Art. 77 1).

Aleer men tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid


1) De Generale Synode van Utrecht in 1905 gaf de volgende wijziging aan het begin van dit artikel: „Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en de daarop gevolgde onderscheidene vermaningen, tot afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende”. In de schrijfwijze werden in 1905 de volgende veranderingen aangebracht: „bewezen”; „in het bestraffen”; „gemeente” (driemaal); „( )”; „tusschen de vermaningen”; „aan het oordeel”. In de redactie van de Generale Synode van Dordrecht van 1893 is „Alleer” blijkbaar een drukfout voor: „Aleer”.

|80|

des zondaars der Gemeente openlijk te kennen geven, de zonden verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen in ’t bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de Gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de Gemeente te kennen geven, dat men hem — tenzij dat hij zich bekeere — van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaning [lees: vermaningen] zal aan ’t oordeel des Kerkeraads staan.

 

Artikel 77 handelt over de excommunicatie.

Wat de bewoordingen van het artikel betreft, is er op te letten, dat de tweemaal in de redactie van 1618/19 voorkomende genetivus „der Kercken” gen. singularis is, en niet, zooals het abusief wel eens is opgevat, gen. pluralis. In het Hollandsch van de 16de en 17de eeuw had het zelfstandig naamwoord „Kerk” in den tweeden naamval „der Kerken”, in het enkelvoud zoowel als in het meervoud. Zelfs bleef in het meervoud de slot-n wel eens weg. In ditzelfde artikel is dit bij „tusschen de vermaninghe” ook op te merken: „Den tijdt tusschen de vermaninghe sal int oordeel des Kercken Raedts staen”. „Vermaninghe” is hier meervoud. Dat „der Kercken” enkelvoud is, blijkt uit het verband, daar de gecensureerde wordt uitgesloten van de gemeenschap der kerk, waartoe hij behoort. Het meervoud zou hier onzin zijn, bijv. bij de uitdrukking: met stilzwijgende bewilliging „der Kercken”. Hier toch is sprake van de kerk, waartoe de gecensureerde behoort en waar de excommunicatie zal plaats hebben, en niet van de andere kerken, die tot het kerkverband behooren en van de excommunicatie niets afweten. Het blijkt bovendien uit de officieele vertalingen, uit de Fransche van de Waalsche Synoden en de Latijnsche vertaling der kerkenordeningen van de 16de eeuw, en voorts uit de oorspronkelijke redactie van dit artikel.

Dit artikel toch is niet eerst in 1619 in de kerkenordening gekomen, maar het heeft er van den beginne af ingestaan. Het is bijna woordelijk aldus reeds opgenomen in de eerste redactie van de kerkenordening van de Emdensche Synode van 1571, nl. in artikel 31. Het dagteekent dus reeds van de eerste samenstelling der kerkenordening zelve.

In de samenkomst van Wezel in 1568 was de excommunicatie

|81|

zeer zeker ook reeds als noodzakelijk voorgesteld, maar was de manier van excommunicatie nog niet zoo uitgewerkt. Men heeft zich te Wezel in Cap. VIII van de Wezelsche artikelen bepaald tot het op den voorgrond stellen van de noodzakelijkheid van kerkelijke tucht tot excommunicatie toe en van de beginselen, die aan zulke kerkelijke tucht ten grondslag liggen. Te Wezel werd het gebruik van zoodanige excommunicatie als volstrekt noodig voorgesteld voor den welstand der Christelijke kerk. In Cap. VIII wordt uitgesproken, dat er vooral voor gewaakt moet worden, dat geen kerk geïnstitueerd wordt zonder kerkelijke tucht, en dat niemand tot den dienst des Woords wordt toegelaten, dan die zich bereid verklaart de kerkelijke tucht te willen handhaven. Onder kerkelijke tucht wordt dus ook de excommunicatie genoemd. De manier waarop wordt nog niet omschreven.

Dit geschiedde eerst bij de officieele vergadering der kerken te Emden in 1571. Ook te Emden werd de noodzakelijkheid van kerkelijke tucht blijkbaar zeer op den voorgrond gesteld, hetgeen blijkt uit de uitvoerige bepalingen te dien aanzien en ook uit een antwoord op eene Particuliere Vraag te Emden gegeven (art. 11 van de lijst der Part. Vragen). De broeders uit Aken en Keulen hadden aan de Synode de vraag voorgesteld, of de excommunicatie ook moet toegepast worden, als de broeder, wien het geldt, dreigt alsdan de kerk te zullen „verscheuren”, m.a.w. als de excommunicatie niet zonder groot gevaar voor de kerk kan toegepast worden. Er was aanleiding toe, omdat juist in dien tijd een enkele afgesneden broeder door eene aanklacht bij de Overheid eene kerk en al hare leden in het grootste gevaar kon brengen. De Nederlandsche kerken, ook in de verstrooiing, waren toen meestal kruiskerken. Zoo’n afgesneden broeder, met de gemeente bekend, kon licht als verrader optreden. De Emdensche Synode oordeelde, dat men zich door zulke bedreiging niet moest laten afschrikken, ook al dreigde de kerk verstoord te worden. Alleen, voegde de Synode er bij, moet de kerkeraad voorzichtigheid gebruiken, aangezien niet is voorgeschreven hoeveel tijd tusschen de vermaningen moet verloopen. Bij de bepaling van den tijd, waarop de excommunicatie geschieden zal, zal men acht hebben op „de behoudenisse der Kerke”. Bij dreigend gevaar kan de kerkeraad temporiseeren, maar nooit eene noodzakelijke excommunicatie achterwege laten.

De beschouwing van tucht der Emdensche Synode is zeer zeker echt Gereformeerd en Calvinistisch. Het is juist het kenmerk van de Gereformeerde kerken om op de kerkelijke tucht bijzonder den nadruk te leggen. Dit is in Genève de groote strijd van Calvijn geweest, waarvoor hij alles op het spel heeft gezet, en dien hij ten slotte gewonnen heeft. Geheel in

|82|

overeenstemming met de denkbeelden van Calvijn achtten zijne leerlingen en de kerken in het algemeen de kerkelijke tucht noodzakelijk, ook tot excommunicatie toe. Juist uit den ernst, dien men met de zaak maakte, en om het hoog gewicht, dat men aan de excommunicatie toekende, oordeelden de kerken, ook met name onze kerken in de 16de eeuw, dat men niet al te spoedig tot excommunicatie zon overgaan.

Zoo bijv. oordeelde de eerste Dordtsche Synode van 1574, toen daar ter sprake kwam, dat er een aantal lidmaten waren, die vrij geregeld van het Avondmaal wegbleven, of ook op wie verdenking rustte inzake leer en leven. De Synode oordeelde, dat de opzieners daarop vlijtig acht moesten nemen, blijkens art. 73, dat de opzieners er op moesten letten, of de leden bij elk Avondmaal communiceerden om hen anders op te zoeken, in ’t bijzonder aan te spreken en te onderzoeken of er bezwaar was in leer en leven. Voorts dat, wanneer de berisping der opzieners niet hielp, de nalatigen voor den kerkeraad moesten ontboden en door dezen vermaand met waarschuwing en bedreiging met Gods gericht, en dat, wanneer dit niet hielp, de kerkeraad de zaak op de Classe moest brengen. Verder staat in het einde van het artikel, dat men niet lichtvaardig tot excommunicatie zal overgaan. De Synode wilde hiermede niet zeggen, dat excommunicatie werkelijk niet noodig zou zijn, maar waarschuwt er voor de excommunicatie niet te beschouwen als een middel om van een lastig lid af te komen, of als schrapping van iemands naam in een boek. In gelijken zin antwoordde die Synode op de vraag, of het Emdensche artikel over excommunicatie ook meebracht degenen, die in grove zonden vervallen, altijd te excommuniceren. Blijkens art. 82 was het antwoord. dat dit in geen geval mocht geschieden, als er eenig berouw getoond werd. Men zal hen wel een tijdlang van het Avondmaal afhouden, maar niet terstond excommuniceeren.

In gelijken zin besloot de Nationale Synode van Dordt van 1578, dat men boetvaardigen nooit mocht excommuniceeren, hoe grof de feiten ook waren, waaraan zij schuldig stonden; blijkens art. 52 van de antwoorden op de Particuliere Vragen. Voorts nam dezelfde Synode het Emdensche artikel over de manier van excommunitie woordelijk over. Hetzelfde deed ook de Nationale Synode van Middelburg van 1581, alleen met deze wijziging, dat er nu tusschen ingelascht werd de uitdrukking „met voorgaende aduijs der Classe”, art. 62 van de kerkenordening art. 39 van de Particuliere Vragen, waar staat: „In die tweede” (nl. vermaning) „sal met het advys der Classe zynen naem wtghedruckt worden”. Over het advies der Classe is reeds gesproken bij de behandeling van art. 76.

De bijvoeging lag in den aard der zaak. In 1571 kon nog moeilijk bepaald worden, dat de kerkeraad met advies der Classe zou handelen. De Classes waren te Emden wel

|83|

voorloopig ingedeeld, maar ze bestonden volstrekt niet werkelijk. Het was volstrekt nog niet zeker, wanneer zij konden saamkomen. Daarom werd het „met advies der Classe” in Emden nog niet in de kerkenordening gevoegd. Geregelde raadpleging der Classe werd eerst mogelijk, toen er vrijheid was. Na de vrijheid kwamen er meer kerken tot reformatie en was er een genoegzaam aantal kerken; evenzoo eene geregelde orde, die het saamkomen mogelijk maakte. Daarom kwam het er eerst in 1581 in, toen er geregeld classicale vergadering gehouden werd.

De Synode van Middelburg van 1581 plaatste dit artikel over naar de antwoorden op de Particuliere Vragen. Dit maakt geen materieel, maar een bloot formeel verschil. Men deed dit ter verkrijging van politieke approbatie. Om de kerkenordening zoo kort mogelijk te maken en er liefst zoo weinig mogelijk zaken in te noemen, waartegen de Overheid bezwaren kon hebben, werd er veel uit de kerkenordening uitgelicht. Niet om haar in kracht te verkleinen, want de antwoorden op de Particuliere Vragen zijn ook regulatief voor de kerken, maar om de kerkenordening voor de Overheid meer aannemelijk te maken. De excommunicatie ging er nu natuurlijk uit. Zij bleef in de kerkenordening, maar met een enkel woord, opdat de aandacht der Overheid er niet speciaal op vallen zou.

In 1586, toen er niet zooveel bezwaar tegen was om de kerkenordening grooter te maken en er tijdens Leicester zeker uitzicht was op politieke approbatie, is door de Nationale Haagsche Synode het artikel in de kerkenordening teruggebracht. De meeste artikelen, die in 1581 naar de Particuliere Vragen overgebracht waren, zijn toen in de kerkenordening terug geplaatst. Art. 70 van 1586 is volkomen gelijkluidend met artikel 77 van 1619.

In 1619 veranderde de Dordtsche Synode aan dit artikel niets, en nam het over zooals het er stond.

Het artikel zelf is voorts duidelijk. Er wordt beschreven, hoe het bij de excommunicatie moet toegaan, hoe het moet toegaan, als de censuur van het eerste stadium, de afhouding van het Avondmaal, in art. 76 besproken, overgaat tot het tweede stadium finale, dat van afsnijding. En in dat tweede stadium worden dan weer drie trappen of achtereenvolgende handelingen onderscheiden. In dat tweede stadium komt de zaak voor de gemeente, maar eerst zonder naam, alleen met vermelding van de zonde met hardnekkigheid, in het tweede stadium met vermelding van den naam, in het derde stadium met de bekendmaking, dat, als er geen bekeering volgt, excommunicatie zal volgen. Blijkens het artikel is bij de tweede handeling het advies der Classe noodig.

Men kan dit noemen trappen van censuur, eene uitdrukking, die vaak wordt gebruikt, maar eigenlijk niet geheel juist is.

|84|

Volgens de kerkenordening zijn er eigenlijk twee trappen van censuur nl. die van art. 76 en art. 77: 1e. afhouding van het Avondmaal, 2e. afsnijding. De tweede trap heeft dan weer drie onderdeelen of drie afzonderlijke treden. Men zou dus, waar sprake is van censuur, die naar het advies der Classe noodig is, eigenlijk niet moeten spreken van tweeden trap van censuur, maar van tweeden trap van excommunicatie. Bij den tweeden trap der censuur is bij het eerste stadium het advies der Classe nog niet noodig, wel bij het tweede.

De uitdrukking „tweede trap der censuur” geeft aanleiding tot misverstand. De uitdrukking trap is niet juist. Ze schijnt aan te duiden een voortgang van het mindere tot het meerdere in dezen zin, dat het meerdere dan ook heel wat meer insluit dan het mindere. Doch dit is bij censuur niet het geval. Het onderscheid tusschen den eersten en den tweeden trap is metterdaad een natuurlijk onderscheid, maar volgens art. 76 is de censuur voorloopig, die volgens art. 77 finaal is. De censuur van art. 76 is eigenlijk ook excommunicatie en ook wel zoo genoemd, maar dan „tijdelijke excommunicatie”. De gecensureerde was ook extra communionem ecclesiae, maar niet definitief. Hij was buiten het gebruik der rechten, niet buiten het bezit daarvan gesteld. De uitdrukking trappen geeft aanleiding tot misverstand, want dingen, die soortgelijk overeenkomen, schijnt zij aan te duiden als twee verschillende soorten van dingen. De gang van zaken is deze, dat er drieërlei soort van openbare vermaning geschiedt, nl. in de kerk en voor de gemeente, waarbij de broeder of zuster, wien ’t geldt, behooren, omdat natuurlijk de kerk of de gemeente er mee te doen heeft.

De vraag is wel eens gedaan, hoe het moet geschieden, als iemand te excommuniceeren is, en de kerkeraad van de kerk, waartoe hij behoort, weigert zijne medewerking te verleenen. Met gewone leden der gemeente kan dit zoo dikwijls niet voorkomen, eigenlijk in het geheel niet. Wel met Dienaren des Woords.

Het geval deed zich voor bij Caspar Coolhaes, die door de Leidsche Overheid krachtig gesteund werd en wien de kerkeraad ook ter zijde stond, althans dien de Overheid als zoodanig erkende. In Coolhaes’ tijd toch waren er twee kerkeraden, de oude en de nieuwe, de Gereformeerde en de Overheidskerkeraad. De laatste had het bezit van alles en werd met den machtigen arm gehandhaafd.

In Leiden nu was geen excommunicatie van Coolhaes mogelijk. In Leiden had de Classe en Synode niets te zeggen. Later heeft zich zulk een geval nog eens voorgedaan. Men deed dan de excommunicatie in naburige kerken geschieden, totdat men het in de kerk zelf kon doen. Tegenwoordig zal dit geval zich niet voordoen. Nu zou een kerkeraad, die niet

|85|

meewerkte, zelf in staat van beschuldiging komen. Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later zelf een schismatieke kerkeraad worden en in kerkelijke behandeling komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot conflict, tot zijne afzetting en tot aanstelling van eenen nieuwen kerkeraad. En nu is er geen Overheid, die er zich tegen verzetten zou.

Wat den tijd betreft, hoelang de geheele handeling duren moet, zegt het artikel niets. De betrokken kerkeraad zal daarover zelf oordeelen. Telkens en telkens is daarbij door schrijvers over kerkrecht de vermaning gegeven, om den tijd niet te kort te stellen wegens den hoogen ernst van de handeling. De bedoeling van het artikel is volstrekt niet, dat tusschen die drie openbare bekendmakingen aan de gemeente slechts enkele weken of maanden verloopen zullen. In den regel verliep er veel meer tijd, zoodat de geheele actie een jaar, soms 2 à 3 jaren duurde. In dien tusschentijd werd niet opgehouden met vermaning en waarschuwing.

De eigenlijke excommunicatie geschiedt volgens dit artikel niet bij de derde bekendmaking aan de gemeente zelve, maar daarna; want de derde handeling is, dat men de gemeente bekend make, „dat men hem — tenzij dat hij zich bekeere — van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede.” De eigenlijke excommunicatie geschiedt dus, als na de derde bekendmaking aan de gemeente, geen teeken van bekeering en berouw bij den broeder gezien is, en ook geen oppositie uit de gemeente komt, want daarvoor geschiedt de bekendmaking. Dan geschiedt de eigenlijke excommunicatie door den kerkeraad.

Komt er oppositie uit de gemeente, dan natuurlijk moet de zaak anders behandeld, moet de kerkeraad onderzoeken en oordeelen over de ingebrachte bezwaren.

Daarvan doen zich allerlei gevallen voor, waardoor het noodig wordt de excommunicatie uit te stellen. Als bijv. een groot deel der gemeente verklaart, niet overtuigd te zijn van de schuld, en dus door excommunicatie geërgerd zou worden, dan is temporiseeren aangeraden. Anders ontstaat er een schisma. Ook andere omstandigheden maken het voor een kerkeraad raadzaam met finale excommunicatie te wachten. Bij de meeste gevallen zal het geval wel zoo evident zijn, dat uit de gemeente geen oppositie te verwachten is. Indien de oppositie uit de gemeente slechts van enkelen uitgaat en de kerkeraad hen niet kan overtuigen, dan blijft over toch door te gaan, terwijl men wijst op de gelegenheid tot appèl op de Classe en Synode, tot beroep op de meerdere vergaderingen.

Met betrekking tot dit artikel is de vraag gedaan, of ook te

|86|

excommuniceeren zijn, die zich, tijdens zij in kerkelijke behandeling zijn, van de kerk afscheiden; die verklaren, dat zij met de kerk niets meer te maken willen hebben.

De vraag is dus: Of ook te excommuniceeren zijn, die zich van de kerk afscheiden, hetzij dat zij dit doen tijdens eene kerkelijke procedure, die tegen hen aanhangig is, d. i. in den tijd, dat zij onder kerkelijke behandeling zijn, hetzij wanneer zij in qualiteit zijn van ongerepte leden, omdat hunne overtuiging hen tot eene andere belijdenis brengt, of in het algemeen, omdat zij het met de Gereformeerde kerken niet meer kunnen vinden.

In de 16de en 17de eeuw is het bij herhaling geschied, dat men in zulke gevallen excommuniceerde, bijv. wanneer iemand „tot de Dooperschen verviel” of wanneer iemand Roomsch werd. Het meest bekende voorbeeld daarvoor hebben wij in Petrus Bertius, vroeger Arminiaan, regent van het Statencollege te Leiden, die bij den ommekeer van zaken hier te lande naar Frankrijk was uitgeweken, daar Roomsch was geworden, en toen dit na genoegzaam onderzoek geconstateerd was, hier te lande in zijne gemeente geëxcommuniceerd werd. Ook andere gevallen van dien aard kwamen voor. Schijnbaar was dit dan in strijd met den regel, dien de Gereformeerde kerken toch hadden aangenomen, dat de tucht gaat alleen over degenen, die tot de kerk behooren, en niet over die buiten de kerk zijn. Dit was in de 16de eeuw herhaaldelijk door de kerken uitgesproken, ook met name, toen de Staten van Holland daarop bijzonder hadden aangedrongen en eenige vrees getoond hadden, alsof de kerken tucht wilden oefenen over alle inwoners des lands, en bij de onderhandeling over de politieke approbatie der kerkenordening de clausule maakten, dat de kerkelijke tucht alleen zou gaan over die Gereformeerd van professie waren. De kerken spraken toen uit, dat zij het altijd zoo verstaan hadden. Doch daarbij moet in acht genomen worden, dat, die in de 16de en de 17de eeuw tot eene andere belijdenis overgingen, zich niet formeel van de Gereformeerde gemeente afscheidden. Zij moesten dan door de kerken, tot wie zij behoord hadden, beschouwd worden als nog in de gemeente te zijn. Toen ter tijd kwam het bij niemand op, als hij Roomsch of Doopersch werd, op formeele en officieele wijze te zeggen of te berichten, dat hij zich van de Gereformeerde kerk afscheidde, want toen leefde in de gedachten en voorstelling der menschen nog niet het begrip van genootschap.

In onzen tijd is dit anders. Onder gelijke omstandigheden zou ook in onzen tijd de kerkeraad met de tucht moeten voortgaan. Werd een lid van de Gereformeerde kerk Roomsch of iets anders, en liet hij daarvan niets weten aan den kerkeraad, dan zou deze met de kerkelijke behandeling van zulk een lid moeten voortgaan, als hij reeds in kerkelijke behandeling was; of zoo dit laatste

|87|

niet het geval was, met kerkelijke behandeling moeten beginnen. De zoodanige is dan te beschouwen als een lid, dat afweek. Doorgaans echter staat de zaak anders. Die zich, onder kerkelijke behandeling zijnde, afscheiden, doen dit nu doorgaans door formeele kennisgeving. Zij maken, dat de kerkeraad dit weet. Die tegenwoordig zich aansluiten bij de Roomsche of Doopersche kerk, of bij het hervormd Genootschap, zenden daarvan gewoonlijk aan den kerkeraad bericht. Een Gereformeerde kerkeraad moet dat bericht wel accepteren, maar toch niet direct aannemen en iemand eenvoudig in de boeken schrappen. Want dit is in strijd met de roeping der opzieners. Zij moeten zulk een lid nog bewerken en beproeven hem terecht te brengen, de dwalingen trachten weg te nemen en lang wachten, eer de zaak als definitief wordt beschouwd, al kan soms spoedig blijken, dat er niets aan te doen is. Wel maakt zoodanige formeele afscheiding, dat de kerkeraad niet met kerkelijke tucht tegen den zoodanige kan optreden. Door de formeele afscheiding wordt dit verhinderd. Toepassing van kerkelijke tucht of excommunicatie op de zoodanigen komt niet overeen met het beginsel, dat excommunicatie alleen over leden der kerk gaat, en dat niemand door dwang lid der kerk kan zijn. Het behooren tot eene kerk is geen dwang. De kerk is vrij op te nemen, wien zij wil: maar ook ieder is vrij, zich bij eene kerk te voegen of niet. Kerkelijke tucht is dan niet toe te passen volgens het beginsel. En ook zou toepassing van tucht dan zeer zeker in conflict komen met de burgerlijke wet, want die kan alleen tucht veroorlooven van eene kerk over degenen, die tot die kerk behooren, en niet met betrekking tot diegenen, die er buiten staan. Wilde de kerk dan tucht oefenen in het openbaar voor de gemeente met naam en toenaam van den afgewekene, met vermelding van de zonde, en de zoodanige behoorde niet meer tot de kerk, dan zou hij eene actie kunnen instellen wegens laster en kwaadsprekendheid. Dit kan niet geschieden, als hij lid der kerk is, want dan is het met zijne eigen toestemming, dat de tucht zoo wordt toegepast. De justitie zou dan op zijne klacht zeggen: waarom zijt gij bij de kerk?

Wanneer iemand dus formeel zich van de kerk losmaakt, moet de kerkeraad zich aan hem laten gelegen liggen, maar kan hij geen tucht uitoefenen, 1e om het eigenlijke beginsel, 2e om niet in conflict te komen met de strafwet.

In de practijk geschiedt het vaak, dat de kerkeraad ook maar aanstonds ophoudt met pogingen om den afgewekene te winnen en terug te brengen. Zulke formeele afscheiding geschiedt in den regel bij menschen, die het den kerkeraad lastig maken, die men uit de gemeente gaarne kwijt wil zijn. De kerkeraad grijpt dan de gelegenheid aan zoodanig lid te schrappen.

|88|

Doch dit streven van eenen kerkeraad om van een lastig lid af te komen, is verkeerd. Dit is niet Christelijk, niet Gereformeerd. Streven en motief voor den kerkeraad mag niet zijn om het zich gemakkelijk te maken. De gemakkelijkste weg is meestal de minst Christelijke weg. Men is geen Christen, geen opziener voor zijn gemak. De bedoeling van den kerkeraad moet steeds zijn iemand te winnen.

Eene volgende vraag met betrekking tot dit artikel is: Welk effect de excommunicatie heeft? Wat daaruit voortvloeit met betrekking tot het lid, dat geëxcommuniceerd is?

De kerkenordening spreekt er niet van. Het hoort er ook niet in thuis. De kerkenordening geeft alleen algemeene regelen. Toch moet er hier over gesproken worden, want in de practijk kan dit aanleiding geven tot moeilijkheid, omdat uit de verschillende beschouwingen van het effect der excommunicatie ook eene verschillende gedragslijn en handelwijze kan voortvloeien.

Zooals het woord excommunicatie zelf aanduidt, wordt de geëxcommuniceerde buiten de communio gesteld, of liever verklaard, dat gebleken is, dat hij buiten de communio staat; en is het effect van excommunicatie, dat hij geacht wordt buiten de gemeente en buiten het Verbond te staan. Dit ligt in het woord excommunicatie en ook in de uitdrukkingen, die in de H. Schrift voor de zaak gebruikt worden.

Zoo bijv. in 1 Cor. 5: 2 wordt het geëxcommuniceerd zijn genoemd ἀρθῆναι ἐκ μέσου ὑμῶν scil. τῶν ἀδελφῶν. Uit het midden weggedaan worden, beteekent: buiten de gemeente komen te staan. Ditzelfde ligt ook in de uitdrukking van vs. 5, zelfs nog wat sterker. Buiten de gemeenschap staan is het negatieve begrip, vs. 5 geeft het positieve: παραδοῦναι τῷ σατανᾷ εἰς ὄλεθρον τῆς σαρκός. Dit is de positieve uitdrukking, waardoor het negatieve begrip van buiten de gemeente te staan nog veel sterker verklaard wordt. Er wordt gesproken van „overgeven aan den satan”, om daardoor aan te duiden, dat de zoodanige, die tot nu toe geacht is als te behooren tot het Koninkrijk des lichts, gebleken is te behooren tot het rijk der duisternis en nu daarheen verwezen wordt.

In 1 Cor. 16: 22 wordt voor deze zaak de uitdrukking gebruikt ἤτω ἀνάθεμα. „Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking, Maranatha”.

In Gal. 5: 13 wordt het excommuniceeren genoemd: ἀποκόπτειν, afsnijden, ὄφελον καὶ ἀποκόψονται οἱ ἀναστατοῦντες ὑμᾶς.

In 1 Timoth. 1: 20 is de uitdrukking: παραδοῦναι τῷ σατανᾷ, aan den satan overgeven, waar Paulus spreekt van twee ketters, Hymenaeus en Alexander.

Rom. 9: 3: ἀνάθεμα εἶναι, evenals in 1 Cor. 16: 22, St. Vert.: verbannen zijn.

|89|

De uitdrukking in Matth. 18 gebruikt, de meest classieke plaats voor kerkelijke tucht, is in vs. 17: ἔστω σοι ὥσπερ ὁ ἐθνικὸς καὶ ὁ τελώνης, „zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar”, als hij dus ook naar de gemeente niet luistert. Van de excommunicatie wordt hier gezegd, dat zij iemand maakt met betrekking tot de gemeente als den heiden en den tollenaar.

Met andere plaatsen is dit aantal nog te vermeerderen, want er zijn nog meer soortgelijke uitdrukkingen in de H. Schrift. Doch uit de aangegevene is de zaak duidelijk, hoe de bedoeling is om den geëxcommuniceerde te beschouwen als buiten de gemeente en het Verbond staande, door de verklaring omtrent den geëxcommuniceerde, dat hij geacht wordt niet tot het Koninkrijk Gods te behooren.

Wat de Heidelbergsche Catechismus zegt, komt hiermede overeen, vraag 83 en 85, waar van den Christelijke ban of uitsluiting uit de Christelijke gemeente gesproken wordt. De geëxcommuniceerde wordt geacht niet tot de geloovigen te behooren. Ditzelfde ligt ook in het woord „ban”. „Ban” beteekent eigenlijk publieke proclamatie, bepaald in het Fransch ook in anderen dan in ongunstigen zin. Maar meest wordt het woord gebruikt in de beteekenis van publieke proclamatie, waarbij verklaard wordt, dat aan iemand de bescherming, die anders aan ieder ingezetene van de Overheid toekomt, onttrokken wordt, waardoor iemand buiten het gemeene recht wordt geplaatst. Het Oud-Hollandsch heeft het werkwoord „verlaten”, in den zin van laten varen, buiten de gemeenschap stellen. Dit was dus ook de beschouwing, en in het algemeen de beschouwing van de Gereformeerden, met betrekking tot de excommunicatie.

Schijnbaar strijdt daarmede geheel, wat twee Nationale Synoden, van Dordt in 1578 en van Middelburg in 1581, met betrekking tot afgesnedenen en hunne kinderen bepaald hebben.

Op de Dordtsche Synode van 1578 kwam de vraag in (Partic. Vragen art. 27): „Ofmen allerley mensschen Kinderen als van hoereerders Afghesnedenen Papisten ende anderen dierghelycken sonder onderscheyt doopen sal?”. Geantwoord werd, dat de Doop moet toegestaan. Deze kinderen mochten niet van den Doop geweerd. De motiveering was: „Ouermidts de doop den kinderen die int verbont Gods staen toekoemt, ende het ghewis is dat dese kinderen buyten het verbont niet en syn”.

Op de Middelburgsche Synode van 1581 kwam uit Zuid-Holland de vraag (Partic. Vragen art. 91): „Oft de ghene die ordentlick naer den reghel Christi gheëxcommuniceert syn ende met hen de kinderen, diese winnen duerende de Excommunicatie, buijten het verbondt sijn?”. Antwoord: „Neen”. Dit ging dus nog verder dan de Dordtsche Synode van 1578, want daar was alleen sprake met betrekking tot kinderen van

|90|

geëxcommuniceerden. De Synode van Middelburg paste het „niet buiten het Verbond staan” naar de letter van haar besluit ook toe op de geëxcommuniceerden zelf. Dit laatste nu zou in geen geval kunnen, en is ook zeker niet naar de letter waar. Het is ook niet te denken, dat die Synode dit zoo zal bedoeld hebben, dat degenen, die geëxcommuniceerd zijn, geenszins te houden zijn als die buiten het Verbond staan. Waarschijnlijk is met betrekking tot deze quaestie de formuleering in de Particuliere Vragen wat summierlijk en kort saamgevat, waardoor de uitdrukkingen onduidelijk zijn geworden. De bedoeling zal wel geweest zijn, om te spreken van kinderen van geëxcommuniceerden, aangezien het moeilijk aangaat aan te nemen, dat de geëxcommuniceerden geenszins te houden zijn als buiten het Verbond staande. Dit zou een contradictoire verklaring zijn.

Met betrekking tot de kinderen staat deze quaestie eenigszins anders, want ook in de 16de eeuw werd aangenomen, dat het Verbond Gods doorgaat in de geslachten, ook al ontbreken er een of meer schakels, ook al komt er in het vervolg een ongeloovig geslacht in. Daarvoor is natuurlijk wel iets te zeggen. Om die reden ging men bij kinderen van geëxcommuniceerden terug op de grootouders, en zei: zij zijn uit het zaad der kerk terwille van de grootouders. Of dit daarentegen juist is, is eene andere zaak, maar die niet bij excommunicatie te pas komt, wel bij de quaestie, wie men doopen zal. Deze oplossing komt het meest met het karakter van excommunicatie overeen en ligt ook het meest voor de hand, dat men kinderen van geëxcommuniceerden, die na de excommunicatie gewonnen zijn, niet erkennen en aannemen zal als kinderen des Verbonds en als het zaad der kerk, omdat de ouders, die deze kinderen wonnen, gelijk waren aan heidenen en tollenaars. En kinderen van heidenen zou men niet doopen, ook al was aan te wijzen, dat onder de voorouders dier heidenen Christenen waren geweest. Hunne kinderen zijn daardoor niet kinderen van geloovigen geworden.

Eene andere quaestie is het, als een der beide ouders geëxcommuniceerd is. Dan ligt de lijn des Verbonds in de(n) andere(n) der ouders. Het kind is dan geheiligd òf in den vader òf in de moeder. Zijn beide geëxcommuniceerd, dan is het moeilijk dit aan te nemen.

Het gevolg van excommunicatie is, dat de geëxcommuniceerde buiten de gemeente en buiten het Verbond komt te staan, en dus ook geenerlei deel meer heeft aan al de geestelijke goederen der gemeente, ook niet aan de stoffelijke, maar dat is het minste.

Daarom is hem nog niet verboden de samenkomsten der gemeente bij te wonen. Men vindt wel in de 16de eeuw zoodanig verbod door onderscheiden kleinere Synoden, en ook wel door

|91|

kerken afzonderlijk uitgesproken, maar dit heeft dan zijnen grond niet in de excommunicatie alleen, niet in die excommunicatie als eigenlijk motief. De reden was dan deze, dat men vreesde, dat zulk een geëxcommuniceerde, de samenkomsten der gemeente bijwonend in den tijd van vervolging, allicht als verrader zon kunnen optreden en groot onheil over de gemeente brengen. Wat dus in de kruiskerken of in de geheime kerken te dien aanzien geschiedde, is dus niet volgens algemeenen regel zoo geschied. Algemeene regel is, dat, waar de gemeente vrij samenkomt, ook de geëxcommuniceerde de samenkomsten der gemeente bijwoont. In de oude Christelijke kerk der eerste eeuwen mochten zij dit alleen doen in het voorportaal, om goed te doen uitkomen, dat zij nu niet tot de, gemeente behoorden. In dienzelfden tijd geschiedde dit ook met alle, anderen, die niet tot de gemeente behoorden. En tegen zulk een gedrag is niets te zeggen. Daarom stonden later en staan ook in onzen tijd bij iedere samenkomst der gemeente de deuren open voor iedereen, voor Joden, Mohamedanen en Heidenen. De geëxcommuniceerde kan ook niet uitgesloten. Het ligt zelfs in de uitdrukking: hij zij u als de heiden en de tollenaar. Eenen heiden zal men juist opwekken naar de samenkomst der gemeente te gaan, om het Woord te hooren bedienen. Iedereen kan komen bij de samenkomst der gemeente, alleen een geëxcommuniceerde komt er dan niet in qualiteit van gemeentelid. In de samenkomst der gemeente komt de gemeente saam. Voor de gemeente wordt het Woord bediend. Die het Woord bedient, spreekt de bijeen zijnde schare aan niet als ongeloovigen, maar als gemeente. Daartoe behoort niet de geëxcommuniceerde, al mag hij er natuurlijk bijzitten en luisteren. Hij hoort het Woord aan, hoe het voor de gemeente bediend wordt. Dus niet in qualiteit van gemeentelid, als de zoodanige, die tot de gemeente behoort, op wien de dienst des Woords berekend en ingericht is. Dienst des Woords is niet Evangelisatie aan heidenen.

Nog meer is in de Christelijke kerk voorgeschreven en te zeggen met betrekking tot het effect der excommunicatie, voor zoover dit den omgang tusschen geëxcommuniceerden en andere gemeenteleden raakt.

Daaromtrent heeft zich in den loop der eeuwen eene vaste traditie gevormd, ook overeenkomstig alle besluiten van Concilies en alle bepalingen van Canonisten en Casuïsten in de Roomsche kerk, waardoor vrij uitvoerig is uitgewerkt, wat het effect van eene excommunicatie is voor eenen geëxcommuniceerde met betrekking tot andere leden der gemeente. En dat voor allerlei gevallen.

En daarna in de 16de eeuw is ook op dat punt bijzonder de aandacht gevestigd geweest door alle Doopersche richtingen, en is er

|92|

een zeker stelsel uitgewerkt ten aanzien van de „mijdingen”, die tegenover eenen geëxcommuniceerde zijn in acht te nemen.

Wat in de Roomsche kerk te dien aanzien gold, is naar de gewoonte van de Canonisten en Casuïsten, die, om het geheugen te hulp te komen, al hunne regelingen in versjes brachten, in de handboeken, wat de negatieve beteekenis betreft, vervat in den hexameter: „Os, orare, vale, communio, mensa negatur”. Waar dit negatief ontzegd werd, mocht positief wel, wat in dezen hexameter stond: „Utile, lex, humile et res ignorata, necesse”.

Deze bepalingen noemt Voetius in zijne Politica Ecclesiastica, Dl. IV, pp. 925-928. De Gereformeerden namen deze bepalingen niet zoo over, maar brachten er bedenkingen tegen in.

Ten slotte zullen wij spreken over hetgeen omtrent het effect der excommunicatie in de Roomsche kerk en bij de Dooperschen geleerd wordt.

Wij zagen reeds, hoe in de Roomsche kerk vijf dingen worden genoemd, die aan den geëxcommuniceerde ontzegd worden, en vijf dingen, waarin nog wel eenige gemeenschap met het geëxcommuniceerde lid gehouden wordt. Zij zijn vervat in de reeds genoemde hexameters:
„Os, orare, vale, communio, mensa negatur.
Utile, lex, humile et res ignorata, necesse”.

Door „os” verstaat de Roomsche kerk saamspreking. Men mag dus met den geëxcommuniceerde geen gesprek houden. Intusschen zijn de Roomsche Canonisten wel gedwongen geworden om bij die bepaling allerlei uitzonderingen te maken, en door die uitzonderingen wordt dan eigenlijk de bepaling tamelijk wel van kracht beroofd. De Gereformeerden zeggen te dien aanzien, dat saamspreking in het algemeen niet verboden is, maar wel zoodanige omgang, die een meer intiem en broederlijk karakter draagt. Men kan niet met geëxcommuniceerden saamspreken als met broederen, maar andere saamspreking kan en moet men ook houden met Heiden, Jood en ongeloovige, en met hen staat de geëxcommuniceerde gelijk.

Door „orare” verstaat de Roomsche kerk, dat men met een geëxcommuniceerd lid niet samen bidden mag. Ook daarbij moeten de Casuïsten gevallen noemen, waarin uitzonderingen zijn. Den regel houden zij zeer streng vast, zoo zelfs, dat als tijdens het gebed der gemeente in de kerk een geëxcommuniceerde binnenkomt, men aanstonds met bidden moet ophouden. De Gereformeerden laten hem ook bij het gebed toe. Bij de Gereformeerden hebben ongeloovigen, Heidenen en Joden ook toegang bij het gebed van de saamvergaderde gemeente. Het gebed toch kan ook voor hen nuttig zijn. Doch het gebed blijft altijd het gebed der gemeente, en is geen gebed, waarbij er rekening mee gehouden wordt, dat ook de geëxcommuniceerde als zoodanig zou kunnen meebidden. Het is geen gebed van

|93|

geloovigen en ongeloovigen dooreengemengd. Het zou verkeerd zijn, indien het gebed, dat gelijk blijft, of de geëxcommuniceerde er bij is of niet, moest gelden als een gebed voor niet en wèl geëxcommuniceerden.

Door „vale” verstaat de Roomsche kerk begroeting en alle eerbetuiging, die met betrekking tot eenen geëxcommuniceerde verboden wordt. De vraag, of men tot eenen geëxcommuniceerde zeggen mag: moge God u tot bekeering brengen, wordt volgens Rome bevestigend beantwoord. Zoo zijn er een aantal begroetingen ook volgens de Roomsche leer geoorloofd, indien zij strekken tot verbetering en niet tot eigen eere van den geëxcommuniceerde. 2 Joh. : 10, 11 ziet volgens Rome alleen op de begroeting van valsche leeraars in hunne qualiteit, en niet op de begroeting in ’t algemeen. De Gereformeerden stemmen hiermede overeen.

Onder „communio” verstaat de Roomsche kerk gemeenschap met geëxcommuniceerden en het samenwonen, samenwerken of het sluiten van overeenkomsten; maar daarvoor zijn ook weer uitzonderingen in menigte noodig, daar anders de regel niet kan opgaan. De Gereformeerden stemden dit wel toe, doch zeiden: zeer zeker, alle familiare, vriendschappelijke en broederlijke omgang met geëxcommuniceerden, zoodat men van hen zijne bijzondere vrienden maakt, is uitgesloten, maar niet alle verkeer met hen houdt op. Naar Paulus’ woord van 1 Cor. 5 : 10 zou men anders uit de wereld moeten uitgaan. Samenwonen, samenwerken en overeenkomsten sluiten, niet op kerkelijk gebied, maar omgang, mits niet intiem, heeft men zelfs met Heidenen, Joden en ongeloovigen, ook dus met geëxcommuniceerden.

Door „mensa” wordt bedoeld samen eten, samen aan tafel zitten. Intusschen zijn ook daarbij zooveel uitzonderingen, dat de regel ten slotte niet blijft. De Gereformeerden oordeelden: Een vriendschappelijken maaltijd houden met eenen geëxcommuniceerde is zeker niet geoorloofd, maar niet wordt verboden het samen aan tafel zitten van leden van eenzelfde familie en huisgezin. Als de vader of moeder geëxcommuniceerd is, moeten vader of moeder niet apart zitten, en hebben de anderen niet het recht dit tot hun ouders te zeggen. En ook als iemand in een logement of herberg komt, waar een geëxcommuniceerde verblijf houdt, behoeft hij zich niet af te scheiden.

In het algemeen is het standpunt der Gereformeerden ten opzichte van de mijding, dat men niet moet trachten allerlei gevallen te definieeren, waarin mijding te pas komt, want dit is onmogelijk; maar dat men in het oog moet houden, wat de bedoeling en de reden der mijding is, nl. opdat de ander beschaamd worde en door schaamte gedreven tot berouw kome.

In het algemeen moet men den geëxcommuniceerde mijden

|94|

ten opzichte van de kerk, opdat hij gemis der gemeenschap der heiligen hebbe en zoo terugkeere. Waar het verkeer met den geëxcommuniceerde hem van dit doel zou afleiden en hem eene honorabele positie zou geven, is dit verkeer uitgesloten.

De Roomsche kerk zelf heeft tegenover die vijf gevallen van mijding een vijftal gevallen moeten stellen, waarin omgang verplicht was.

Onder „utile” wordt verstaan: verkeer met den geëxcommuniceerde, dat tot zijn nut kan dienen, wat hem ten goede komt voor zijn geestelijk heil. Natuurlijk, ieder geloovige moet trachten eenen geëxcommuniceerde terecht te brengen, evenals ditzelfde geldt bij Heidenen en Joden. De Gereformeerden gevoelden dit ook.

Onder „lex” wordt de lex matrimonii verstaan, die hem als plicht wordt opgelegd, in tegenstelling met het gevoelen, dat ook wel uitgesproken is, dat de huwelijksplicht door excommunicatie wordt opgeheven en het huwelijk geschorst en ontbonden.

„Humile” ziet op den dienst, door ondergeschikten aan meerderen te betoonen, van kinderen aan hun ouders, van slaven en dienstknechten aan hun heeren, van pupillen aan hun voogden. Aan den plicht tot gehoorzaamheid tegenover wie die gehoorzaamheid betaamt, mogen zij zich niet onttrekken. Door excommunicatie wordt die verplichting niet opgeheven. Aldus oordeelen ook de Gereformeerden, die het echter niet eens zijn met de uitzondering, die Rome maakt met betrekking tot de gehoorzaamheid van onderdanen aan hunnen vorst, dat nl. de kerk eenen vorst kan excommuniceeren, zodat de onderdanen niet tot gehoorzaamheid gehouden zijn. Het kwam vaak in de geschiedenis voor, dat bij excommunicatie van eenen vorst de Roomsche kerk de onderdanen ontsloeg van den eed der gehoorzaamheid aan de Overheid. Dit was in de Middeleeuwen een uitnemend middel voor de hiërarchie om zeggingschap over de vorsten te hebben. Zoo kon de Kerk de Overheid dwingen. De Gereformeerden oordeelden, dat hiervoor geen grond was, noemden het inconsequent, en uit heerzucht voortgekomen.

Door „res ignorata” wordt verstaan: verkeer of gemeenschap met eenen geëxcommuniceerde, als men niet wist, dat hij geëxcommuniceerd was. Onschuldige onwetendheid excuseert. De Gereformeerden geven toe, dat het geval zoo kan zijn.

„Necesse” betreft de gemeenschap, die niet te vermijden is, ziet op het geval van nood. Hier ligt een ruim veld voor de Casuïsten, die nu ruimschoots gelegenheid hebben hiervoor allerlei bepalingen te maken. Onder dit punt kan alles binnengeloodst worden. In de practijk komt de quaestie van nood wel overeen met wat de geestelijke belieft te bepalen voor ieder bijzonder geval. De geestelijkheid kan dan allerlei bepalen.

De Dooperschen gaan met die gevallen veel verder.

|95|

De regels van de Roomsche kerk omtrent mijding pasten zij consequenter toe. Zij proclameerden de mijding ook met betrekking tot het huwelijk, den band van ouders en kinderen, en met betrekking tot alle samenwonen, samenwerken, sameneten, samenspreken en samenleven. Dit was natuurlijk consequent, maar terzelfder tijd ook iets geheel uitwendigs, want, het doel der mijding werd uit het oog verloren en dan ook niet bereikt. Het doel der mijding was bij hen eigenlijk iets uitwendigs, dat in de practijk ten slotte toch niet was vol te houden.

Daartegenover hebben de Gereformeerden aangetoond, dat zulke mijding niet voortvloeide uit de Schriftuurplaatsen, waarop de Dooperschen zich beriepen; maar dat moest vastgehouden, dat de geëxcommuniceerde voor den geloovige zij als de heiden en de tollenaar. Hierover bestaat eene belangrijke polemische literatuur uit de 16de en het begin der 17de eeuw. De twee meest afdoende geschriften zijn: 1e Babel, dat is Verwerringhe der Wederdooperen van Hermannus Faukelius, 1621; 2e een geschrift van den Haarlemschen predikant Samuel Ampsing, dat door zijnen zoon en naamgenoot in het Latijn is vertaald, en in 1619 verschenen is onder den titel: Tres disputationes theologicae adversus anabaptistas.

Door de Gereformeerde kerken zelve was op het punt van mijding al in de eerste redactie van de kerkenordening uitgesproken, welke mijding bedoeld werd; vgl. art. 31 valt de Acta van de Synode van Emden van 1571. Aan het einde van dit artikel staat, dat bij excommunicatie: „De Kercken-Díenaer sal ’t gebruyck ende ’t eynde des Bans in ’t breede verclaren, ende sal den gheloovighen vermanen, dat sy gheene alte ghemeensame ende onnoodighe conversatie ende gheselschap met den verbanneden hebben, maer zijn geselschap schouwen tot dien eynde voornemelijck, op dat die verbande ofte uitgheslotene beschaemt zijnde, ernstelijck bedencke sick te bekeeren”. Dezelfde woorden worden herhaald door de Dordtsche Synode in 1578 in art. 97 van hare redactie van de kerkenordening. Het is later in de kerkenordening niet meer herhaald, omdat daarna de formulieren van afsnijding en wederopneming, gemaakt zijn, en in gebruik gekomen. Het ontstaan van die formulieren is niet precies na te gaan, wel, dat zij tusschen 1581 en 1586 gemaakt en in gebruik gekomen zijn. In 1581 waren zij er niet. Toen moest men er zelf een voor de excommunicatie opstellen en was er sprake van eene afzonderlijke „forme” of bepaling, door de Synode te maken. In 1586 waren ze er blijkbaar wel, want er werd verwezen naar het formulier van wederopneming, en gesproken van „het formulier daer van zijnde”.

In het „formulier des Bans of der afsnijding van de

|96|

Gemeente” wordt met betrekking tot de mijding met andere woorden gezegd, wat vroeger in de kerkenordening stond.

Daarom was het niet noodzakelijk de mijding nog in de kerkenordening op te nemen.

Op het artikel over de excommunicatie volgt art. 78 over de wederopneming van geëxcommuniceerden.