|38|
In Kerk 2025 komt de kerkelijke rechtspraak aan de orde in het kader van ‘Hoe we samen kerk zijn’ (deel IIB hoofdstuk 1). Hier is de inzet dat de gemeenten zo met elkaar leven en samen kerk zijn, dat zij daarmee het wezenlijke van de kerk dienen. Volgens velen dreigen we echter juist hier vast te lopen en wekken we de indruk vooral een besturenkerk te zijn.
Het uitgangspunt is dat de kerk haar eigen rechtspraak kent. Zo krijgt het toezien van de kerk op het leven van gemeente en kerk gestalte. Daarin wordt principieel onderscheid gemaakt tussen de rechtsgang inzake opzicht over de belijdenis en wandel van de leden en de ambtsdragers en van hen die een dienst vervullen, en die voor de behandeling van bezwaren (tegen besluiten van kerkelijke lichamen) en geschillen (competentiekwesties tussen ambtsdragers en functionarissen of kerkelijke lichamen). Daarnaast kent de kerk nog twee aparte rechtsgangen voor losmaking van predikanten en voor conflicten tussen kerkenraad en plaatselijke colleges over bepaalde beheerszaken (voor een nadere toelichting en overzicht van de huidige regelingen, zie bijlage 1).
De huidige opzet vraagt om de inzet van veel mensen, regionaal en
landelijk. Ook stelt zij hoge eisen aan de deskundigheid van de
collegeleden en de kwaliteit van de behandeling en beslissingen.
Gezien de te verwachten afname van de beschikbare bestuurskracht
in de komende jaren, zowel kwantitatief als kwalitatief, komt de
houdbaarheid van deze opzet volgens Kerk 2025 onder drukte
staan.
De complexe inrichting van de kerkelijke rechtspraak binnen onze
kerk is voor hen die daarop een beroep doen soms moeilijk te
overzien. In zaken waar meerdere rechtsprekende colleges
tegelijkertijd betrokken zijn, komt de vraag op of er een vorm
van regie mogelijk is. Ook komt het voor dat partijen zich
beklagen bij het moderamen van de generale synode wanneer
generale colleges van elkaar afwijkende beslissingen nemen
waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld.
Kerk 2025 stelt daarom de vraag of de organisatie van de
kerkelijke rechtspraak niet efficiënter en doelmatiger kan worden
aangepakt, door bundeling van de verschillende colleges tot één
college kerkelijke rechtspraak, zonder dat de kwaliteit van de
kerkelijke rechtspraak geweld wordt aangedaan.
In de huidige regelingen geldt een principieel onderscheid
gemaakt tussen opzicht en andere kerkelijke rechtspraak. Opzicht
is gericht op opbouw, behoud, verzoening en bewaring van de orde
in de gemeente. Andere kerkelijke rechtspraak beoogt primair het
rechtte onderhouden. Dit zou een bundeling van opzicht met de
andere vormen van kerkelijke rechtspraak in de weg kunnen
staan.
In de praktijk zien we echter dat ook de opzichtprocedures door
de juridisering van de samenleving (en de kerk) — en in het
bijzonder door de behandeling van klachten die te maken hebben
met seksueel misbruik in pastorale relaties (SMPR) — in
toenemende mate het karakter hebben gekregen van rechtspraak.
Steeds vaker laten partijen zich bijstaan door een professionele
advocaat. Daarbij ligt de kerk in zaken van SMPR onder het
vergrootglas van de samenleving. Door deze juridisering wordt het
principiële verschil tussen opzicht en andere kerkelijke
rechtspraak gerelativeerd. Gevoegd bij de groeiende zorg in de
praktijk over het duurzaam kunnen garanderen van de noodzakelijke
kennis en kunde binnen de verschillende colleges, verdient een
bundeling van krachten uit praktisch oogpunt de voorkeur boven
het strikt handhaven van een sterk formeel onderscheid tussen
deze rechtsgangen.
|39|
Praktisch gezien is het ook goed voorstelbaar dat alle huidige vormen van kerkelijke rechtspraak — met inachtneming van de verschillende doelstellingen — binnen onze kerk worden gebundeld. Dit kan worden gerealiseerd in twee colleges: 1 regionaal college (voor de behandeling in eerste aanleg) en 1 generaal college (voor de behandeling in hoger beroep), elk met een apart secretariaat en contactadres. Hierdoor blijft de nu geldende onafhankelijkheid van de behandeling in hoger beroep gegarandeerd. Binnen deze twee colleges worden verschillende kamers ingericht die gespecialiseerd zijn in een bij kerkorde bepaalde rechtsgang. Deze kamers worden samengesteld en functioneren zoals de kerkorde voor de betreffende rechtsgang voorschrijft. Zaken in eerste aanleg kunnen verspreid in het land worden behandeld zodat de toegankelijkheid van de rechtspraak (vermijden van lange reistijden naar een college in een ander deel van het land) blijft gewaarborgd.
De voordelen van bundeling zijn de navolgende. Er kan efficiënter en doelmatiger gebruik worden gemaakt van de beschikbare deskundigheid in de kerk, vooral in de regio. Door de zaken meer over alle leden van een regionale kamer te verdelen wordt bereikt dat ieder lid in staat wordt gesteld de nodige ervaring op te doen en de functie voor hen interessant wordt. Ook de toerusting van de leden kan beter worden aangestuurd, ervaring gemakkelijker worden uitgewisseld, gezamenlijke expertise worden opgebouwd en stroomlijning van procedures en uitspraken worden bevorderd. Daarnaast kan door het werken met gespecialiseerde kamers de betrokkenheid vanuit bepaalde ambten (zoals van predikanten en ouderlingen bij opzicht) worden gegarandeerd.
Samenvattend kan worden gesteld dat bundeling van krachten principieel niet onoverkomelijk is en praktisch veel voordelen biedt boven de huidige bewerkelijke opzet. Voorgesteld wordt om de hier beschreven opzet verder uit te werken, in overleg met de rechtsprekende colleges, met in achtneming van het navolgende.
Om de belasting van de beschikbare menskracht terug te brengen,
zou kunnen worden gedacht aan het verminderen van het aantal
leden waaruit een zittingskamer moet bestaan om een zaak te
behandelen en af te doen. Sinds de evaluatie van de kerkorde
(2013) is dit aantal voor alle colleges voor het opzicht en
bezwaren en geschillen bepaald op 5 leden Hiervoor is gekozen om
een bepaalde verdeling van ambten mogelijk te maken en een
beslissing van een college een breed draagvlak te geven, gelet op
het gewicht van de (rechts)gevolgen daarvan. In de burgerlijke
rechtspraak is het getal van 3 daarvoor gangbaar.
Dit getal van 3 zou mogelijk kunnen gaan gelden voor een
regionale zittingskamer, waarbij het thans voorgeschreven
juridisch adviseur lid als toegevoegd lid wordt opgevat. Hierbij
moet worden bedacht dat voor de behandeling van SMPR-zaken is nu
voorgeschreven dat een college voor het opzicht bovendien wordt
uitgebreid met 2 toegevoegde deskundigen. Met vermindering van
het aantal leden van 5 naar 3 spelen we in op de teruggang aan
menskracht. Een nadeel is dat daardoor het draagvlak voor
uitspraken in eerste aanleg kleiner en de kans op hoger beroep
groter wordt.14
Voor een generale zittingskamer verdient het de voorkeur om het
huidige getal van 5 leden plus 1 juridisch adviseur15
te houden, gezien het algemeen belang dat met een beroepszaak in
hoogste instantie gemoeid is.
14 De vraag is gesteld of het voorgeschreven
aantal extra deskundigen bij SMPR-zaken niet kan worden beperkt
tot 1.
15 Een alternatief voor de nu voorgeschreven extra
juridisch adviseur kan ook zijn dat een van de leden van een
zittingskamer jurist moet zijn.
|40|
De vorming van één college voor kerkelijke rechtspraak maakt het
mogelijk om bij zaken waarbij in eerste aanleg tegelijkertijd op
meerdere rechtsgangen een beroep wordt gedaan een vorm van regie
te voeren. Daarbij kan door een voorzitter en/of secretaris
worden bepaald naar welke regionale zittingskamer een zaak wordt
verwezen. Ook wordt onderlinge afstemming mogelijk waardoor
genoemde zaken gecoördineerd en/of gefaseerd worden behandeld.
Hierdoor kan de helderheid over de procedure en te verwachten
tijdpad bij de betrokken partijen en gemeenten waaruit die
partijen afkomstig zijn worden bevorderd.
Een en ander laat onverlet dat als regie-instrument tijdens de
behandeling ook de bestaande mogelijkheden (in zaken van opzicht,
bezwaren en geschillen en beheer) tot het treffen van een
voorlopige voorziening en schorsing kunnen worden ingezet.
De kerkelijke rechtspraak wordt uitgevoerd door vrijwilligers. Dit vereist een adequate en kwalitatieve ondersteuning vanuit de dienstenorganisatie. Door de bundeling van de rechtspraak kan de ondersteuning van het werk van het regionale en het generale college (nieuwe stijl) worden gestandaardiseerd en doelmatig worden aangepakt.
In de verschillende procedures speelt meestal de visitatie een belangrijke rol in het voortraject. Zo is een procedure bij ambtsontheffing alleen mogelijk indien daaraan een advies van de visitatie ten grondslag ligt. Ook in zaken van opzicht is de visitatie meestal betrokken geweest en heeft zij geadviseerd. De visitatie heeft zich tot nu toe altijd verre gehouden van beslissingen van ambtelijke vergaderingen en procedures bij de kerkelijke rechter, anders dan toelichting geven op een door haar gegeven advies. Zij opereert in de bestuurlijke fase en vermijdt zoveel mogelijk betrokkenheid bij de juridische fase. In de plannen van Kerk 2025 is het voornemen om de visitatie dichter bij de ambtelijke vergadering (de classis en haar voorzitter) te brengen. Daarbij moet er voor worden gewaakt dat de besluiten van de ambtelijke vergaderingen genomen worden op basis van een onafhankelijk advies van visitatoren. Wel moet het mogelijk zijn dat de voorzitter van de regionale classis regie voert over hoe en door welke instantie een bepaalde zaak die bij de classis is binnengekomen, in behandeling wordt genomen, dit in overleg met de visitatie. Ook kunnen aan de visitatie algemene regels en normen worden meegegeven waaraan zij zich dient te houden met het oog op de kwaliteit van de advisering. In een individuele zaak moet visitatie echter vrij zijn in haar onderzoek en advisering. Hierdoor wordt de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de beslissende ambtelijke vergadering verhelderd.
Zo nu en dan komt aan de orde of de Protestantse Kerk als een van de grootste kerkgenootschappen van Nederland op het terrein van kerkelijke rechtspraak dienstverlening zou kunnen bieden aan andere protestantse kerkgenootschappen of geloofsgemeenschappen. Hiermee zou het oecumenische karakter van onze Kerk kunnen worden versterkt, zoals ook Kerk 2025 graag ziet. Een probleem hierbij is, dat het hele kerkordelijke voortraject bij die andere kerken of geloofsgemeenschappen ontbreekt of anders is ingericht. Naarmate we meer accent leggen op een rechtsprekende voorziening die een onafhankelijke rol vervult ten opzichte van de bevoegde ambtelijke vergaderingen die beslissingen nemen, zou de mogelijkheid kunnen toenemen om ook die andere kerkelijke gemeenschappen van dienst te zijn, indien zij dat wensen.
|41|
Op pagina 1 wordt gesproken over het scherpe onderscheid tussen
opzicht en andere kerkelijke rechtspraak binnen de hervormde
kerkorde van 1951 aan de orde. Dit hield toen verband met de
intentie van de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) om het
belijdende karakter van de kerk en de geestelijke taak van de
ambtelijke vergaderingen beter te laten uitkomen dan in het
Algemeen Reglement van de NHK uit 1816 dat de kerk vooral het
imago had bezorgd van een ‘besturen-kerk’. Vandaar dat het
opzicht in de HKO wordt uitgeoefend door of namens de ambtelijke
vergaderingen. Volgens de HKO is dit opzicht ‘gegrond in de
barmhartigheid van Jezus Christus, het Hoofd der Kerk, en
geschiedt tot eer van God, tot bewaring der gemeente en tot
behoud van hen die dwalen.’ Het opzicht werd gezien als een
geestelijke taak van de ambtelijke vergaderingen. Wanner het
echter op het handhaven van de kerkelijke tucht aankwam, was de
beoordeling daarvan namens die ambtelijke vergaderingen
opgedragen aan onafhankelijke colleges voor het opzicht. De
behandeling van de leertucht was in het geheel een zaak van de
ambtelijke vergaderingen. Daarnaast was in de HKO de rechtsgang
van de behandeling van bezwaren en geschillen die werd beschouwd
als de eigenlijke kerkelijke rechtspraak. Opzicht was dat in
wezen niet.16 Kenmerkend is in dit verband dat in de
colleges voor het opzicht alleen predikanten en ouderlingen
konden worden benoemd, omdat het opzicht over de gemeente tot hun
specifieke taken behoort, terwijl in de colleges voor bezwaren en
geschillen ook diakenen en ter zaken kundige gemeenteleden actief
konden zijn.
Deze benadering ligt ten grondslag aan de huidige kerkordelijke
regelingen voor opzicht en kerkelijke rechtspraak.
In de huidige kerkorde van de Protestantse Kerk (PKO) wordt ook
principieel onderscheid gemaakt tussen opzicht enerzijds en
bezwaren en geschillen anderzijds. Daarvoor worden twee volstrekt
van elkaar gescheiden colleges en rechtsgangen voorgeschreven. Zo
wordt bij ordinantie uitdrukkelijk uitgesloten dat men
tegelijkertijd lid of adviseur is van beide colleges tegelijk of
van een rechtsprekend college en een college voor de visitatie.
Dit is terug te voeren op het principiële onderscheid dat in de
Hervormde kerkorde (HKO) van 1951 tussen deze twee werelden werd
gemaakt.
Deze lijn is vrijwel geheel overgenomen in de PKO (zie Art. XII
en XIV PKO). Wel zijn in de generale regeling voor de kerkelijke
rechtspraak de procedures voor opzicht en bezwaren en geschillen
— samen met die voor ambtsontheffing van predikanten en bepaalde
beheerszaken van de gemeente — onder de gemeenschappelijke noemer
gebracht van kerkelijke rechtspraak. Alle organen moeten qua
procedure aan een aantal dezelfde algemene bepalingen voldoen.
Een daarvan is dat er ook andere wegen kunnen worden bewandeld om
geschillen of bezwaren op te lossen, zoals arbitrage, bindend
advies of mediation. De behandeling van een zaak kan dan worden
aangehouden in afwachting van de resultaten daarvan. Daarnaast
worden voor elke rechtsgang afzonderlijke regels op detailniveau
gegeven als uitwerking van de bepalingen in de betreffende
ordinanties.
Een van de formele verschillen tussen zaken van opzicht en die
van bezwaren en geschillen betreft de rechtsingang. Bij
opzichtzaken is er veelal sprake van een voortraject van
zogenaamde ‘pastorale samenspreking of vermaan’ waarin de
ambtelijke vergadering of de visitatie een rol speelt. Het
regionale college voor het opzicht komt in actie als het feiten
of omstandigheden ter kennis zijn gekomen (meestal in een
beschuldiging of klacht) of als het vanuit een ambtelijke
vergadering een verzoek ontvangt, door onderzoek te doen naar
iemands belijdenis en wandel of de
16 Onder het Algemeen Reglement berustte de kerkelijke rechtspraak, die niet in het kader van opzicht plaatsvond, bij dezelfde kerkelijke lichamen die ook de tuchtzaken behandelden. In het ‘Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht’ werden de verschillende procedures in tuchtzaken, geschillen en bestuurszaken achtereenvolgens beschreven en van elkaar nauwkeurig onderscheiden. Zie: Prof Dr. Th.L Haitjema, Nederlands Hervormd Kerkrecht, 1951, pag. 316
|42|
vervulling van ambt of bediening.17 Bij de behandeling van bezwaren en geschillen en de specifieke rechtsgang voor bepaalde beheerszaken geldt de indiening van een bezwaar tegen een besluit van een kerkelijk lichaam als rechtsingang. Bij ambtsontheffing komt het betreffende generale college in actie als hem een verzoek bereikt van een breed moderamen van een classicale vergadering om een oordeel uit te spreken over de vraag of een predikant zijn of haar gemeente met stichting kan blijven dienen. Behalve in zaken betreffende ambtsontheffing, is er altijd sprake van een behandeling in eerste aanleg door het betreffende regionale college met de mogelijkheid van beroep bij het betreffende generale college. Tegen een beslissing van het generale college voor de ambtsontheffing (ook over bezwaren tegen de behandeling in het voortraject) kan beroep worden ingesteld bij het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen.
Een en ander kan schematisch als volgt worden weergegeven:
Schema huidige regeling kerkelijke rechtspraak
17 In de Toelichting wordt opgemerkt (pag.
251):
Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de colleges voor het
opzicht niet zelden geconfronteerd worden met klachten of
beschuldigingen, die dusdanig van aard zijn dat er aanleiding is
om het onderzoek en de verdere behandeling dadelijk aan te
vatten, zonder dat er nog vooraf op een vruchtbare wijze
pastorale samenspreking kan worden gehouden.
18 Het opzicht over verkondiging en catechese loopt
langs classis en synode en, indien nodig, het generale college
voor het opzicht wanneer er tuchtmaatregelen nodig zijn tegen een
predikant die zich niet kan neerleggen bij het eindoordeel van de
generale synode terzake.
19 classicale vergadering
|43|
Hierboven kwam aan de orde dat de voorgeschreven procedures per
rechtsgang verschillen. In de werk- en klankbordgroep is de vraag
opgeworpen of het niet de voorkeur verdient om voor alle
voorkomende zaken één en dezelfde procedure of route in te
voeren.
Deze route zou kunnen bestaan uit de navolgende 3 fasen:
1. Een plaatselijke of regionale ambtelijke vergadering of ander
kerkelijk lichaam neemt een beslissing, (meestal) voorafgegaan
door een (niet rechterlijke) voorfase (pastorale samenspreking
en/of vermaan, visitatie, mediation, arbitrage etc).
2. Betrokken of belanghebbende partij(en) maakt/maken bezwaar bij
het rechtsprekend college dat in eerste aanleg dit bezwaar
behandelt en afdoet, (nu: regionaal college).
3. Tegen de beslissing in eerste aanleg is hoger beroep mogelijk
bij de beroepskamer van het rechtsprekende college (nu: generaal
college).
Aan deze gedachte kleven voor- en nadelen.
De voordelen van deze ene route zijn: de rechtsingang is in alle gevallen helder; het besluit waartegen men bezwaar maakt is er altijd één van een ambtelijke vergadering of kerkelijk lichaam en niet van een onafhankelijk rechtsprekend college zoals nu bij ambtsontheffing en opzicht met alle juridiserende effecten van dien. Verder spoort deze benadering met een gedachte uit Kerk 2025 om de doorzettingsmacht neer te leggen bij het moderamen van de regionale classicale vergadering en zijn voorzitter. In het openbaar bestuur functioneert een vergelijkbaar systeem naar tevredenheid. Hierbij is ook een meer principiële overweging van belang, dat bij een krimpende kerk en lichtvoetiger structuren, er aanleiding is om ook bij zaken van ambtsontheffing en opzicht terug te gaan naar de “basics” en ook hierin de uitoefening van kerkordelijke bevoegdheden bij de ambtelijke vergadering te laten. Dat de beslissingen van ambtelijke vergaderingen op correcte wijze behoren te worden voorbereid en gemotiveerd en dat daarop een toetsing kan plaatsvinden door onafhankelijke colleges, is een vanzelfsprekend rechtmatigheidsvereiste.
Als nadelen hiervan worden gezien: het feit dat ook besluiten op terreinen waarvoor veel deskundigheid vereist is en/of over personen met wie men in het dagelijks kerkenwerk te maken heeft (bv. collega’s) door een ambtelijke vergadering genomen moeten worden die niet ter zake kundig zijn of voldoende afstand hebben ten opzichte van de partijen. Gelet op de afnemende bestuurskracht op alle niveaus is dit een aandachtspunt. Bovendien kan deze route een extra belasting zijn voor de in Kerk 2025 beoogde voorzitter van de regionale classis indien aan hem of haar vooral het takenpakket van geestelijk leiderschap in de classis wordt opgedragen. Voor opzichtzaken betekent dit een aanmerkelijke verzwaring ten opzichte van de huidige procedure omdat er hiermee met de bemoeienis van de ambtelijke vergadering een extra laag bij komt. (Dit bezwaar gaat ook op, indien de route ook geldt voor de behandeling van beheerszaken.) Ook wordt hiermee voorbij gegaan aan het principe dat het bij opzicht gaat om klachtrecht, waarin men onbelemmerd toegang moet hebben tot de kerkelijke rechter. Verder groeit de kans op juridisering in deze niet-rechterlijke fase, bv. omdat partijen zich ook dan al laten bijstaan door een advocaat. Anderzijds kan bij zaken over ambtsontheffing en opzicht niet worden geweigerd dat men zich door iemand laat bijstaan.
Een dergelijke verandering zou een majeure ingreep betekenen in de principiële uitgangspunten van de kerkorde inzake de verhouding tussen opzicht en de rechtspraak over bezwaren en geschillen en de opgebouwde rechtspraktijk in de Protestantse Kerk op basis van die uitgangspunten. Voorgesteld wordt dan ook om in het kader van Kerk 2025 nu eerst te streven naar een bundeling van de rechtspraak die hierboven is voorgesteld en op korte termijn haalbaar wordt geacht. In een later stadium zou door de synode kunnen worden bezien wat met deze verdergaande vraagstelling kan of moet worden gedaan.