Deel van de una sancta

De hervormde kerkorde koos dus uiteindelijk voor de typering van de concrete kerk als ‘openbaring’ en niet als ‘deel’ van de una sancta. Daarin tekent zich een verschuiving in ecclesiologisch denken af die het waard is nader onderzocht te worden. Ik doe dat door eerst aandacht te vragen voor een hedendaags theoloog die ook kiest voor de aanduiding ‘deel’, de Groninger theoloog G. Dingemans. Uiteraard verschilt zijn benadering in bepaalde opzichten van die van Wagenaar in 1945, van Kerkopbouw in 1933, en zeker van die van koning Willem I. Toch is zeker bij hem juist de keuze voor ‘deel’ typerend voor een bepaalde insteek in de ecclesiologische problematiek die hier vanmiddag aan de orde is.

Dingemans heeft enige jaren geleden een boeiende poging gedaan om bouwstenen te leveren voor een kerk en een kerkorde van de toekomst. Zijn boekje Een huis om in te wonen heeft naar mijn indruk bepaald zijn weg gevonden in kerkelijk Nederland. Het aardige van deze publikatie is, dat hij daarin als bijlage een ‘Proeve van kerkorde-artikelen voor een Evangelische Kerk van de toekomst’32 opgenomen heeft, waarin hij zijn theologische en kerkrechtelijke gedachten in meer juridische termen concretiseert. De Proeve opent met een fundamentele uitspraak over de kerk: “De komst van Gods Koninkrijk in de wereld wordt gediend door de kerk die door Jezus Christus — als Heer van de wereld en als Hoofd van de kerk — wordt geroepen

|10|

rondom Woord en Sacrament”. Voor hem zou de VPKN de ‘Nederlandse Evangelische Kerk’ moeten heten, en in art. 2 van de genoemde Proeve geeft deze Nederlandse Evangelische Kerk dan het volgende visitekaartje af: “De Nederlandse Evangelische Kerk verstaat zichzelf als deel van deze katholieke/ wereldwijde, apostolische en heilige christelijke kerk, geroepen en gegroeid in de Nederlandse samenleving”.
Dingemans grijpt dus terug op de typering van de concrete kerk als deel van de una sancta, ons bekend uit de reorganisatiestrijd binnen de NHK. Dat hij niet kiest voor gestalte, zoals we dat in de nieuwe kerkorde tegenkomen, laat zich horen: zijn boekje is immers van 1986. Opvallender is dat hij ook de keuze voor openbaring, conform de HKO, kennelijk afwijst. Voorts valt op, dat in zijn ontwerp eigenlijk niet over de una sancta wordt gesproken: het klassieke kenmerk van de eenheid van de una sancta catholica et apostolica ontbreekt, en dat is toch opmerkelijk.
Wat Dingemans betreft is de VPKN ‘deel’ van de wereldwijde kerk. Leest men zijn Proeve verder door, dan wordt snel duidelijk, hoe wezenlijk de daarin verwoorde oecumenische samenhang voor hem is. Art. 6, over het behoren tot een plaatselijke gemeente, sluit af met de woorden: “Wie lid is van de plaatselijke gemeente is daarmee lid van de algemene apostolische of katholieke kerk of ‘wereldkerk’”. Op het niveau van de landelijke synode worden de contacten met de wereldkerk gerealiseerd (art. 7). Het internationale aspect van de oecumene kan worden gerangschikt onder het hoofdje: ‘buitenlandse betrekkingen’ (vgl. art. 16). Samengevat: al laat Dingemans de eenheid van de kerk in zijn openingsartikelen weg, deze komt op een andere wijze wel degelijk ter sprake: eenheid en katholiciteit van de kerk krijgen bij voorbeeld gestalte in de classis (art. 7). De plaatselijke gemeente geeft op haar manier vorm aan de eenheid van de totale christenheid, waarbij het erom gaat de stemmen van de wereldkerk van alle tijden en plaatsen te laten doorklinken (vgl. art. 9). Bevordering van de eenheid wordt gezien als de scopus van het kerkelijk gesprek op de verschillende niveaus (vgl. art. 14).

De ecclesiologische visie van Dingemans is duidelijk. Feitelijk is er een — niet: één! — katholieke wereldwijde, apostolische en heilige christelijke kerk, die gezien kan worden als de som van de vele, vele kerken die er in deze wereld te vinden zijn, overal waar mensen samenkomen rond woord en sacrament. Elke kerk kan gezien worden als deel van dat geheel, van de ‘totale christenheid’ — we zijn hier tot in de woordkeus toe33 dicht in de buurt van de terminologie van het Algemeen Reglement! Dat die kerk één zou zijn, dat lijkt wat teveel gezegd: vandaar dat het bijvoeglijk naamwoord ‘één’ in de openingsartikelen nadrukkelijk ontbreekt. Maar ook dat die kerk geroepen zou zijn in organisatorische zin aliquo modo één te worden, is niet

|11|

aan de orde.34 Van een onderscheid tussen de empirische en de geloofde kerk wordt niet gesproken, laat staan van een spanningsverhouding. Dingemans spreekt over de una sancta niet in theologische zin, maar in empirische, descriptieve zin. In zijn opvatting kunnen uit het spreken over de una sancta geen theologische normatieve conclusies getrokken worden voor de kerkordelijke vormgeving van de concrete kerk, als ‘deel’ van de wereldwijde kerk.35 Op die punten is een zekere overeenkomst met de ‘theologie’ van het negentiende-eeuwse Algemeen Reglement onmiskenbaar. Voor de vraag naar de zichtbare eenheid van de kerk van Christus impliceert deze visie, dat het daarin niet kan gaan om overkoepelende structuren gericht op gezamenlijke besluitvorming, maar uitsluitend om intensieve relaties wereldwijd — een overigens uiteraard ook essentieel aspect van oecumene. Op dat laatste punt ligt natuurlijk een wezenlijk verschil met de benadering van het Algemeen Reglement.36
De kerk is een zaak van gelovige en betrokken christenen die voor alles op hun eigen plaats de komst van Gods Koninkrijk dienen, in een innerlijke betrokkenheid op de wereldwijde kerk, maar zonder dat dat noodzakelijkerwijs vraagt om theologisch gefundeerde structuren van eenheid.37 Ook het ambt staat niet in dit kader van eenheid. Over ambten wordt slechts in zoverre gesproken, dat Dingemans het geheel aan de plaatselijke gemeente wil overlaten daaraan al dan niet vorm te geven, op welke wijze dan ook.38 Het ambt staat niet in functie van de eenheid, en is bij Dingemans ook voor het ‘tegenover’ van Woord en gemeente niet constitutief.

Kerkelijke structuren zijn voor Dingemans niet meer dan het produkt van een sociologische noodzakelijkheid: de gemeenschap rond Woord en sacrament, het mystieke hart van de gemeente “heeft — uiteraard — een sociologisch-organisatorische vorm (...) De ontmoeting met de Heer kan vele gestalten en vormen aannemen. En iedereen begrijpt, dat ook hier de continuïteit vraagt om beschermende organisatievormen, om gedeelde verantwoordelijkheden, om functionele taakverdelingen en duidelijke afspraken. Het meest intieme, de mystieke omgang met de Heer, moet beschermd worden door vormgevingen, afspraken en kerkordelijke bepalingen”.39 Dingemans ziet hier een dubbele beweging: “Er is een beweging van Christus uit, die niet te organiseren is. En er is een menselijke activiteit, die — per definitie — georganiseerd en geregeld moet worden. Die dubbele beweging is het hart van de gemeente en dus ook het hart van alle kerkrecht en kerkorganisatie”.40 De beweging van Christus uit komt als zodanig niet tot uitdrukking in kerkelijke structuren, ook niet in het ambt. De nadruk ligt op de plaatselijke gemeente. Het ambt wordt volledig gezien als opkomend uit de gemeente.41 Het dient in een pneumatologisch kader te worden gezien, en daarin “staat niet het woord

|11|

‘tegenover’ centraal, maar het woord ‘samen’”.42 Of deze visie op de verhouding van Geest en kerk ons verder helpt, zal nog moeten blijken. De positie van Dingemans is al met al wezenlijk congregationalistisch.

De nieuwe kerkorde kiest via de aanduiding ‘gestalte’ — zonder lidwoord — voor een theologische invulling van de relatie tussen una sancta en concreet kerkelijk instituut. Zo wordt structureel een kritische theologische relatie tussen de concrete kerk als instituut en de una sancta gehandhaafd. De verenigde kerk valt nooit zonder meer samen met de kerk van Jezus Christus. Dat kan evenmin gezegd wordt van de som van alle kerken ter wereld. Voor Dingemans lijkt de relatie van de concrete kerk tot de una sancta kwantitatief van aard te zijn. De kerkorde redeneert op het vlak van het kwalitatieve. De VPKN is ‘gestalte’, niet: ‘de gestalte’. Men mag misschien zeggen ‘een gestalte’, mits daarmee niet wordt gesuggereerd dat de concrete gestalte theologisch indifferent is. In haar komt de kwaliteit van de una sancta in beeld.