zijn randverschijnselen geworden in een geseculariseerde cultuur. De moderniteit is hier ongetwijfeld debet aan. Anderen, zoals Troeltsch zelf, hebben een historisch-kritische benadering eerder als bevrijdend ervaren. Daarin ligt de uitdaging om oude woorden en oude vormen te herijken vanuit de actuele situatie. Ik kan me daarin vinden. Dit versterkt de behoefte om binnen de moderne cultuur op zoek te gaan naar nieuwe vormen van christelijke gemeenschap en na te gaan welke rol de predikant hierin kan spelen.

 

Gekozen benadering

Waarom deze inzet bij Troeltsch? Troeltsch was één van de eersten die vanuit een empirisch perspectief historische en sociaal-wetenschappelijke gezichtspunten probeerde te verbinden. De nieuwe wetenschap van de sociologie bood hiervoor een instrumentarium. Dit opende perspectieven voor wetenschappelijk onderzoek. Desondanks is de historisch-kritische methode voor mijn besef tot nu toe nog te weinig toegepast op de sociale gestalte van de kerk. Alweer decennia geleden merkte de theoloog J.C. Hoekendijk op dat de kerk lijdt aan een hardnekkig ‘morfologisch fundamentalisme’. Fundamentalisme heeft meestal betrekking op de schriftbeschouwing, maar hier wordt bedoeld het star vasthouden aan één bepaalde vormgeving van het kerkelijk leven. Kerkvormen worden sacrosanct verklaard. Vandaag zitten we nog steeds met een invulling van kerk en ambt die sinds de Reformatie weinig veranderd is. Onze kerken zijn nog altijd in hoge mate domineeskerken. En dat nog wel in een tijd waarin de kerk krimpt, kerkverlating om zich heen grijpt en het ambt van predikant zijn aantrekkelijkheid voor velen verloren heeft.

Reden genoeg om nog eens met de ogen van Troeltsch naar de ontwikkeling van de kerk en het predikantschap te kijken. Ook wie niet meer zoals hij kan geloven in het idealisme van de menselijke vooruitgang, kan niettemin veel van zijn onderzoeksmethode leren, zoals mag blijken uit recente historische en praktisch-theologische studies. Het betekent dat ik in dit boek over de ontwikkeling van het predikantschap in kerk en

|18|

samenleving gebruik maak van zowel historische als sociaal-wetenschappelijke inzichten. Op deze vakgebieden is de laatste tijd veel onderzoek verricht. Historici en wetenschappers hebben er zich de afgelopen decennia voor ingezet om de ontwikkelingen van de kerk en het predikantschap vanuit hun feitelijk functioneren te verstaan.

Een aantal bronnen heb ik zelf kunnen raadplegen. Maar in veel gevallen ben ik aangewezen op onderzoek en bronnenstudies van anderen. Daarbij ga ik praktisch-theologisch te werk. Praktische theologie houdt zich bezig met theorievorming voor de praktijk van het christelijk en kerkelijk handelen, op het gebied van de liturgie, de prediking, het onderricht, het pastoraat, het diaconaat en de opbouw van de gemeente. Zij kiest haar uitgangspunt in de feitelijke ontwikkeling, de empirische werkelijkheid, om die te beschrijven en vanuit het christelijk geloof te doordenken.

Het beschrijven van de empirie kan in dit geval het beste plaatsvinden met behulp van historische en sociaal-wetenschappelijke methoden. Van een combinatie van deze disciplines wordt binnen de praktische theologie nog te weinig gebruik gemaakt. Dat is jammer. Want men kan alleen begrijpen hoe en waarom ‘iets is’, als men weet hoe en waarom het zo geworden is. Vanuit dit perspectief kan men vervolgens iets proberen te zeggen over hoe ‘iets’ worden ‘zal’ of ‘kan’. In hoe iets geworden is, zit altijd iets noodzakelijks of wetmatigs. Ook historisch gezien is er sprake van trends en bijna voorspelbare ontwikkelingen. Anderzijds is er ook voortdurend de verrassing doordat dingen anders lopen dan verwacht. Daartussen speelt zich het menselijk handelen af, binnen zekere marges van vrijheid. Dat geldt ook voor het handelen dat zich laat leiden door de christelijke geloofstraditie. Vanuit mijn overtuiging kunnen historisme en relativisme daarin niet het laatste woord hebben.

 

Typen van geloofsgemeenschap

Via zijn historisch en sociologisch onderzoek helpt Troeltsch mij om te onderscheiden tussen verschillende typen van christelijke gemeenschap. Hij onderscheidt er drie: kerk, sekte en mystiek. Alle drie gaan terug op het evangelie van Jezus en het vroeg-christelijke gemeenschapsleven, maar kunnen in de loop der tijd verschillende vormen aannemen. Ze bestrijden de volle breedte van het Koninkrijk Gods, van universalisme tot individualisme. De kerk als moederkerk legt de nadruk op het objectieve in Christus ontvangen heil dat in de vorm van genadegaven wordt uitgedeeld. Dat is de kerk als heilsinstituut. In de gestalte van een volkskerk kan zij invloed uitoefenen op heel de samenleving. De sekte (in de neutrale betekenis van

|19|

partij) groepeert zich om Jezus als Heer en leidsman. De gemeente wordt gevormd door de persoonlijke keuze en vrijwillige aaneensluiting van gelovigen die als leden toetreden. Het mystieke geloofstype, dat men aantreft in spirituele bewegingen, leeft van de onmiddellijke openbaring van Gods Geest. Deze directe ervaring delen mensen in een kleine kring van geestverwanten.

Toegepast op onze historische situatie kunnen wij ons bij deze begrippen verschillende vormen van kerk-zijn voorstellen. Ik doe een poging tot omschrijving. Met kerk wordt dan bedoeld de volkskerk of publieke kerk die verworteld is in de samenleving. Nederland kende in de tijd van de Republiek enkele eeuwen een publieke kerk. Deze traditie werd het best bewaard in de Nederlandse Hervormde Kerk. Ook het woord sekte moeten we goed verstaan. Daarmee wordt bedoeld het vrije kerktype, de kerk als een ‘vereniging’, een zelfstandig sociaal verband, onafhankelijk van overheidsbemoeiing. Deze traditie treffen we aan in de Gereformeerde Kerken. Het was de kerk zoals deze Kuyper voor ogen stond, met nadruk op de kracht van de geloofsgemeenschap zelf en het ambt van alle gelovigen. Het ging hem om een mondige, zelfstandige, democratische kerkgemeenschap op basis van vrijwilligheid. Bij mystiek moeten we denken aan het persoonlijke vroomheidstype, voorbereid door bewegingen als het piëtisme en het methodisme. De evangelische beweging, de pinksterbeweging en new age zijn hier voorbeelden van.

Men kan zich afvragen of dit type nog wel binnen een kerkelijk verband past. In een individualiserende cultuur waaieren vormen van religiositeit breed uit. Er wordt wel gesproken van ‘wilde religiositeit’. Individuele ervaring en subjectiviteit spelen een steeds grotere rol. De socioloog H. Schelsky vroeg zich bijna vijftig jaar geleden al af: ‘Ist die Dauerreflexion institutionalisierbar?’ Zijn subjectieve religie en geïnstitutionaliseerde godsdienst verenigbaar? Die vraag trekt nog steeds met ons mee. Is er iets te verzinnen, ik bedoel meer dan een list, om de zich in allerlei gestalten openbarende spiritualiteit te kanaliseren binnen zoiets als een geïndividualiseerde kerkgemeenschap? Als zo’n gemeenschap tenminste bestaan kan!

Ik parafraseer Troeltsch op mijn wijze om duidelijk te maken dat alle drie door hem beschreven typen ook vanuit de Nederlandse situatie herkenbaar zijn. Men kan hier zelfs iets van een historische ontwikkeling in ontdekken. Een voortgang van volkskerk ten tijde van de Reformatie, via het ontstaan van vrije kerken of denominaties in de negentiende eeuw naar een geïndividualiseerd kerk in onze tijd. Bij een bepaalde samenlevingsvorm hoort historisch gezien een bepaald type kerkgemeenschap en daarbij past al of niet een bepaalde vorm van predikantschap. In het eerste type

|20|

is de predikant vooral bemiddelaar van het heil, in het tweede type is hij bouwer van de gemeenschap, in het derde type vooral getuige van het geloof. Tegelijk overlappen de typen elkaar en kom je ze in geschiedenis ook gelijktijdig tegen.

Vanuit sociologisch gezichtspunt kan men ontwikkelingen in de samenleving ook bezien als een proces van differentiatie. De ene wereld waarin we leven valt in deelwerelden uiteen. Men kan dan onderscheiden tussen de publieke wereld, de sociale wereld en de individuele wereld. Een publieke kerk omspant de volle breedte van de samenleving. De kerk als denominatie daarentegen schept haar eigen sociale verbanden en onderhoudt van daaruit relaties met de publieke wereld en de wereld van het individu. Als het laatste niet lukt treedt versmalling en verkerkelijking van het christendom op. Geïndividualiseerde vormen van religieuze ervaring, hiervoor mystiek genoemd, staan veel losser ten opzichte van de sociale verbanden en het publieke leven. Zij komen met een oproep tot persoonlijke bekering en toewijding en vertonen de neiging zich in eigen kring terug te trekken. G. Dekker noemt als één van de kenmerken van secularisatie: ‘beperking van de reikwijdte van de godsdienst’. Ik zie hierin een relatie met de opeenvolgende kerktypen: van publieke religie via geloofsgemeenschap naar individuele beleving.

Het hier geformuleerde perspectief lijkt me relevant voor het schrijven van een ‘kerkgeschiedenis in omgekeerde richting’. Het roept de vraag op hoe binnen onze cultuur het predikantschap gestalte kan krijgen in en vanuit een sterk veranderende kerk. Daar wordt veel over gebrainstormd. Zoals gezegd kies ik voor een aangepaste route: afdalen in het verleden om een aanloop te kunnen nemen naar de toekomst. De Fransen hebben hier een mooi spreekwoord voor: reculer pour mieux sauter, een aanloop nemen om des te verder te kunnen springen. In dit geval hebben we zelfs een hele lange aanloop nodig, te beginnen in de zestiende eeuw. Daar ligt de bakermat van het predikantschap.

 

Zes opeenvolgende perioden

Ik heb de ontwikkeling van het predikantschap verdeeld over zes perioden. De kerkhistoricus P. van Rooden spreekt van ‘religieuze regimes’. De staatkundige situatie van het land bepaalt in hoge mate de godsdienstige. De regimes kennen voor een deel dezelfde begrenzing als de door mij onderscheiden perioden. Dit wordt verklaard door de hiervoor geformuleerde hypothese dat de ontwikkeling van de kerk en het predikantschap samenhangt met politieke, maatschappelijke en culturele omwentelingen.

|21|

De eerste periode (1500-1560) is die van de Reformatie. Deze speelde zich voornamelijk buiten Nederland af. In het Genève van Calvijn kwam het predikantschap tot ontwikkeling. Van hieruit heeft het calvinisme met zijn predikanten zich ook over Nederland verbreid. De op vreemde bodem ontstane vluchtelingengemeenten hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld.

De tweede periode (1560-1795) is die van de Republiek, die ontstaan is uit de opstand tegen Spanje. De Reformatie bracht in Nederland een omwenteling tot stand. Door de overgang van Willem van Oranje naar het calvinisme in 1573, werd vanaf dat moment de Gereformeerde Kerk in Nederland de publieke of bevoorrechte kerk. Haar predikanten vervulden een openbaar ambt. Er bestond een nauwe relatie tussen kerk en staat.

De derde periode (1795-1848) begint opnieuw met een omwenteling, die het einde van de Republiek inluidde en het begin van de Franse tijd, met de voorlopige scheiding van kerk en staat. In 1816 werd de kerk onder koning Willem I als Nederlandse Hervormde Kerk in haar oude rechten hersteld. In het nieuwe koninkrijk kreeg de predikant de rol van volksopvoeder toebedeeld. Deze periode, die achteraf gezien een overgangsperiode is geweest, eindigt met de Grondwet van 1848.

De vierde periode (1848-1892) begint met de vrijheid van godsdienst. De hervormde kerk verloor haar bevoorrechte positie. De rooms-katholieke hiërarchie werd hersteld. Deze ingrijpende veranderingen brachten voor predikanten veel onzekerheid met zich mee. Het publieke ambt werd meer en meer een binnenkerkelijk beroep. Ik laat deze periode enigszins willekeurig eindigen in 1892, het ontstaansjaar van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

De vijfde periode (1892-1960) loopt door tot voorbij de eerste helft van de twintigste eeuw. De kerken hebben zich in deze periode verder ontwikkeld als zelfstandige sociale verbanden. Predikanten behoorden tot verschillende partijen, richtingen en denominaties. Het gereformeerde kerktype vertoonde in een verzuilde samenleving een ander karakter dan het hervormde kerktype.

De zesde periode (1960-heden) begint opnieuw met een omwenteling, de culturele revolutie van de jaren zestig van de vorige eeuw. Het is een periode waarin Nederland in heel veel opzichten veranderd is. In deze tijd brak de secularisatie in alle hevigheid door. Nederland raakte ontkerkelijkt. Het ambt van predikant kwam vanaf die tijd onder druk te staan en heeft moeite zich te handhaven in een gedemocratiseerde kerkgemeenschap.

Al deze perioden blijken bepaalde bouwstenen te bevatten die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de kerk en het predikantschap aan het begin van het derde millennium. Daarnaar ga ik in het achtste hoofdstuk op zoek. Aan elke periode is een hoofdstuk gewijd, aan de laatste zelfs twee.

|22|

In dit boek beperk ik mij tot de ontwikkeling van de Nederlandse Hervormde Kerk en De Gereformeerde Kerken in Nederland. Wat de namen van deze kerken betreft kan de lezer in verwarring raken. Gereformeerde Kerk is de oude naam voor de ongedeelde calvinistische kerk in Nederland tot 1816. Dan krijgt zij de naam Nederlandse Hervormde Kerk. De kerken die zich in 1834 en 1892 van haar hebben afgesplitst heten vanaf hun vereniging in 1892: De Gereformeerde Kerken in Nederland. Hoofdletters gebruik ik alleen voor de officiële namen, verder spreek ik kortweg van hervormde en gereformeerde kerk.

Met de gekozen beperking doe ik natuurlijk grof onrecht aan de oude kerkgemeenschappen van doopsgezinden, lutheranen en remonstranten en de later opgekomen brede gereformeerde gezindte, evenals aan de nieuwe kerken die in Nederland ontstaan zijn. Zij komen in dit boek slechts zijdelings ter sprake. Ook de Rooms-Katholieke Kerk blijft meestal buiten beeld. Afgrenzing bleek echter onontkoombaar om de stof enigszins te kunnen overzien. Verder zal het u opvallen dat dit boek tot in hoofdstuk 6 vooral over mannen gaat. Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw deed de vrouwelijke predikant haar intrede in de grote protestantse kerken van ons land.