|3|

Mijnheer de rector, zeer geachte aanwezigen,

Ds. J.C. van Dongen,1 in 1948 door de hervormde classicale vergadering van Zutphen afgevaardigd naar de generale synode, heeft uiteindelijk toch nog grotendeels zijn zin gehad. Hij stelde voor artikel I van de nieuwe hervormde kerkorde te laten beginnen met de volgende theologisch geladen hoofdzin: “De Nederlandse Hervormde Kerk is overeenkomstig haar belijdenis gestalte van de heilige, katholieke, apostolische christelijke Kerk”.2 Pas daarna zou een meer juridisch gekleurde uitspraak over de relatie tussen landelijke kerk en plaatselijke gemeenten moeten volgen. Hij kreeg toen de meerderheid van de hervormde synode niet mee. De theologische karakterisering van de kerk bleef als een bijstelling in een juridische hoofdzin fungeren. Ook zijn suggestie te spreken van ‘gestalte’ in plaats van ‘openbaring’ haalde het niet.

In art. I lid 1 van de nieuwe kerkorde staat het zo wel: “De VPKN is overeenkomstig haar belijden gestalte van de ene heilige katholieke of algemene christelijke kerk die zich, delend in de aan Israël geschonken verwachting, uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God”. Gemakshalve spreek ik over de ‘nieuwe kerkorde’, als ik de Kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland 3 bedoel, zoals die op 13 november 1993 door de combi-synode in eerste lezing is vastgesteld, en vervolgens door de drie afzonderlijke synodes is geratificeerd.
‘Overeenkomstig haar belijden gestalte van de ene heilige katholieke of algemene christelijke kerk’. Met een variatie op een woord van Van Ruler4 noem ik dat het ‘visitekaartje’ van de VPKN. In die woorden herkennen we een voor het theologisch spreken over de kerk — in ecclesiologie en kerkrecht — essentiële spanning. De VPKN doemt op aan het einde van een (te) lange weg die eerst twee, later drie kerken samen zijn gegaan. Dit kerkgenootschap, waar menigeen bepaald met gemengde gevoelens naar uitkijkt of tegen opziet, typeert zichzelf als ‘gestalte van de ene heilige katholieke of algemene christelijke kerk’.
Daarachter ligt een vraag die wel altijd het (gereformeerd) kerkrecht zal bezighouden: hoe kunnen kerk en recht met elkaar verbonden worden? Wat echter belangrijker is: een in deze vraag latent aanwezige geloofsintuïtie is tot vandaag toe herkenbaar in de opvattingen van velen op het reformatorisch erf, theologen en niet-theologen. Voor hun besef is de combinatie van kerk en recht op zijn minst een voor de kerk riskante combinatie: hoe makkelijk valt niet datgene waar het in de kerk om gaat ten offer aan ongeestelijke juridische scherpslijperij.

|4|

Waar en hoe raakt het geloofsdenken over de kerk als gemeenschap der heiligen, volk van God, lichaam van Christus of tempel van de heilige Geest aan de praktische vragen van recht, structuur en organisatie die in onze dagen op alle terreinen van een complexe samenleving onvermijdelijk aan de orde lijken te zijn? En hoe komt de daarmee gegeven spanning aan de orde in het kerkrecht als theologische discipline en als aspect van de kerkelijke praktijk? In ‘Samen op Weg’ lopen we er voortdurend tegen aan. Menigeen ervaart deze spanning, wanneer in debatten over toekomstige structuren en noodzakelijke juridische bepalingen de discussie over de eigenlijke vragen — naar het lijkt — eerder wordt ontweken dan gestimuleerd.
Hier raken theologie, geloof en kerk elkaar heel direct. Hier raken ook kerkrecht en oecumene elkaar onmiddellijk. Dat maakt het voor iemand die met één been in het kerkrecht en met het andere in de oecumene staat nog interessanter. Juist de vraag naar de relatie tussen de kerk als voorwerp van geloof en de kerk als maatschappelijke fenomeen plaatst de beoefening van het kerkrecht noodzakelijkerwijs in een oecumenisch verband.

De nieuwe kerkorde werd ontworpen naar hervormd model. De opdracht van de combi-synode van oktober 1990 hield immers in, dat de betrokken werkgroep diende “uit te gaan van het laten functioneren van de structuur van de hervormde kerkorde in engere zin als beginpunt en hoofdlijn”.5 Die beslissing impliceerde voor de GKN een breuk met het verleden, waar het gaat om karakter en opzet — en als consequentie daarvan vermoedelijk ook functioneren?! — van de kerkorde.
De nu in eerste lezing vastgestelde ‘eigenlijke kerkorde’ heeft een ecclesiologisch en belijdend karakter, terwijl de daarbij te voegen Ordinanties veel meer het karakter van een strikt juridische reglementering van het kerkelijk leven zullen dragen. Dat de kerk in haar kerkorde aangeeft, hoe zij zichzelf theologisch verstaat, in een omvattender en gestructureerd verband van ecclesiologische aard, is nieuw voor de GKN.6 De mate waarin dat nu gebeurt is trouwens ook nieuw voor de NHK.

Ik vraag graag uw aandacht voor het genoemde openingsartikel van de nieuwe kerkorde. Het visitekaartje van de VPKN wil ik proberen door te meten op haar oecumenisch-theologische en kerkrechtelijke implicaties. Wat zegt een kerk eigenlijk van zichzelf, wanneer zij zich presenteert als ‘gestalte van de una sancta’? Hoe plaatst de VPKN zich hiermee in het bredere veld van de opkomende oecumenisch-theologische bestudering van de kerk? Het is niet toevallig, dat dit visitekaartje terugkomt in het artikel van de nieuwe kerkorde dat handelt over de oecumene (art. XVI lid 1); ook op dat punt wordt overigens de structuur van de kerkorde van de NHK (HKO)7 gevolgd.

|5|

Het is wellicht te onvoldoende het openingsartikel van de nieuwe kerkorde enkel te typeren als haar visitekaartje. Misschien gaat het in de huidige oecumenische verhoudingen wel om een legitimatiebewijs. De tijd van de ‘hoffelijke oecumene’, waarin visitekaartjes interessant waren — maar ook niet veel meer dan dat! —, is voorbij. De eerste decennia van het bestaan van de Wereldraad van Kerken stonden onder het voorteken van het Toronto Statement.8 In 1950 legde het Centraal Comité van de Wereldraad van Kerken officieel de opvatting vast, dat het niet aangaat, als kerken in de Wereldraad elkaar beoordelen op de vraag naar het kerkelijk karakter van de andere kerk. De vraag, of een andere geloofsgemeenschap werkelijk met recht de naam ‘kerk’ draagt, dient niet te worden gesteld; een positief antwoord op die vraag mag in elk geval geen voorwaarde zijn voor samenwerking in de Wereldraad. Men onthoude zich van een oordeel over de ander, en men late het eigen zelfverstaan ook niet onder kritiek stellen van de andere kerken. Dat is visitekaartjes-oecumene. Het lijkt er echter op, dat het zo niet meer gaat. De vraag naar de ecclesiologie van de ander mag en moet in de oecumene gesteld worden. Wederzijdse erkenning als kerken is sinds Nairobi 1975 een belangrijk punt geworden in de oecumenische theologie en praktijk.9 Het legitimatiebewijs doet zijn intrede. Volwassen oecumene moet bestand zijn tegen discussie over de vraag naar de criteria voor kerk-zijn.

In de actuele oecumenisch-theologische discussie en in de interconfessionele dialoog zijn de ecclesiologische vragen niet meer te ontwijken. Kan meer overeenstemming over de criteria voor waarachtig kerk-zijn worden bereikt?

De fundamentele vraag is vanmiddag derhalve deze: wat is, in oecumenisch perspectief, het gehalte van de VPKN als gestalte van de una sancta? Hoeveel en welke ecclesiologie komt in de nieuwe kerkorde mee? Die vraag is te meer de moeite waard, omdat de drie SoW-kerken — in de Verklaring van Overeenstemming van NHK en GKN, en in de officiële reactie van de ELK10 daarop — als om strijd aangeven, dat noch in de hervormd/gereformeerde, noch in de lutherse traditie sprake is van een uitgewerkte leer over de kerk. Het antwoord op onze vragen is dus niet al bij voorbaat duidelijk.11

Enige verheldering van het historische perspectief waarin de kerkorde van de VPKN staat is eerst nodig. Daarna verkennen we de achterliggende theologische vragen. Duidelijk zal tenslotte worden, dat de hier gevonden benadering ook kerkrechtelijke consequenties heeft voor vragen rond het ambt, rond de

|6|

innerlijke eenheid van de concrete kerk en de eenheid van kerken wereldwijd, en rond de apostoliciteit van de kerk.