|12|

III. Toetsing AKS aan de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht

 

1. zelfstandigheid van de plaatselijke kerken

Zonder aarzeling mag je de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken één van de belangrijkste peilers van het gereformeerde kerkrecht noemen. Misschien wel de belangrijkste, omdat dit het uitgangspunt betreft waarop het hele presbyteriaal-­synodale stelsel is opgebouwd.17 Over dit uitgangspunt verschilt men binnen de gereformeerde gezindte dan ook niet van mening. Daarom kan ik over dit thema kort zijn. De wegen gaan pas uit elkaar als het functioneren van dit uitgangspunt in de kerkregering ter sprake komt.

Als Voetius het heeft over de plaatselijke kerk ter onderscheiding van de kerk zoals die samenkomt in de verschillende vergaderingen, dan spreekt hij van ecclesia prima en ecclesia orta.18 De laatste is alleen in oneigenlijke zin, tropice, kerk te noemen.19 Dit brengt met zich mee dat elke plaatselijke kerk wezenlijk kerk is en daarvoor niet afhankelijk is van het leven in een kerkverband.20 Van het begin af aan hebben de gereformeerde kerken tegenover de roomse hiërarchie grote nadruk gelegd op deze zelfstandigheid van de plaatselijke kerken. Alleen de plaatselijke kerk valt voor Voetius onder het begrip van de ecclesia instituta.21

Wanneer de kerken samen een onderling verband aangaan, mag volgens gereformeerd beginsel daarbij nooit de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken verloren gaan. Door het kerkverband mag geen nieuwe kerk ontstaan.22 Vooral in de tijd van de Doleantie en de Vrijmaking is dit gereformeerde uitgangspunt weer met kracht naar voren gehaald. ‘Elk harer (nl. de nieuwtestamentische kerken, JD) is een lichaam van Christus, een compleet geheel, en al mogen ze tegenover elkander geen oogenblik de geestelijke eenheid verloochenen, van een institutaire eenheid is geen sprake: elke Kerk


17 P. Biesterveld/H.H. Kuyper, Kerkelijk handboekje blz. XV vv.
18 G. Voetius, Verhandeling over de zichtbare en georganiseerde kerk, blz. 21. Zie ook M. Bouwman, Voetius over het gezag der synoden, blz. 65.
19 H. Bouwman, Geref, Kerkrecht II, blz. 16; Joh. Jansen, ‘Iets over het Geref. kerkverband’, blz. 397; S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 158v.
20 M. Bouwman, a.w., blz. 65; S. Greijdanus, Schriftbeginselen, blz. 28.
21 Dit i.t.t. de visie van M. Bouwman, a.w., blz. 74. Vgl. stelling VII bij zijn proefschrift: ‘Er bestaat geen principieel verschil tusschen de meerdere vergadering (classis en synode) en den kerkeraad der plaatselijke kerk.’
S. Greijdanus heeft de onhoudbaarheid van dit standpunt duidelijk aangetoond in een artikelenreeks in de Reformatie van 29 april t/m 17 juni 1938: ‘Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius’ (zie op dit punt met name de reformatie van 13 mei). Greijdanus laat hierin zien dat de poging van M. Bouwman om de kerkrechtelijke ommezwaai van H.H. Kuyper op Voetius te funderen mislukt is. Zie ook zijn Schriftbeginselen en zijn Over Gereformeerd Kerkrecht.
22 P. Biesterveld/H.H. Kuyper, a.w., blz. XVI. S. Greijdanus, Schriftbeginselen, blz. 11.

|13|

is vrij en zelfstandig tegenover de zusterkerken.’23 Rutgers benadrukte dit zo: ‘Met de erkenning van dit beginsel valt of staat de geheele Reformatie.’24 In Emden (1571) werd het daarom voorop gezet.25

2. kerkverband

‘Toch eischt het gereformeerde beginsel, dat in tegenstelling met het stelsel der independenten de verschillende plaatselijke kerken met elkaar in verband treden.’26 Hiermee hebben we de tweede component van het gereformeerde of presbyteriaal-synodale stelsel. Volgens de Schrift zijn de plaatselijke kerken geroepen elkaar waar nodig bij te staan. De kerk van Christus openbaart zich namelijk niet op één plaats. Daarom mag ook geen enkele kerk doen alsof het evangelie bij haar begonnen is. Als kerken van Christus zijn we op elkaar aangewezen. Ook hierover denkt men over het algemeen eensgezind binnen de gereformeerde gezindte.

Maar de problemen komen zodra over de praktische vormgeving van dit kerkverband gesproken wordt. Het is belangrijk om het zo te formuleren, want het kerkverband is in principe al met het kerk-zijn gegeven. Er is dan al een band die de kerken verbindt, namelijk de band van hetzelfde geloof.27 De principiële geloofsband en de praktische uitwerking hiervan in een zichtbaar kerkverband zijn twee. Als we deze twee niet voldoende onderscheiden gebeuren er binnen de kortste keren ongelukken.

Een voorbeeld hiervan is de rol die de uitspraak van K. Schilder, dat Christus Zijn bloed ook voor het kerkverband heeft vergoten, is gaan spelen.28 Als geloofsuitspraak kan dit wel gezegd worden, want Christus’ bloed heeft ons als christenen van verschillende plaatsen ook aan elkaar verbonden. Maar deze uitspraak moet niet zomaar op onze praktische uitwerking van de bestaande geloofsband toegepast worden. Dat past juist niet in het gereformeerde kerkrecht, want dan wordt één bepaalde uitingsvorm van die geloofsband canoniek verklaard,29 terwijl verschillende kerkelijke situaties een


23 P. Deddens, Ratificeering, blz. 4. Vgl. D. Deddens, ‘De kerken van de doleantie’. In: Inleiding tot de studie van het kerkrecht, blz. 135: ‘iedere plaatselijke kerk met haar door Christus gegeven ambtelijke institutie is een complete kerk, die geen macht bóven zich heeft dan die van Christus.’ Ook F.L. Rutgers (Collegevoordrachten, blz. 155; Zie ook blz. 77) en S. Greijdanus (Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 152) hebben dit beginsel krachtig uitgesproken.
24 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 155.
25 Zie uitgebreid S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 146vv.
26 P. Biesterveld/H.H. Kuyper, Kerkelijk handboekje, blz. XVI. Vgl. F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 156v: ‘Dit is dus een grondbeginsel der Geref. kerken (n.l. zelfstandigheid van de plaatselijke kerken, JD), maar met betrekking tot de kerkinrichting natuurlijk niet het grondbeginsel, alsof in dit ééne punt nu alles uitgesproken was, wat er omtrent de betrekking van de kerken tot elkander te zeggen is.’ ‘Er hoort zeer zeker ook bij het beginsel, waarin uitgesproken wordt, dat de kerken met elkander in kerkverband moeten treden, en daardoor jegens elkander wederkeerige verplichtingen op zich nemen…...’. Zie ook F.L. Rutgers, Rechtsbevoegdheid, blz. 74 en S. Greijdanus, Schriftbeginselen, blz. 29v en 40.
27 vgl. S. Greijdanus, Schriftbeginselen, blz. 30 (idem blz. 20vv).
28 Reformatie, 9 febr. 1952.
29 Dit gevaar loopt vooral J. Kamphuis, Verkenningen III, blz. 59vv.

|14|

verschillende ontwikkeling te zien kunnen en mogen geven.30 Kamphuis past de bewuste uitspraak van Schilder toe op het bestaande kerkverband zoals wij dat kennen volgens de DKO. Hij zet zich hiermee af tegen K. Doornbos, die stelde dat de Schrift nergens van een kerkverband spreekt en Schilder dus niet zo onbedachtzaam had moeten spreken. Reeds eerder hadden Doornbos en Schilder zelf hierover de degens gekruist.31

Als je die discussie leest, maakt die een verwarrende indruk. Beiden lijken langs elkaar heen te praten, omdat ze hun begrippen niet expliciet hebben gedefinieerd. Elders geeft Doornbos echter wel een definitie van wat hij onder kerkverband verstaat: ‘Kerkverband is georganiseerd samenleven van kerken met classicale vergaderingen, vergaderingen van particuliere synoden en vergaderingen van generale synoden.’32 Deze definitie kan helpen de verwarde discussie te ontrafelen. Zoals Doornbos over kerkverband spreekt ontbreekt dit inderdaad in de Schrift. Maar dat wil niet zeggen dat het principe van het kerkverband in de Schrift afwezig is! Onze praktische uitwerking hiervan mogen we niet in Christus’ bloed funderen. Schilder heeft dit m.i. ook niet bedoeld omdat hij meer algemeen over het belang van het bestaande kerkverband sprak.33 Ik kan niet anders concluderen dan dat G. Visee terecht enige begripsverduidelijking in deze discussie heeft aangebracht.34 Kamphuis’ protest hiertegen vind ik verwarrend en niet overtuigend, omdat hij Visee bestrijdt, alsof die een tegenstelling maakte tussen het kerkverband zoals dat met het geloof in Christus gegeven is en ons georganiseerde kerkverband, terwijl Visee slechts, een scherpe onderscheiding aanbracht. Kamphuis loopt zelf intussen het gevaar met het bestrijden van de vermeende tegenstelling juist de onderscheiding uit het oog te verliezen.35

Het principe van het kerkverband is in de schrift gefundeerd. Nu gaat het erom daar zò praktische uitwerking aan te geven, dat het uitgangspunt van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken daardoor niet wordt aangetast. De DKO heeft dit na een lange historische aanloop geprobeerd. Zij gaat uit van de grote waarde van het kerkverband zoals dat functioneert in meerdere vergaderingen. Het gezag van deze vergaderingen heeft zij echter tegelijkertijd nadrukkelijk begrensd ten opzichte van de plaatselijke kerken. De bekende voorbeelden hiervan zijn de artikelen 30, 31, 85 (oud art. 84). Dit brengt het uitgangspunt van de zelfstandigheid der plaatselijke kerken noodzakelijk met zich mee.


30 Vgl. W. v. ’t Spijker, ‘Het presbyteriale-synodale stelsel’. In: De kerk, blz. 333.
31 Reformatie, 15 en 22 maart 1952.
32 Opbouw, 16 april 1965. In dit artikel verwijst hij nog eens expliciet naar Schilders gewraakte uitspraak.
33 ‘Dat de regeling in onderdelen kan variëren zegt de K.O. zelf (art. 87). Maar dat het onderhouden van verband niet als door de Schrift geboden zou bewezen zijn, ontken ik met alle stelligheid.’ (K. Schilder, Reformatie, 15 maart 1952).
34 Opbouw, 21 september 1962. Dat Visee liever niet meer van kerkverband wil spreken, komt omdat het zich in ons spraakgebruik vastgezet heeft als kerkverbandelijk lichaam, als statisch begrip. Door dit woord nu te vermijden hoopt hij kortsluiting als bovengenoemd te vermijden.
35 J. Kamphuis, a.w., blz. 71 vv.

|15|

Christus regeert zijn kerk door middel van plaatselijke ambtsdragers en niet door middel van allerlei hogere besturen.36 Dit is ook duidelijk beleden in art. 31 NGB.

De betekenis van het kerkverband is die van de onderlinge hulp.37 Daarmee is tegelijk aangegeven dat het kerkverband niet tot het wezen van de kerk, maar wel tot het welwezen van de kerk behoort en als zodanig nuttig en wenselijk is.38 Dit principe is ook in de opbouw van het AKS uitgedrukt. Toetreding tot een georganiseerd kerkverband is i.v.m.. dit principe wel vrijwillig, maar niet vrijblijvend.39 De grondslag van een georganiseerd kerkverband is de al bestaande geloofsband. Waar die geloofsband ontbreekt verliest een georganiseerd kerkverband zijn grond.40 Vanuit deze principiële vooronderstelling is het ‘niet voldoende om te zeggen, dat de kerken die elkaar op de classis, op de synodes ontmoeten, een onderling federatief verband hebben aangegaan.’41 Daarom is het bezwaar van Kamphuis tegen de vergelijking van Visee, die de verhouding van de plaatselijke kerken vergelijkt met de verhouding tussen twee firma’s wel te begrijpen.42 Alleen verliest hij daarbij de achtergrond van deze vergelijking uit het oog. Want Visee wil hiermee slechts aangeven dat er door een onderling kerkverband net zo min een zelfstandig nieuw lichaam ontstaat als tussen twee firma’s die connecties met elkaar aanknopen. Ook later maakte Visee deze vergelijking om te voorkomen dat men de verhouding tussen kerken en synode zou zien als een verhouding tussen kinderen en hun vader.43

Wat deze paragraaf betreft, wil ik het voorlopig hierbij laten. De principiële basis van het kerkverband wordt in de Ned. Geref. Kerken nergens ontkent. De praktische vragen bij een verdere uitwerking komen wel aan de orde vanaf III.4.


36 F.L. Rutgers, Rechtsbevoegdheid, blz. 66; F.L. Rutgers, Hiërarchie, blz. 7vv; C. Veenhof, In den chaos, blz. 72vv.
37 F.L. Rutgers (Rechtsbevoegdheid, blz. 81v) noemt drieërlei doel: ‘a. wederkerige hulp en steun; b. gemeenschappelijk scheidsrechterschap voor geschillen en bezwaren van allerlei aard; c. handhaving van de leer.’ Zie ook zijn Collegevoordrachten, blz. 115 en C. Veenhof, In den chaos, blz. 86. Vgl. K. Schilder (Reformatie, 15 maart 1952): ‘In feite is het kerkverband een binnen onze hedendaagse geografische mogelijkheden zo breed mogelijk opgezette organisatie tot onderling hulpbetoon.’
38 Zo oordeelde ook de Amsterdamse kerkeraad in moeilijke tijden. Zie F.L. Rutgers, Het Kerkverband, blz. 25. D. Nauta (‘Het kerkverband enz.’) blaast het kerkverband veel te zwaar op door toch van een ‘wezenlijk (éénmaal zelfs: zeer wezenlijk, JD) element voor het bestaan eener gereformeerde kerk’ te spreken.
39 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 150; J. Kamphuis, Op zoek naar de belijdende volkskerk, blz. 57 en 60. Vgl. S. Greijdanus in de Reformatie van 6 mei 1938 over: ‘Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius’.
40 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 171vv. Idem in zijn Kerkverband, blz. 30, 38vv en 55 en zijn Rechtsbevoegdheid, blz. 17.
41 W. v. ’t Spijker, a.w., blz. 335; hij vervolgt: ‘Men zou dit federatief denken moeten afschermen tegen de louter formele en administratieve opvatting.’
42 J. Kamphuis, Verkenningen III blz. 81v.
43 Opbouw, 19 maart 1965. Dat Kamphuis Visee geen recht doet blijkt wel uit een andere uitspraak van Visee, Opbouw 11 augustus 1967: ‘Die gemeente is wat anders dan een vereniging, het kerkverband iets anders dan een bond.’ Hierbij stelt hij expliciet dat het bloed van Christus inderdaad in het geding is.

|16|

3. independentisme

Geen enkele term valt in dagen van kerkstrijd zo vaak als de term ‘independentisme’. Deze term wordt gehanteerd met een gemak dat doet vermoeden dat de inhoud ervan voor iedereen zonder meer duidelijk is. Niets is echter minder waar. Wie zonder meer van de beschrijvingen van A. Kuyper en P. Biesterveld/H.H. Kuyper uitgaat, verliest met hen de historische wortels van dit verschijnsel uit het oog. Terecht stelt Van ’t Spijker zich dan ook de vraag ‘of zij in hun weergave van het congregationalisme en independentisme zich niet te veel lieten leiden door de Nederlandse kerkelijke situatie van het einde van de 19e eeuw.’44

In genoemd artikel geeft Van ’t Spijker een duidelijk overzicht van de historische wortels van het zgn. independentisme, dat zich in Engeland tegenover de staatskerk ontwikkelde. Juist het niet rekenen met het ontstaan van het independentisme in de situatie van de staatskerk in Engeland heeft tot allerlei karikaturen geleid. Daarom kun je het independentisme niet uit zijn Nederlandse bestrijders leren kennen, zoals Nauta in zijn studie suggereert.45 Wie het independentisme tegen de achtergrond van hun eigen Engelse situatie ziet, herkent duidelijk gereformeerde uitgangspunten: 1. het wilde zich houden aan het voorbeeld van de vroege kerk, zoals dat in de Schrift getekend wordt met gegevens voor het wezen èn het welwezen van de kerk; 2. het wilde geen bindende wetten maken voor de toekomst; 3. het wilde aan de Schrift niets toevoegen. De zgn. independenten gaan uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, ze ontkennen de ambten niet, ze ontkennen ook het recht van kerkelijke vergaderingen niet. Norton geeft de visie van de independenten op de meerdere vergaderingen duidelijk weer: ‘Een synode kan niet met gezag, d.w.z. juridisch over onderwerpen in de kerken beslissen, zodat particuliere kerken zich aan haar besluiten moeten onderwerpen. Ook heeft zij geen kerkelijke jurisdictie ten aanzien van het behandelen van zaken in de particuliere kerken. Een synodale uitspraak legt een directe maar geen wettelijke verplichting op de kerken, omdat een synode geen kerkelijke jurisdictie kan uitoefenen.’ ‘Een synode is geen kerk’.46 Me dunkt dat dit goed gereformeerd is. Dat heeft ook K. Doornbos al eens aangetoond.47 Dat neemt echter niet weg dat er heel wat vragen ten aanzien van het zgn. independentisme overblijven. Een uitgebreidere studie hiervan uit de bronnen zelf is daarom wenselijk. Daarbij moet dan ook de Nederlandse situatie in rekening worden gebracht, die verre van ideaal was, Dat deze Engelse independenten zo scherp door de Nederlandse gereformeerden werden bestreden — zij het mild en met erkenning van de broederband48 — is niet volledig te verklaren zonder rekening te houden met het feit dat zich hier in Nederland een kerkrechtelijke praktijk had vastgezet, die sterker bleek dan de leer. De overheid speelde in deze praktijk namelijk een rol waarin het gereformeerde kerkrecht niet had voorzien. Kerkrechtelijke principes en kerkrechtelijke praktijk kwamen daardoor geregeld met elkaar in botsing.


44 W. v. ’t Spijker, ‘Congregationalisme’. In: De kerk, blz. 314.
45 D. Nauta, Independentisme, blz. 8.
46 Geciteerd door W. v. ’t Spijker, a.w., blz. 322.
47 K. Doornbos, ‘Iets over de Independenten’. In: Kerk-zijn en in-de-kerk-zijn, blz. 222-257.
48 W. v. ’t Spijker, a.w., blz. 325.

|17|

Dit is zelfs het geval bij Voetius, die zich in kerkrechtelijk standpunt vaak één wist met de bovengenoemde visie van de zgn. independenten, maar in de Nederlandse door de overheid beheerste kerkelijke praktijk ook wel in strijd met deze kerkrechtelijke principes handelde.49

Aan het slot van zijn overigens evenwichtige artikel over het congregationalisme stelt Van ’t Spijker: ‘We staan daarbij voor het wonderlijke feit, dat in later tijd voor gereformeerd werd uitgegeven wat in werkelijkheid zuiver congregationalistisch of independentistisch moet worden genoemd. In de tijd van de Doleantie met name heeft er soms bijna ongemerkt een omwisseling van standpunten plaatsgehad, die ook in de gereformeerde gezindte in Nederland vandaag hier en daar nog doorwerkt.’ In deze uitspraak komt tot uitdrukking dat zich langzamerhand een begrip van gereformeerd-zijn heeft ontwikkeld dat mede de kerkrechtelijke praktijk uit met name de 17e eeuw in haar begrip heeft opgenomen. Van ’t Spijker bepleit kennis van de historische zienswijzen bij het gebruik van de begrippen ‘gereformeerd’ en ‘independentistisch’. Dat kan ik beamen. Maar voor het bepalen van wat gereformeerd kerkrecht is moet naar meer gekeken worden dan alleen naar de historische zienswijzen. Het kenmerk van het gereformeerde is juist dat het altijd naar de bijbelse principes vraagt.50 Daarom moet niet de historische praktijk de normen voor het gereformeerde kerkrecht leveren. Want als de gegroeide gereformeerde praktijk met de bijbelse principes in botsing komt is de praktijk daarmee geoordeeld en niet de leer. Daarom zou ik het begrip gereformeerd niet willen missen voor de herontdekte bijbelse kerkrechtelijke principes in de tijd van de Doleantie, en de Vrijmaking in het verlengde daarvan. ‘Het gaat om wat de Here Van ons vraagt. Dit doen is gereformeerd kerkrecht.’51

Het is duidelijk dat de term ‘independentisme’, met name door de invulling hiervan door A. Kuyper en P. Biesterveld/H.H. Kuyper als spookbeeld is gaan functioneren dat te pas en te onpas wordt opgeroepen alsof daarmee eigen gelijk automatisch bewezen is.52 Maar los van zijn historische wortels maakt men snel een karikatuur van het zgn. independentisme. Gezien alle misverstanden en het ontbreken van een diepgaande studie van alles wat met dit historische verschijnsel samenhangt is


49 Vgl. S. Greijdanus, Reformatie, 29 april t/m 17 juni 1938: ‘Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius’. Zie ook P. Deddens, Eerste-en tweedehands gezag, blz. 46-48 en S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 171v. Zie ook F.L. Rutgers, Geldigheid, blz. 40, waar hij in navolging van Voetius, juist de tijd van vervolgingen de bloeitijd van de kerk noemt in kerkrechtelijk opzicht. Bepalingen uit die bloeitijd zijn soms beter en zuiverder en meer overeenkomstig het Geref. kerkrecht dan een latere wijziging uit de tijd toen omwille der omstandigheden wel eens iets werd toegegeven aan de wil van de overheid en aan de wens van het volk.
50 C. Veenhof, In den chaos, blz. 70v; S. Greijdanus, Schriftbeginselen, blz. 6.
51 B. van Smeden namens de Chr. Geref. deputaten in een toespraak op de L.V. van Breukelen: Akta, blz. 21.
52 S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 189: ‘Bij deze beschouwing en voorstelling van de macht of bevoegdheid der meerdere kerkelijke vergaderingen kan men dus niet met recht aankomen met de boeman van Independentisme, om door valse voorstelling, zonder goede redenering en steekhoudende argumentatie, vrees aan te jagen, onkundigen te overbluffen, de meerderheid aan zijn kant te krijgen.’

|18|

het beter deze term maar te vermijden en een inhoudelijke discussie met elkaar aan te gaan, die men door het gebruik van de term ‘independentisme’ vaak wat al te snel tracht te ontlopen.53

4. ratificatierecht

Na de in de voorgaande paragrafen korte maar noodzakelijke principiële uiteenzettingen kom ik nu op het punt waar de inhoudelijke discussie gevoerd moet worden. Kernpunt in de kritiek op het AKS is het in art. 34 geijkte zgn. ratificatierecht en de in verband hiermee vastgelegde norm ‘het welzijn van de gemeente’. De behandeling van laatstgenoemde passage volgt in art. 7 van dit hoofdstuk.

In deze paragraaf wil ik vaststellen wat wordt bedoeld met het zgn. ratificatierecht. In de tijd van de Vrijmaking was het vooral P. Deddens die dit naar voren bracht.54 Tegenover een synode die onderwerping aan haar besluiten vroeg wees men in de Vrijmaking op artikel 31 DKO dat stelt dat er van deze onderwerping geen sprake kan zijn als de besluiten van kerkelijke vergaderingen55 in strijd zijn met Gods Woord of met de onderling afgesproken kerkenordening. De plaatselijke gemeenten hebben alle besluiten daarom te toetsen aan Gods Woord en aan deze kerkenordening. Hoewel de synode dit recht erkende, vroeg ze toch onderwerping aan haar besluiten totdat langs de kerkelijke weg bewezen was dat haar besluiten verkeerd waren geweest. Het ‘tenzij’ van art. 31 DKO werd uitgelegd als een ‘totdat’.56 Daardoor zou een gemeente die overtuigd is van het onwettige van een bepaald synodebesluit toch gedwongen worden (tijdelijk) tegen haar geweten in te handelen. Dit betekende een aantasting van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken die alleen aan Christus onderworpen willen zijn. Elke kerk heeft daarom de plicht besluiten van kerkelijke vergaderingen te toetsen voordat ze ermee kunnen instemmen. Als de toets positief uitvalt dan moeten de kerken deze besluiten bekrachtigen (ratificeren) krachtens onderlinge afspraak. Valt de toets negatief uit dan blijft die ratificatie achterwege en heeft dat besluit geen rechtskracht voor die plaatselijke kerk.57

Duidelijk is dat met het benadrukken van dit ratificatierecht een belangrijke beslissing is genomen ten aanzien van de bevoegdheid van meerdere vergaderingen. Zij hebben geen eigen gezag zonder meer


53 Hierbij de woorden van Van ’t Spijker ter harte nemend: ‘Wie kennis neemt van hun omgaan met broeders die het independentistische standpunt huldigden, kan van hun (gereformeerden uit 17e eeuw, JD) wijze van argumenteren binnen de sfeer van de broederband nog het een en ander leren.’ (a.w., blz. 325).
54 P. Deddens, Ratificeering.
55 Alle besluiten van kerkelijke vergaderingen, niet alleen in appèlzaken: F.L.Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 115; P, Deddens, a.w., blz. 10; J. Kamphuis, Besluitvaardigheid, blz. 51. Het betreft ook kerkeraadsbesluiten, blz. 57v.
56 K. Schilder, Eerste- en tweedehands gezag, blz. 41; C. Veenhof, In den chaos, blz. 81; G. Janssen, Feitelijke Toedracht, blz. 98v.
57 J. Kamphuis, a.w., blz. 62, noot 287 komt gevaarlijk dichtbij het afgewezen ‘totdat’ daar aan het ‘tenzij’ een voorlopigheid te verbinden, die slechts mag duren totdat een daartoe geroepen kerkelijke vergadering ‘op het materiële punt in kwestie’ een definitieve beslissing heeft genomen. M.i. is dit niet in overeenstemming met de ‘vrijmaking binnen het kerkverband’ zoals de Vrijmaking die beoogde. Vgl. K. Schilder, a.w., blz. 41. Vgl. ook P.C. van Wijk in Opbouw, 4 okt. 1968. Alleen op synodaal standpunt is vrijmaking binnen het kerkverband onmogelijk. (G. Janssen, Feitelijke toedracht, blz. 99 en 219).

|19|

waaraan onderwerping kan worden geëist. Ook meerdere vergaderingen zijn onderworpen aan Gods Woord en moeten naar dat Woord worden beoordeeld. En dat Woord leert ook dat Christus Zijn kerk door plaatselijke ambtsdragers regeert die geen ambtelijk gezag hebben in een andere kerk dan die waarin zij geroepen zijn. Als verschillende kerken dan ook met elkaar samenkomen in kerkelijke vergaderingen dan zitten de afgevaardigden daar niet krachtens hun ambt, maar krachtens hun afvaardiging.58 Daarom is het wel regel, maar geen must dat alle afgevaardigden ambtsdragers zijn.59 Maar zelfs al zijn alle afgevaardigden in hun eigen kerk ambtsdragers, dan wordt een meerdere vergadering daarmee nog geen ambtelijke vergadering die met ambtelijk gezag kan spreken, De afgevaardigden ter vergadering zijn verantwoording schuldig aan hun zenders, de plaatselijke kerken.

Daarmee is niet gezegd dat meerdere vergaderingen geen enkel gezag hebben. Beperkt gezag is ook gezag. Maar dat gezag berust niet op het ambt van haar leden maar op grond van de onderlinge afspraak.60 De kerken hebben in hun kerkenordening afgesproken dat het goed en bijbels is als ze elkaar bijstaan in bepaalde kerkelijke zaken. Namelijk die zaken die op een mindere vergadering niet kunnen worden afgedaan en de zaken die tot de kerken in het gemeen behoren (art.30 DKO). Nooit zal een kerkelijke vergadering iets mogen doen wat tot de bevoegdheid van de plaatselijke kerken behoort.61 In verband hiermee zei men dat meerdere vergaderingen geen privatief (berovend) gezag hebben. Maar van eenmaal door meerdere vergaderingen genomen besluiten sprak men in art. 31 uit dat men deze voor ‘vast en bondig’ zou houden, behoudens de eerder genoemde uitzondering. Aan de meerdere vergaderingen werd dus wel gezag toegekend, maar een gezag dat cumulatief van aard in. Dat wil zeggen dat de kerken zelf daar hun gezag samenbrengen. Krachtens afspraak zouden de kerken dit gezag erkennen. Maar het is en blijft een afgeleid of wel tweedehands gezag.62 De plaatselijke kerken blijven voor de volle honderd procent verantwoordelijk voor hun doen en laten, ook als zij synodebesluiten uitvoeren. Die blijvende verantwoordelijkheid wordt uitgedrukt in het zgn. ratificatierecht.

Nu is niet iedereen overtuigd, van de noodzaak of wenselijkheid van een aparte ratificatie door de plaatselijke kerken. In de vrijgemaakte kerken hebben sommige auteurs op een gegeven moment weer afstand genomen van een apart ratificatierecht. Zo bijvoorbeeld J. Kamphuis en D. Deddens.63 Men vreesde willekeur en individualisme als dit recht sterk werd benadrukt. Art. 36 DKO spreekt zich immers uit tegen het ten onrechte niet ratificeren van besluiten van meerdere vergaderingen.


58 H. Bouwman, Kerkrecht II, blz. 28. C. Veenhof a.w., blz. 77. S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 160vv. en in Reformatie, 20 mei 1938: ‘Het wezen der meerdere kerkelijke vergaderingen volgens Voetius’.
59 H. Bouwman, a.w., blz. 21.
60 S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 188.
61 F.L. Rutgers, a.w., blz. 158. S. Greijdanus, a.w., blz. 184vv.
62 F.L. Rutgers, Rechtsbevoegdheid, blz. 23; H. Bouwman, a.w., blz. 22 en 64; S. Greijdanus a.w., blz. 149vv.; J. Kamphuis, Volkskerk, blz. 39.
63 J. Kamphuis, Besluitvaardigheid, blz. 55vv. D. Deddens stemde daarmee in in een artikel in het Ned. Dagblad van 12 dec. 1971, dat het N.D. helaas niet voor mij kon achterhalen. Vgl. echter ook D. Deddens in de Reformatie, 27 jan. en 3 febr. 1968. De reactie van de kerk van Wormerveer was fel (Opbouw 22 en 29 nov. en 6 dec. 1968): ‘Een zoon begraaft zijn vader!’

|20|

Meerdere vergaderingen hebben volgens dit artikel het recht om rechtsgeldige besluiten te nemen.64 Op dit punt spitst de discussie zich toe: zijn de besluiten van meerdere vergaderingen als zodanig rechtsgeldig of worden ze dat pas na ratificatie door de plaatselijke kerk? P. Deddens sprak met een beroep op Calvijn en Voetius65 van ‘voorlopige’ besluiten die een ‘volgend’ oordeel van de plaatselijke kerken behoeven en ziet dit als één proces van besluitvorming.66 Hij hanteert dit onderscheid om het verschil met Staatswetten te laten uitkomen.67 Kamphuis verdedigt dat deze besluiten zelf al rechtskrachtig zijn, maar dat dat het recht van niet-uitvoering niet wegneemt. Hij wil onderscheid maken tussen het besluit en de uitvoering van het besluit,68 maar volgens G. Janssen lost dit het kerkrechtelijke vraagstuk van de rechtsgeldigheid niet op.69 Van ’t Spijker is van mening dat de kerken bij voorbaat zulke besluiten ratificeren en noemt een apart ratificatierecht een uiting van wantrouwen en een tijdelijk opschorten van het kerkverband.70 Dit wordt weersproken door C. Huizinga die stelt dat het in het ratificatierecht om een kwestie van verantwoordelijkheid gaat. Bovendien staat een kerk niet meteen buiten het kerkverband als het een bepaald besluit niet ratificeert.71

De discussie volgend, lijkt het erop dat het ratificeren langzamerhand steeds meer gelijk gesteld wordt met rechtskrachtig verklaren.72 Terwijl P. Deddens het ratificeren definieerde als bekrachtigen, approberen, goedkeuren.73 Hij beroept zich hierbij o.a. op een latijns woordenboek dat stelt: ratificare = ratum habere, quod actum est approbare, confirmare, ratificatio = approbatio, confirmatio. P. Deddens ziet het ratificare dus op één lijn staan met het ratum habere van art. 31 DKO.74 De discussie over het al of niet rechtskrachtig zijn van synodebesluiten krijgt zo iets onwezenlijks. Algemeen gesproken zijn die besluiten rechts­krachtig (volgens afspraak). Specifiek gesproken worden ze dat pas voor een plaatselijke kerk als deze ze approbeert. Dan wordt expliciet de rechtskracht van een bepaald besluit erkend. ‘Zonder ratificeering van de zijde der Kerk heeft het besluit eener meerdere


64 Vgl. G. Janssen, Opbouw, 21 nov. 1969; P. Deddens, a.w., blz. 14: ‘krachtens verleende autoriteit van uitspraken’. Zie ook C. Veenhof, Opbouw, 11 oct. 1957.
65 P. Deddens, a.w., blz. 6v.
66 P. Deddens, a.w., blz. 12.
67 Zie zijn art. in Dienst, 2e jrg. 1948, overgenomen in Opbouw, 19 jan. 1968.
68 J. Kamphuis, a.w., blz. 64.
69 Opbouw, 6 nov. 1970.
70 W. van ’t Spijker in Jaarboek van de Chr. Geref. kerken in Nederland 1978, blz. 220v. ‘Men gaat niet bij voorbaat uit van de onbroederlijke gedachte, dat we alles nog eens moeten narekenen, voordat we ermee instemmen. Het ratificatierecht is in de lastbrief ingeweven.’
71 Opbouw, 9 en 16 maart 1979. C. Huizinga gaat hier ook in op de kritiek van Kamphuis op een apart ratificatierecht. Vgl. i.v.m. het al af niet verbroken kerkverband K. Schilder, a.w., blz. 41: ‘Het kerkverband is in geding gekomen, zoodra een synode van de K.O. afwijkt. En niet het niet-ratificeren en niet het niet- arresteren van een onwettig, kerkrechtelijk valsch besluit, breekt het kerkverband; want dit kerkverband heeft in art. 31 zelf in dat geval voorzien en het geregeld.
72 Vgl. J. Kamphuis, a.w., blz. 58: ‘Het is niet bekrachtigen in de zin van rechtskracht verlenen, rechtskrachtig maken, ratificeren, maar voor rechtsgeldig, rechtskrachtig houden.’ Zo ook G. Janssen, Opbouw, 23 maart 1979.
73 P. Deddens, a.w., blz. 10 en in Dienst, 2e jrg. 1948, overgenomen in Opbouw, 19 jan. 1968.
74 P. Deddens, a.w., blz. 25v.

|21|

vergadering geen rechtsgeldigheid voor die kerk (onderstreping van mij, JD), geen rechtskracht, wijl de rechtstitel ontbreekt.’75

G. Janssen, wiens kritiek op het ratificatierecht dieper gaat, omdat hij het beroep van P. Deddens op de historie aanvecht, stelt: ‘Het recht van toetsing is iets anders dan het recht en de plicht tot bekrachtiging van besluiten als onderdeel van de rechtsvorm!’76 Janssen spreekt daarom liever van recht van toetsing dan over ratificatierecht. Uiteindelijk ziet hij er ondanks zijn formele bezwaren echter geen wezenlijk kwaad in, omdat de ratificatie toch een onderling overeengekomen verplichting is.77

Het geheel overziende blijkt duidelijk dat het ratificatierecht juist in dagen van synodocratie en kerkstrijd benadrukt werd om de plaatselijke kerken op hun eigen verantwoordelijkheid te wijzen. In gewone tijden zal die ratificatie meestal stilzwijgend gebeuren. Maar dat is toch iets anders dan ratificatie bij voorbaat. Dat kan een kerk niet omdat zij de plicht van toetsing van de besluiten aan Schrift en kerkenordening heeft.78 Dat is geen kwestie van wantrouwen tegenover broeders, maar van verantwoordelijkheid tegenover God.79

Ter vergelijking op dit punt kunnen we denken aan het censura morum van art. 81 DKO. Dat hier apart ruimte voor wordt gegeven is officieel ook nooit als onderling wantrouwen uitgelegd, maar als uitoefening van een verantwoordelijk­heid die ambtsdragers tegenover God hebben. Men heeft het in de praktijk soms wel eens als een uiting van wantrouwen ervaren en er ten aanzien van Calvijn bijv. vanaf willen zien, maar Calvijn bleef erop aandringen als ‘eenen kerkelijke regel, die noodig en goed is om kerkedienaren in den band te houden en bij de goede orde te bewaren’.80 Ook van het ratificatierecht geldt wat Rutgers ten aanzien van het censura morum zegt: 'De bedoeling is nooit iets onaangenaams voor iemand uit te spreken, maar om de ambtsbediening zoo getrouw en vruchtbaar als mogelijk is, te maken.’ ‘Het is te doen om het welzijn van de kerk.’81

In de gewone kerkelijke praktijk is het verschil m.i. echter niet zo groot, omdat de kerken wel bij voorbaat beloofd hebben te zullen ratificeren onder het voorbehoud dat de besluiten de toets der kritiek kunnen doorstaan.82 In dagen van moeiten in het kerkverband is het echter belangrijk dat de


75 P. Deddens, a.w., blz. 12; vgl. J. Kamphuis, a.w., blz. 64 noot 297.
76 Opbouw, 30 en 23 maart en 6 april 1979.
77 Hetzelfde stelde G. van den Brink tegenover de Chr. Geref. deputaten. L.V. Wezep, Opbouw, 15 juni 1979.
78 ‘De Redeneering: de Kerken komen in Generale Synode samen en nemen haar besluiten, en die beslissing door deze Kerken in Synodale vergadering is tevens haar ratificatie – is dan ook van a tot z onjuist.’ P. Deddens, a.w., blz. 13. Zo stond het namelijk in de synodale brief d.d. 25 feb. 1944. Dit gaat zelfs verder dan de stelling dat de kerken al bij voorbaat ratificeren Hier wordt de redenering veroorzaakt door een verkeerd zicht op meerdere vergaderingen als ambtelijke vergaderingen van kerken i.p.v. afgevaardigden van kerken die verantwoording schuldig zijn aan hun zenders. Vgl. J. Kamphuis. a.w., blz. 57). Dit laatste wordt in de visie van Van ’t Spijker wel gehonoreerd.
79 Vgl. K. Schilder, a.w., blz. 24.
80 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 124.
81 F.L. Rutgers, a.w., blz. 129.
82 Vgl. toelichting CFK II, Notulen Wezep, blz. 119 en K. Schilder in Reformatie, 23 febr. 1952.

|22|

kerken zich van hun eigen verantwoordelijkheid tegenover God bewust zijn. Het benadrukken van de toetsingsplicht komt dan in de praktijk op hetzelfde neer als het benadrukken van het ratificatierecht.

Dit wordt het duidelijkst door P. Deddens zelf in zijn rede uitgesproken, als hij het ratificatierecht definieert als een recht om ‘in bepaalde gevallen, naar art. 31, Synodebesluiten niet voor vast en bondig te houden. Wat is haar plicht? De grenswacht te betrekken, en in overeenstemming met de gemaakte afspraak, de Synodebesluiten te toetsen naar art. 31. Hier ligt een speciale taak voor de kerkeraden.’83 Omdat Deddens het ius ratificationis dus definieert als een recht om niet-te-ratificeren84 en daarmee de afzonderlijke daad en verantwoordelijk­heid van de plaatselijke kerken wil benadrukken, meen ik het ratificatierecht als volgt te mogen omschrijven: de plaatselijke kerk is krachtens afspraak verplicht besluiten van meerdere vergaderingen na toetsing naar art. 31 DKO te ratificeren, maar het recht tot zelfstandige uitoefening van die plicht mag haar niet ontnomen worden krachtens haar verantwoordelijkheid tegenover God. In art. 31 DKO wordt immers ook niet gesproken van ‘vast en bondig zijn’, maar van ‘voor vast en bondig houden’. Ze beoogt het ratificatierecht niets anders dan het handhaven van ‘de rechten van het aan Gods Woord getoetste geweten.’85 Het ratificatierecht is dan met de toetsingsplicht gegeven.

Vanuit de gemaakte afspraken in de kerkenordening zou men dus rustig ook van ratificatieplicht kunnen spreken. Van ratificatierecht wordt gesproken vanuit de eigen verantwoordelijkheid die ligt in het ‘tenzij’ van art. 31 DKO. Van ratificatieplicht kan gesproken worden vanuit de afspraak die ligt in het ‘voor vast en bondig houden’ uit art. 31 DKO.86 Zo gezien is het naast zich neerleggen van wettige besluiten dan geen kwestie van ongehoorzaamheid aan meerdere vergaderingen, maar van ontrouw aan gemaakte afspraken.87 Als ieder zich hiervan bewust is, hoeft het ratificatierecht niet op chaos uit te lopen, maar kan er naar het oordeel der liefde ruimte aan gegeven worden.88

Het ‘bekrachtigen’ uit art. 34 AKS kan het beste gezien worden in het verlengde van het ‘voor vast en bondig houden’ van art. 31 DKO89 en dan in de zin van approberen, zoals P. Deddens het m.i. ook bedoeld heeft. In deze zin gebruikt zelfs Kamphuis een keer de term ‘bekrachtigen’ met afwijzing van


83 P. Deddens, a.w., blz. 12.
84 Zo vat ook K. Schilder het op in de Reformatie, 16 febr. 1952: ‘De kerkeraad brengt verslag van de classis. En ratificeert de besluiten. Dat betekent, als ik het goed begrijp, hoewel ik maar een leek in ’t kerkrecht ben: hij zegt daarmee: wij hebben geen reden gevonden om bij resolutie te verklaren: dat besluit der Classis is tegen Schrift en Kerkorde.’
85 P. Deddens. a.w., blz. 16. Vgl. ook blz. 17: ‘De vrijheid van het geweten is met het ratificatierecht gemoeid.’
86 C. Veenhof (Opbouw, 11 oct. 1957) spreekt van ‘het recht en de plicht om die besluiten eerst te ratificeren’.
87 F.L. Rutgers, a.w., blz. 158. C. Veenhof, In den chaos, blz. 77. Vgl. CFK-II, Notulen Wezep, blz. 119: ‘een afzonderlijke daad, waarbij de zgn. meerdere vergaderingen haar besluiten ter goedkeuring of anderszins aan de kerkeraden voorleggen is niet vereist; de hoedanigheid van deze vergaderingen brengt dit zonder meer mee.’
88 P. Deddens a.w., blz. 17. C. Huizinga vatte het zo samen: ‘De liefde verdraagt het ratificatierecht. Meer zij draagt het.’ (Opbouw, 16 maart 1979). Idem F.L. Rutgers t.a.v. censura morum (Collegevoordrachten, blz. 130).
89 Vgl. de uitleg van de CFK-II, Notulen Wezep. blz. 158v.

|23|

de term ‘ratificeren’, omdat daarin de notie van ‘rechtskracht verlenen’ ligt.90 Toegegeven, het wekt verwarring om over ratificatie te spreken als ‘completering van de rechtsvorm van een genomen besluit’.91 In z’n algemeenheid, vanuit de gemaakte afspraken gezien, is dit immers niet juist. Bedoelt men dit echter van ratificatie als approbatie, dan heb ik daar in zijn toepassing op een plaatselijke kerk geen enkel bezwaar tegen. Toch blijft het al met al een vrij theoretische kwestie. Ook het ‘bekrachtigen’ ‘gaat eenvoudig volgens de ‘ja-­tenzij-formule’.92

5. appèlrecht

In nauw verband met de vorige paragraaf over het ratificatierecht komt nu het appèlrecht ter sprake. Gesteld namelijk dat een gemeente een bepaald besluit niet kan ratificeren, heeft zij dan niet de plicht om te appelleren?

Naar de gewone kerkelijke gang van zaken kan niet van een appèlplicht gesproken worden.93 Appelleren doe je namelijk als je verongelijkt bent en daarover kan alleen de betrokkene zelf oordelen. Het staat hem vrij al dan niet in appèl te gaan en het aangedane onrecht al dan niet te dragen. Het is zelfs aan te bevelen om tot het uiterste te gaan om een geschil in de plaatselijke kerk te beslechten en persoonlijk onrecht zover mogelijk te dragen.94 Appèldwang zou binnen de kortste keren synodocratie tot gevolg hebben. ‘Want via een ongerechtvaardigde appèldwang brengt men zaken die uitsluitend tot de kerkeraad behoren, op de meerdere vergadering.’95 ‘Alleen als het gaat om het fundament der kerk inzake leer of tucht zal iemand noodgedwongen de ‘kerkelijke weg’ moeten gaan’.96 Dan roept de verongelijkte het kerkverband als scheidsrechter te hulp.


90 J. Kamphuis, a.w., blz. 58. Op blz. 61 stelt hij ‘bekrachtigen’ echter wel weer gelijk met ‘rechtskrachtig maken’. Meerderen hadden dit bezwaar tegen de term ‘bekrachtigen’ als ‘voor vast en bondig maken’, Notulen Wezep blz. 8. Dit bezwaar werd ook geuit in het Chr. Geref. deputatenrapport, Acta G.S. Amersfoort 1980, blz. 149v.
91 J. Kamphuis, a.w., blz. 61. Zie m.n. ook G. Janssen in Opbouw, 23 en 30 maart en 6 april 1979.
92 C. Huizinga, Notulen Wezep, blz. 29. Vgl. ook blz. 119: ‘Het besluit in de regionale of de landelijke vergadering wordt thuis, in de plaatselijke kerk, afgerond, en niet genómen. Het gaat om de afronding van een procedure van besluitvorming.’ Misschien kan het ratificatierecht ook wel omschreven worden als de bevoegdheid van de plaatselijke kerken aan bepaalde besluiten hun rechtsgeldigheid te ontnemen. Toch kleeft hier het bezwaar aan dat besluiten die de toets van het ‘tenzij’ niet kunnen doorstaan de facto al geen rechtsgeldigheid hebben. (Schilder spreekt van het verliezen van hun geldigheid, a.w., blz. 8). Ook hieruit blijkt de noodzaak van het onderscheiden tussen rechtsgeldigheid van synodebesluiten in het algemeen en van een bepaald synodebesluit in het bijzonder.
93 G. Janssen, Aanvaardt elkander, blz. 19.
94 Een gevolg van de herontdekking van art. 31 in de Vrijmaking was nl. dat iedereen al maar door appelleerde. De gemeenteleden hadden hun mondigheid herontdekt (R.H. Bremmer, Opbouw, 5 juni 1964). Een positief gebeuren met een negatief neveneffect. ‘Door art. 31 is een vinger gegeven maar de praktijk heeft doen zien dat men al gauw de hand kwijt was.’ (K. Doornbos, Opbouw, 13 mei 1966) De schuld hiervan ligt niet bij art. 31, maar bij de ‘inflatiespiraal van het christelijk leven’ (H. Smit, Opbouw, 15 febr. 1974). Art. 35 AKS gaat deze spiraal te lijf door in elke zaak, uitgezonderd leerzaken en tuchtzaken over Dienaren des Woords, maar één appèl toe staan. Een goed medicijn met als gevolg dat ‘de kerkverbandelijke hulp wint aan kracht en verliest aan duur.’ (H. Smit).
95 G. Visee, Opbouw, 23 april 1965.
96 H.J. Jager, Opbouw, 28 juni 1957.

|24|

Maar misschien liggen de zaken anders als een kerkeraad een besluit van een meerdere vergadering niet kan ratificeren. Dan is het juist het kerkverband waartegen een kerkeraad in het verweer komt. Maar formeel gesproken kan ook dan niet van een appèlplicht sprake zijn. Deze figuur bestaat in het kerkrecht niet.97 Toch is daarmee de zaak niet afgedaan, want al bestaat er formeel geen appèlplicht dan kan er nog wel een morele appèlplicht bestaan. Als een kerkeraad een besluit niet ratificeert dan heeft het kerkverband recht op een verantwoording van deze beslissing. Betreft het een principieel besluit en is het een kerkeraad echt ernst met haar beslissing dan zal zij echter ook zelf de andere kerken in het verband van de onrechtmatigheid van dat bepaalde besluit willen overtuigen. In dit verband zou je dan wel van een morele appèlplicht kunnen spreken.98 ‘Het gaat achter niet aan een besluit te laten voor wat het is en er toch rechtdraads tegen in te gaan. Legt men zich er niet bij neer om welke reden ook, dan is men in het algemeen verplicht er in de kerkelijke weg verzet tegen aan te tekenen.’ ‘Doet men dit laatste niet, dan is men buiten de orde en kan men een kerkelijk optreden tegen zich verwachten.’99 Dit is ook vastgelegd in art. 34 AKS. De uitdrukking die daar gebruikt wordt mag gezien worden in het licht van 1 Petr. 3,15 en wil juist alle vrijblijvendheid ten aanzien van besluiten van meerdere vergaderingen tegengaan.100 Gaan het om principiële zaken, dan wordt hier in feite ook een morele appèlplicht vastgelegd.101

6. doel van een gereformeerde kerkenordening 

In verband met de zgn. Preambule wil ik mij in deze paragaaf bezig houden met het doel van een gereformeerde kerkenordening (k.o.). Het AKS formuleert in overeenstemming met de DKO haar eigen bestaansrecht als volgt: ‘In de gemeenten van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren. Daartoe is overeengekomen een regeling met betrekking tot: I. De diensten. II. Het opzicht over de leer en de eredienst. III. De tucht. IV. De kerkelijke vergaderingen’ (art. 1 AKS)

Uit het slotartikel van de DKO kan worden afgeleid dat het doel van een gereformeerde kerkenordening het beste kan worden samengevat met de term ‘het profijt der kerken’. Omdat juist dit het doel van een k.o. is mag die niet tot voorwerp van geloof gemaakt worden. ‘Wanneer de kerken


97 G. Janssen, Opbouw, 6 maart 1964; vgl. J. Meulink, Opbouw, 18 april 1969. Van dezelfde mening was de CFK-II, Notulen Wezep, blz. 121.
98 C. Veenhof, In den chaos, blz. 69.
99 G. Janssen, a.w., blz. 19. Terecht wijst ook D. Deddens hierop, Reformatie, 27 jan. 1968. Het kerkverband heeft recht op een nadere verantwoording. Maar het spreken van ‘de plicht om de onwettigheid van dat besluit te bewijzen, aan te tonen’ (Reformatie 3 febr. 1968) gaat te ver en komt in de praktijk neer op het verbinden van een voorlopigheid aan het ‘tenzij’ van art. 31 DKO (vgl. § 4, noot 4). Appèlplicht of zelfs appèldwang kent art. 31 DKO niet. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor het al of niet ratificeren van een bepaald besluit ligt bij de plaatselijke kerk.
100 Vgl. toelichting CFK-II, Notulen Wezep, blz. 162. Zie ook het rapport van de Chr. Geref. deputaten, Acta G.S. Amersfoort 1980, blz. 149.
101 Vgl. het antwoord aan de Chr. Geref. deputaten in het ‘rapport van de commissie voor contact en samenspreking met andere kerken’, Akta Breukelen, blz. 222. Zie ook Chr. Geref. deputatenrapport, Acta Amersfoort 1980, blz. 149.

|25|

daarmee gediend zijn’ (art. 40 AKS) behoort een k.o. gewijzigd te worden.102 De k.o. is geen wet, maar een middel om de orde te bewaren,103 ‘om het lichaam van de Kerk in stand te houden’ (art. 32 NGB).104 Art. 32 NGB geeft hiermee niet alleen het nut van een k.o. aan, maar wijst ook op de grenzen: ‘En daarom verwerpen wij alle menselijke bedenksels en alle wetten, die men zou willen invoeren om God te dienen en daardoor de gewetens te binden en te dwingen, op welke wijze dan ook. Wij aanvaarden dus alleen wat dienstig is om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid aan God.’

Iedere gereformeerde kerk erkent dat hiermee de formele grens van een k.o. is aangegeven. De discussie begint zodra men moet bepalen waar de inhoudelijke grenzen liggen. Rutgers benadrukt herhaaldelijk dat een k.o. alleen maar grondbeginselen mag bevatten en dat de praktische uitwerking moet worden vrijgelaten.105 Wil een k.o. gereformeerd zijn dan zal zij aan de volgende eisen moeten voldoen:

1. ‘Hare bepalingen moeten niet de, consciënties rechtstreeks willen binden, immers zijn het menselijke bepalingen.’
2. ‘Hare bepalingen mogen nooit als eeuwigdurend of altoos geldend voorgesteld. Gods Woord alleen blijft in eeuwigheid.’
3. ‘Een K.O. moet niet bevatten bepalingen over allerlei particuliere gevallen.’ ‘Een K.O. moet alleen algemene beginselen, groote lijnen aangeven. De uitwerking moet bij de kerken berusten.’
4. ‘Kerkelijke bepalingen moeten nooit gemaakt (...) over niet zuiver kerkelijke zaken.’
5. ‘De bepalingen moeten zoo weinig mogelijk in aantal zijn.’
6. ‘De bepalingen moeten duidelijk en kort zijn.’
7. ‘De bepalingen moeten niet al te streng worden opgelegd, zoodat ze met goddelijke voorschriften worden gelijkgesteld.’106

Maar als een kerkenordening aan deze eisen voldoet en met gemeenschappelijk akkoord is aangenomen, dan beloven de kerken elkaar ook zich daaraan naar vermogen te houden (vgl. art. 40 AKS). Het is vanzelfsprekend van groot belang dat alle kerken met zo’n k.o. instemmen. In de


102 Vgl. F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 176. Dit werd meteen al in Wezel 1568 vastgelegd! Vgl. J. Hovius, ‘Om ‘de ware religie te onderhouden’’. In: Woord en Kerk, blz. 94.
103 F.L. Rutgers, Geldigheid, blz. 38; Collegevoordrachten, blz. 177.
104 Vgl. J. Hovius, a.w., blz. 71.
105 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 11, 109, 181, 184; blz. 64: ‘Op kerkelijk gebied is te handelen naar eenmaal vastgestelde beginselen, en voorts naar gelang van omstandigheden, welke omstandigheden duizendvoudig kunnen verschillen.’
106 F.L. Rutgers, niet gepubliceerde collegevoordrachten, blz. 5v. (naar Voetius, Pol. Eccl. D1. I, blz. 254). Vgl. F.L. Rutgers, Kerkrecht, blz. 20.

|26|

ontstaanstijd van het gereformeerde kerkverband in Nederland is dan ook het uiterste gedaan om alle kerken hiertoe te brengen. Dat ging niet zonder enige moeite.107

Nu lijkt de zgn. Preambule (zie II.2) met de gemaakte afspraak naar art. 40 AKS in strijd te komen. Of dit zo is, kan pas vastgesteld worden nadat eerst de bedoeling van de Preambule duidelijk voor ogen staat. Voor het verstaan hiervan is het van groot belang de historische gang van zaken in de gaten te houden. Want men heeft niet eerst een k.o. vastgesteld en daarna deze afgezwakt door een Preambule. Eerst is in een historische situatie de Preambule ontstaan als principiële basis om sàmen (dit bleek namelijk problematisch te worden) verder te werken naar een k.o.

Door de kerkstrijd in de zestiger jaren kwamen er steeds meer kerken buiten het vrijgemaakte kerkverband te staan. Zij stonden voor de vraag wat nu te doen. Men wilde elkaar vasthouden omdat men zich één wist in hetzelfde geloof. Zo schreef de redactie van Opbouw in 1967: ‘En laten wij niemand uitsluiten die de HERE naar Zijn Woord niet uitsluit en geen gemeenschap weigeren met iemand die met ons heeft dezelfde Heer en dezelfde Vader.’108 Het verloop van de scheuring drong steeds meer tot bezinning. Na twee maal onder het juk van een synodocratie te zijn doorgegaan wilden niet alle kerken opnieuw een georganiseerd kerkverband aangaan. Omdat de meeste kerken deze weg wel opwilden, drong de vraag zich op wat men dan aanmoest met de zusterkerken die hier gezien de historie moeite mee hadden.109 Men besefte dat een duidelijke orde nodig was, maar tegelijk besefte men: ‘Wij kunnen niemand missen.’110 Men erkende elkaar als zusterkerken, die elkaar ook bij het aangaan van een of andere samenwerking niet mochten loslaten.111 Op de L.V. van Bunschoten 1973 kozen de buiten het verband geraakte vrijgemaakte kerken principieel voor een georganiseerd kerkverband. Tegelijk wist men dat men zustergemeenten die hier moeite mee hadden niet mocht loslaten. H. Amelink sprak in dit verband van een ‘goede schriftuurlijke tolerantie’. De praktische regeling hiervan was nog niet duidelijk, maar vanuit de liefde tot Christus moest dit mogelijk zijn.112

Vanuit deze achtergrond wordt door de CFK-I dan de zgn. Preambule voorgesteld (aanvankelijk te laat ingediend te Bunschoten 1973), die op de LV. van Utrecht op 21 sept. 1974 met overgrote meerderheid werd aangenomen De gemakkelijkste weg zou zijn geweest de bezwaarde zusterkerken te laten vallen, maar deze eenvoudige en veilige weg wilde men niet op uit liefde voor Christus en Zijn gemeente. Men had ervaren wat het betekende om uit het kerkverband gestoten te worden en wilde niet het regelen van


107 Vgl. F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 153.
108 Opbouw, 8 Sept. 1967.
109 G. Visee, Opbouw, 30 juli 1971.
110 H.J. van der Kwast, Opbouw, 9 nov. 1973.
111 C. Veenhof, Opbouw, 23 nov. 1973.
112 Opbouw, 7 dec. 1973.

|27|

het onderling verkeer tot grenspalen van het kerkverband maken.113 ‘Wat we bestrijden is niet de regel, maar die donkere drang naar vereenvoudiging en beveiliging.’114

In deze Preambule klinken de woorden van Schilder, bij de Vrijmaking uitgesproken, door: ‘We hongeren dus naar de katholieke kerk, naar de kerk, die algemeen is en wij zweren bij God een dure eed ook vandaag, wij zweren een dure eed die aldus luidt: Waar ook en wanneer wij ook gaan staan in een kerkformatie, hoe ze ook heet of heten kan: het zal niet aan ons zelf mogen liggen als er één man of één vrouw of één kind buiten blijft, waarvan God zegt: hij moet erbinnen wezen.’115 Zo gezien is de Preambule een belijdenis waarin het gaat om het bewaren van het wezen van de Vrijmaking!

De kritiek die op de Preambule geuit wordt miskent over het algemeen de historische achtergrond en het belijdend karakter ervan. Men vergeet ook vaak dat er aan de gewraakte ‘Uitspraak’ een ‘Verklaring’ voorafgaat, waarin de band aan Schrift en belijdenis wordt uitgesproken. Niet alle kerken mogen dan het later ontstane AKS aanvaard hebben, in de Preambule hebben alle Ned. Geref. kerken verklaard ‘in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden.’ Op deze belijdenis willen alle Nederlands Gereformeerde kerken ook aangesproken worden.116 Ze willen niet los van elkaar ieder hun eigen weg gaan maar

‘Zij beloven ook, elkaar bij te staan in de strijd voor de Naam en de eer van de here, zich voegend naar het Schriftuurlijk onderwijs voor een geordend kerkelijk samenleven, opdat zij ook in de inrichting van het kerkelijk leven de wegen van het verbond van de here mogen houden, niet in tirannieke eenheidsdwang, maar in de vrijheid van Christus, in de gehoorzaamheid van Zijn gebod, in liefde tot God en de naaste. Zij begeren zo ook in deze dingen als één in Christus naar buiten op te treden – met de bede dat alle in belijdenis en leven waarlijk gereformeerde kerken en allen die de here vrezen en Zijn getuigenissen kennen (Psalm 119: 79), zich met hen voegen tot één gemeenschap, één van zin en één van gevoelen (1 Cor. 1: 10), door de Geest van onze God.’


113 Er waren er wel die toch liever voor de veilige weg gekozen hadden. Zo L. van Klinken, Opbouw, 8 maart 1974, uit vrees voor dominocratie en omdat de ondeugdelijkheid van de DKO nog nooit was aangetoond.
114 H. Smit, Opbouw, 15 feb. 1974. Smit komt zo tot een positief oordeel over de voorgestelde Preambule. Juist vanuit een grondbeginsel van het gereformeerde kerkrecht: ‘Iedereen blijft keurig zeggen, dat het ordelijk samenleven niet tot het wezen maar tot het wèl-wezen van de kerk behoort. Maar wat helpt dat, als we de aanwezigheid van het ‘wezen’ in de praktijk uit het wèl-wezen gaan afleiden!’
115 Opbouw, 8 okt. 1965 (aangehaald door C. Veenhof).
116 Àlle afgevaardigden betuigden op de L.V. te Utrecht hun instemming met de confessie. W.G. Rietkerk in Opbouw, 12 Sept. 1980: ‘Over de inhoud en fundering van ons samenleven als Nederlands Gereformeerde kerken is er onder ons dus geen verschil van mening.’ Vgl. H.J. van der Kwast te Breukelen, Akta, blz. 12: ook de kerken die het AKS niet wilden aanvaarden wilden gereformeerd zijn, omdat ‘het aan beide zijden gaat om gereformeerde kerken die elkaar aannemen op de gereformeerde belijdenis.’ Vgl. de brief van de LV te Dronten 1988 aan de Geref. Kerk van Suid-Afrika, Akta, blz. 79.

|28|

Wie de Preambule leest in het licht van het AKS, zoals D. Deddens en W.G. de Vries doen,117 zal er ongetwijfeld een afzwakking in lezen. Maar wie het AKS leest in het licht van de Preambule, beseft dat hier een poging wordt gedaan alle gereformeerde kerken die één zijn in belijdenis vast te houden als zusterkerken. Terwijl zelfs over het eigen georganiseerde kerkverband heen de hand wordt uitgestrekt naar broeders en zusters met wie men door hetzelfde belijden de facto verbonden is.118 Hiermee wordt niet de gemakkelijkste en veiligste weg gekozen, maar naar een woord van Rutgers, weliswaar in een ander verband uitgesproken, kan gezegd worden: ‘De gemakkelijkste weg is meestal de minst Christelijke weg.’119

In deze paragraaf wil ik ook ingaan op de tegen art. 31 AKS ingebrachte kritiek. Er is wel gesproken van een mystieke uitdrukking die in een k.o. niet thuishoort (zie II.3). Ik meen deze kritiek hier te kunnen behandelen, omdat de uitdrukking (‘samen de tijd van God verwachten waarin Hij de weg duidelijk zal maken’) juist tot uiting wil brengen dat een k.o. naar zijn bedoeling geen kerkelijk wetboek is, dat je kunt opslaan om te weten hoe er in elk bijzonder geval gehandeld moet worden. Rutgers heeft terecht steeds gesteld dat in de k.o. slechts grondbeginselen vastgelegd kunnen worden. Dat houdt in dat er in de toepassing van die beginselen ruimte moet zijn en er dus ook verschil van mening kan zijn. Juist dan moet er in de k.o. ook openheid naar Boven zijn. Bij een wetboek kan men deze ruimte niet geven, maar een k.o. is juist geen wetboek! Rutgers stelt dat de vraag wie het bij het rechte eind heeft in een bepaald conflict neerkomt op de vraag wie aan de Koning getrouw wil zijn, ‘en formele bepalingen, die dit van tevoren reeds zouden vaststellen, zijn natuurlijk niet denkbaar. Het kan ook niet worden uitgemaakt door eene staatswet of door het gezag van de overheid. Hier moet de beslissing aan den Koning der kerk worden overgelaten. En Hij geeft die dan ook; wel niet altijd terstond; ook niet zóó, als menschen dat wel zouden wenschen; menigmaal zelfs met beproeving en druk, waarin zijne kerk dan de gevolgen van haar ontrouw te erkennen heeft. Maar toch altijd toont Hij voortdurend, dat hare zaak ook de zijne is. Daarop kunnen allen, die hem inderdaad getrouw zijn, het dan ook veilig laten aankomen.’120

De bekritiseerde passage uit art. 31 stamt bovendien rechtstreeks uit de Schrift. De Schrift leert ons deze openheid naar Boven toe (Fil. 3: 15).121 Dat dit hier is opgenomen is uit de historie te verstaan. Meermalen heeft men in de zestiger jaren op kerkelijke vergaderingen ingrijpende besluiten doorgedrukt met geringe meerderheid.122 Waar geen overeenstemming werd bereikt, zette men zijn


117 D. Deddens, Reformatie, 7 mei 1983 (‘Notities bij een ‘Akkoord’’); W.G. de Vries, a.w., blz. 91v.
118 Vgl. B. van Smeden (Chr. Geref. deputaat) te Breukelen, Akta, blz. 21: ‘Er moet ook kerkrechtelijke eenheid zijn, maar dit mag geen breekpunt zijn als we één zijn in geloof, in confessie.’ In deze uitspraak wordt de bedoeling van de Preambule begrepen.
119 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 88.
120 F.L. Rutgers, Gemeenteleden, blz. 26. Hij vervolgt: ‘Als maar onder hen blijft gelden, wat de grondregel van het kerkrecht, ook reeds door Calvijn bij zijn eerste optreden als zoodanig op de voorgrond gesteld, dat het Woord Gods is «la certayne reigle de tout gouvernement et administration, mays principalement du gouvernement ecclésiastique».’
121 Vgl. uitleg CFK-II, Notulen Kampen, blz. 9v.
122 Het meest beruchte voorbeeld is de synode van Rotterdam-Delfshaven 1964 die met een stemverhouding van 14-13 ds. Van der Ziel van Groningen-Zuid schorsingswaardig verklaarde, wat leidde tot een breuk ter ➝

|29|

zin door door overstemming! Maar juist bij ingrijpende besluiten moet in de kerken naar overeenstemming gezocht worden.123 Dat is eis van broederliefde. ‘Het is puur werelds elkaar in een kerkelijke vergadering te overstemmen.’124 Rutgers spreekt in zo’n geval van een ‘genootschapsmentaliteit’.125 Als deze overeenstemming niet bereikt kan worden, moet men zijn onmacht tot besluiten erkennen en wachten tot God meer duidelijkheid in die bepaalde zaak wil geven.126 Expliciet is de noodzaak van het streven naar overeenstemming nog eens verwoord in art. 33 AKS. Wie aan de leiding van Gods Geest in kerkelijke vergaderingen ruimte wil geven zal met de bijbelse uitdrukking uit art. 31 AKS geen moeite hebben. Wie de wil van de Geest zonder meer identificeert met de wil van een zelfs geringe meerderheid127 heeft geen oog voor de gebrokenheid van ons kerkelijk leven, heeft daarmee de Geest kerkelijk lam gelegd en de bodem ander de Reformatie weggeslagen. Het gebod uit Ex. 23: 2 luidt immers: ‘Gij zult de meerderheid in het kwade niet volgen, noch in een rechtsgeding getuigenis afleggen met de meerderheid mee, om het recht te buigen.’ Ook de bekritiseerde passage in art. 35 AKS (‘tenzij dit niet recht zou zijn voor God’) wil de Geest ruimte laten in overeenstemming met Hand. 4: 19.

7. afwijking van de kerkenordening

In deze paragraaf kom ik terug op art. 34 AKS. Dan gaat het mij om de zwaar bekritiseerde passage: ‘De kerk die een besluit niet bekrachtigt om bovengenoemde redenen of niet kan uitvoeren om redenen die het welzijn van de gemeente betreffen, zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven.’ Pas nu we over het doel van de kerkenordening gesproken hebben, kan de beoordeling van deze passage plaatsvinden. In de vorige paragraaf vatten we het doel van de kerkenordening immers samen als ‘het profijt der kerken’. Het is duidelijk dat dit doel ook in art. 34 AKS in geding is.


➝ Synode. Vgl. Acta Rotterdam-Delfshaven 1964, blz. 135 en R.H. Bremmer, Opbouw, 2 febr. 1968. Dat de tijd van de breuk gekenmerkt werd door vele van zulke overstemmingen tekent de nood van de kerk in die dagen. Toen op de P.S. van Z-Holland te Schiedam in 1960 ook overstemming dreigde adviseerde De Vries nog tegen het uitvoeren van zo’n besluit (Opbouw 8 jan. 1965; aangehaald door C. Veenhof), maar met de overstemming te Rotterdam-Delfshaven blijkt hij helaas geen enkele moeite te hebben (De jongste aanval, blz. 30 en De Vrijmaking in het vuur, blz. 50v.).
123
 Hieruit moet ook de lange ontstaansgeschiedenis van het AKS verklaard worden (zie voorwoord AKS, waarin Expliciet naar art. 31 AKS verwezen wordt. Idem Akta Breukelen, (blz. 87 en 260) en niet vanuit ‘de independentistische achtergrond’ zoals C. Trimp (Reformatie, 2 jan. 1982: ‘Het independentisme woekert voort’) en W.G. de Vries menen (De Vrijmaking in het vuur, blz. 90). Overigens heeft de DKO er 50 jaar over gedaan (1568-1618/19), al lagen de grondlijnen al snel vast. Met dit ook door J. Kamphuis genoemde ‘goede beginsel’ (Besluitvaardigheid, blz. 26), hangt samen dat men vroeger twee stemmingen hield. Eén om het gevoelen van de meerderheid te peilen en een tweede waarin het gevoelen van de meerderheid met gemeen accoord tot besluit werd verheven.
124 C. Veenhof, Opbouw, 27 nov. 1964. Zie ook op 3 dec. 1964: ‘We kunnen de zaaksgerechtigheid die we hebben en mogen vasthouden volkomen verspelen door een persoonsongerechtigheid.’ Vgl. J. Hovius, a.w., blz. 92: ‘De regering der kerk mag nimmer de heerschappij betekenen van een mens, wie deze mens ook zij, of van een groep van mensen, hoe groot of hoe klein deze groep ook moge wezen.’
125 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 16.
126 Vgl. C. Veenhof in Opbouw 10 april 1964.
127 Zo werd daadwerkelijk gedaan door H. Knoop in Reformatie, 23 jan. 1965, aangehaald door G. Visee in Opbouw, 26 febr. 1965.

|30|

Met de overtuiging dat een k.o. geen wet is en ‘het profijt der kerken’ beoogt, is de vraag naar het recht van afwijking van de k.o. gegeven. Vanouds vond men dit geoorloofd, als door de afwijking van de k.o. toch beter aan het doel van de k.o. beantwoord werd.128 Dit kan echter alleen gegarandeerd worden als er bij die afwijking bepaalde regels in acht genomen worden: nl. 1. de afwijking moet als afwijking erkend worden; 2. niet aan andere kerken worden opgelegd door verandering van de k.o.; 3. bij een kwestie ligt de afwijking ter beoordeling van een meerdere vergadering.129 De afwijking moest geregeld zijn opdat zelfs bij afwijking aan het doel van de k.o. wordt voldaan.

Nu kennen we van Voetlus een spreuk, die een zekere bekendheid heeft gekregen: salus ecclesiae suprema lex (het heil van de kerk is de hoogste wet). Niet iedereen is het met deze spreuk zonder meer eens. In de tijd van de breuk in de vrijgemaakte kerken werd er veel kritiek op deze spreuk van Voetius geuit. Als deze spreuk kerkelijk recht wordt, dan werd dat als een teken gezien dat er geen ‘objectief vrijgemaakt kerkrecht’ meer is.130 Sinds het fatale besluit van de synode van Rotterdam-Delfshaven 1964 zag men dit als hoogste recht in de kerken heersen.131 ‘De kerkorde wordt zo al te zeer een aangelegenheid van menselijk inzicht in wat nuttig is voor de kerk en in wat de tijd eist. Tegen slècht kerkrecht blijft zo niet voldoende verweer.’132

Het valt op dat de kritiek zich vooral richt op het hanteren van de nuttigheidsredenering in een noodsituatie Juist dat wordt vreemd gevonden omdat de meeste artikelen van de k.o. speciaal voor noodsituaties bedoeld zijn.133 Maar Rutgers stelde juist dat in goede tijden afwijking i.v.m. de bevordering van de welstand van de kerk werd goedgekeurd.134 Bij een kwestie moest de afwijking door een meerdere vergadering beoordeeld worden.

Terecht wordt er door Greijdanus kritiek geleverd op een hantering van de nuttigheidsredenering die strijdig is met de grondbeginselen van het kerkrecht: ‘Het komt ook, en wel allereerst, in de kerk aan op roeping aanstelling, recht, bevoegdheid van Godswege.’135 Zo rechtvaardigt Voetius zelfs het ingrijpen van een synode in een plaatselijke kerk met een dergelijke nuttigheidsredenering (melius


128 F.L. Rutgers, Geldigheid, blz. 41vv, 185vv; C. Veenhof, Opbouw, 11 oct. 1957.
129 G. Voetius, aangehaald door F.L. Rutgers, niet gepubliceerde collegevoordrachten, blz. 4. Ook in Collegevoordrachten, blz. 187/188.
130 R.H. Bremmer, Opbouw, 14 april en 19 mei 1967, contra J. Kamphuis die i.v.m. de wegzending van Schoep van de synode van Amersfoort-West 1967 sprak van de ‘veiligheid van de rechtspraak ter synode’.
131 R.H. Bremmer, Opbouw, 15 sept. 1967. Idem wijzen H.J. Jager (Opbouw, 3 nov. 1967) en G. Visee (Opbouw, 17 nov. 1967) deze spreuk af.
132 G. Janssen n.a.v. J. Plomp (Beginselen van reformatorisch kerkrecht) in Opbouw, 22 maart 1968.
133 J. Meulink, Opbouw, 7 maart 1969. Zo vindt G. Janssen de zinsnede van Meulink-De Wolff (‘Niet elke afwijking (van de k.o.) is ordeloosheid, wel moet elke afwijking vereist zijn door het profijt der kerk.’) vooral nu gevaarlijk (Opbouw, 25 okt. 1968). Vgl. ook K. Schilder, Eerste- en tweedehands gezag, blz. 20: ‘En een zorgenzware tijd dringt den eisch tot betoon van trouw aan het accoord van samenleving slechts des te krachtiger aan bij aller consciëntie.’ Vgl. ook G. Janssen, Aanvaardt elkander, blz. 52.
134 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 187: ‘als er kerken in eenen toestand waren, dat de afwijking niemand anders schaadde en in het belang der kerk zelve was voor de goede orde, vrede en rust.’
135 S. Greijdanus, Over Gereformeerd Kerkrecht, blz. 204.

|31|

esse).136 Maar vanouds is binnen de k.o. onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke en nuttige bepalingen.137 En het moet toch eigenlijk vanzelf spreken dat waar de grondbeginselen in geding zijn geen afwijking mogelijk is. Maar in de kerkgeschiedenis bleek men er soms niet vies van ook de grondbeginselen ter zijde te schuiven ter wille van het welzijn van de kerk. Vooral het kerkrechtelijk conflict in de Vrijmaking heeft de gereformeerden daarom terecht huiverig gemaakt voor het ‘salus ecclesiae suprema lex’.138

Toch kan ik er niet omheen dat het doel van de k.o. het hanteren van de k.o. als wetboek uitsluit en ruimte voor afwijkingen mogelijk maakt.139 Maar dan mogen de grondbeginselen van gereformeerd kerkrecht niet in geding zijn. Wanneer Voetius zijn spreuk lanceert heeft hij het over een gemeente met een bedorven kerkeraad en een machteloos kerkverband, die nu zelf (als gemeente) een andere kerkeraad aanstelt.140 Voor zover ik kan zien is een dergelijk gebeuren niet in strijd met de grondbeginselen, maar komt die er juist uit op. Maar doordat Voetius elders ook, maar dan ten onrechte (nl. in strijd met de grondbeginselen), een nuttigheidsargument hanteert (om eigenmachtig ingrijpen van het kerkverband in een plaatselijke kerk te rechtvaardigen) en doordat zijn spreuk in deze zelfde lijn te pas en te onpas werd gebruikt, kwam die in een kwaad daglicht te staan en kan daarom misschien beter vermeden worden.

De kritiek op het hanteren van Voetius’ spreuk in de recente kerkgeschiedenis richt zich met name tegen meerdere vergaderingen die met een beroep op het ‘salus ecclesiae’ de rechten van de plaatselijke kerken aantastten en zo de hiërarchie in de kerk invoerden. Zo stelde Schilder: ‘indien een vergadering, die de kerken zegt te vertegenwoordigen, (…) afwijkt van de kerkenordening, is daarmee in beginsel de anarchie in de Kerken ingedragen; tot toetsing der besluiten en tot weigering van erkenning van wat afwijkt van de K.O. zijn immers


136 S. Greijdanus, a.w., blz. 198vv.
137 Zo F.L. Rutgers, niet gepubliceerde collegevoordrachten, blz. 4. Als bijvoorbeeld de kerkelijke tucht uit praktische overwegingen bestreden wordt, komt Rutgers op voor de grondbeginselen: ‘Dergelijke utiliteitsbezwaren zijn evenwel niet principieel en beslissen niets. Alles komt aan op de principieele bestrijding.’ (Collegevoordrachten, blz. 13). ‘Doch nooit mag voor moeilijkheden in de practijk het beginsel prijsgegeven.’ (blz. 30).
138 Vgl. het telegram op de synode van Utrecht 1943-45 waarvan J. Plomp melding maakt (‘Salus ecclesiae suprema lex’. In: De knechtsgestalte van Christus, blz. 150).
139 F.L. Rutgers, niet gepubliceerde collegevoordrachten, blz. 4: ‘Het doel van de K.O. zelf brengt mee, dat men van die K.O. kan afwijken.’ Rutgers stelt in zijn Voordrachten, blz. 188, dat een R.K.-wetboek gewoon het makkelijkst zou zijn. ‘Doch in Christus’ kerk is het niet de vraag, wat het gemakkelijkst is, maar wat het meest met Gods Woord overeenkomt en zoo het meest kan strekken tot den bloei van Christus’ kerk.’ Dit recht van afwijking van de k.o. moet echter niet te veel afgeleid worden uit het ‘naarstigheid doen’, want deze uitdrukking is niet alléén gericht tegen een legalistische opvatting, van de k.o., maar ‘vanwege de innerlijke geestelijke toestand der kerken — en de tegenwerking soms van de Overheid’ was het niet steeds mogelijk alle artikelen van de k.o. te onderhouden. Zie G. Janssen, Aanvaardt elkander, blz. 43v.
140 J. Plomp, a.w., blz. 147.

|32|

kerken en leden verplicht.’141 ‘Het is immers duidelijk, dat de vrede der kerken onmiddellijk gevaar loopt indien van de kerkenordening of van eenig ander accoord der kerkelijke samenleving wordt afgeweken.’142

Als meerdere vergaderingen ter wille van de zgn. ‘zaaksgerechtigheid’ de k.o. schenden dan doet men geen recht aan het doel van de k.o. Want als in het slotartikel van de DKO gesproken wordt van ‘het profijt der kerken’ dan wordt dit heel concreet bedoeld van de plaatselijke kerken (ecclesiarum!). ‘Hier is sprake, niet van het profijt van Gods kerk in het algemeen, maar van de geïnstitueerde kerken, waarop de kerkenordening ziet.’143 De ‘zaaksgerechtigheid’ of ‘de kracht van de belijdenis der Waarheid’ (synode Amersfoort-West 1967 i.v.m. wegzending B.F. Schoep) en meer van zulke in crisistijden geliefde abstracte grootheden kent een gereformeerde kerkenordening niet als motief voor afwijkingen!

Ook Plomp maakt de fout het ‘heil van de kerken’ als abstracte grootheid te hanteren om daarmee de schending van de k.o. door de synode te rechtvaardigen. Deze fout heeft zijn oorzaak in het feit dat Plomp via een bepaalde uitspraak van Cicero bij Voetius’ spreuk komt. Cicero had uitgesproken: ‘ollis salus populi suprema lex esto’ (‘het welzijn van het volk moet de hoogste wet zijn’), daarmee ‘het welzijn van het volk’ als abstractum hanterend. En dan slaat Plomp de brug naar Voetius’ spreuk aldus: ‘De uitspraak van Cicero fascineert ook inhoudelijk. Hij heeft er immers net zoiets mee bedoeld als Voetius met de zijne: in normale omstandigheden moet men zich houden aan de bestaande wetten en procedures, maar in abnormale omstandigheden kan dat niet en mag dat niet. Dan moet de gang van zaken bepaald worden door respectievelijk de ‘salus populi’ en de ‘salus ecclesiae’.’144 Plomp hanteert hier een abstract kerkbegrip, terwijl Voetius m.i. met zijn spreuk en zijn verdere spreken over de ‘aedificatio ecclesiae’ meer het oog heeft op de concrete plaatselijke kerk. Maar toegegeven, Voetius’ spreuk geeft wel aanleiding voor misverstand omdat hij zelf in de toepassing ervan niet consequent is geweest, zoals ik eerder heb aangegeven. Een bredere studie naar de betekenis van Voetius’ spreuk zou daarom welkom zijn. Temeer omdat Rutgers (in navolging van dezelfde Voetius) afwijking ten behoeve van het welzijn van een plaatselijke kerk alleen geoorloofd achtte in normale, rustige tijden! Dat is precies het tegenovergestelde van wat Plomp stelt!

De gevolgen van Plomps visie voor het kerkrecht zijn groot: ‘Men zou kunnen menen dat althans bij de toepassing van déze bepalingen (bepalingen betreffende het vermaan en de tucht, door Plomp als voorbeeld aangehaald, JD) alle aandacht wel geconcentreerd zal zijn — of zal móeten zijn — op het heil van het afzonderlijke kerklid. Maar dat zou toch een misverstand zijn: van het heil van het


141 K. Schilder, a.w., blz. 17.
142 K. Schilder, a.w., blz. 19v. ‘De vrede der kerken wordt slechts in rechtshandhaving gediend.’ (blz. 20). Vgl. ook G. Janssen, a.w., blz. 7: ‘Zal het kerkelijk leven niet in een chaos ontaarden dan moeten de gemaakte afspraken worden nagekomen. Ik zou hier willen spreken van een ereplicht door de vrijmaking, toen daarop zeer sterke nadruk is gelegd tegenover de hiërarchie.’
143 F.L. Rutgers, Collegevoordrachten, blz. 178.
144 J. Plomp, a.w., blz. 141.

|33|

afzonderlijke kerklid is dat van álle kerkleden en van de kerk als gehéél — locaal, nationaal en oecumenisch — niet te scheiden. De ’salus ecclesiae’ is een veelomvattend begrip.’145 Geen wonder dat Plomp na deze vervluchtiging in het abstracte kerkbegrip instemt met het gebruik van Voetius’ spreuk op de synode van Utrecht 1943-1945!146

Kijken we nu weer naar het AKS, dan wil ik eerst opmerken dat in een eerste concept van art. 34 AKS stond de toevoeging ‘voorzover het besluiten van praktische aard betreft’. Later heeft men dit eruitgehaald omdat de discussies in de praktijk dan toch zullen gaan over wat hier wel en wat hier niet toe behoort en in zo’n geval beter nagegaan kan worden of een bepaald besluit wel in overeenstemming met art. 32 AKS werd genomen.147 Bij de definitieve vaststelling is nog overwogen het toch weer in te voegen om de gerezen bezwaren weg te nemen. Uiteindelijk is het zo gebleven. Dat neemt echter niet weg dat hiermee het doel van de gewraakte norm wel is aangegeven.148 Het gaat niet aan hier een extreme vrijblijvendheid in te lezen, want de achtergrond van deze zinsnede ligt in het doel van een k.o. zelf. Nooit mag een k.o. formalistisch als wetboek gehanteerd worden, omdat in de kerk nooit geduld mag worden dat de vorm aan het wezen tekort doet,149 maar evenmin mogen de grondbeginselen uit ‘kerkbedervend individualisme’150 geschonden worden.

Wie art. 34 AKS in het licht van Plomps abstracte interpretatie van de spreuk ‘salus ecclesiae suprema lex’ leest moet dit artikel wel afwijzen, omdat daarmee elk objectief kerkrecht onmogelijk gemaakt wordt. Maar wie dit artikel leest in het licht van het concrete ‘profijt der kerken’ (utilitas ecelesiarum!) als doel van de k.o. uitgesproken in het slotartikel van de DKO,151 zal er geen enkele moeite mee hebben dat art. 34 AKS ‘het welzijn van de gemeente’ als motief noemt voor het niet uitvoeren van bepaalde op zichzelf genomen wettige besluiten, als daarmee geen schade aan anderen wordt toegebracht en de grondbeginselen van het gereformeerde kerkrecht daarmee niet gemoeid zijn.152

A.P. de Boer kon na het eensgezinde besluit van Breukelen ten aanzien van art. 34 AKS terecht schrijven: ‘Ongetwijfeld zal in de komende tijd de nieuwe formulering door deze en gene binnen en buiten onze kerken op de snijtafel worden gelegd, en zullen van de nieuwe woorden in art. 34 alle mogelijke exegeses worden beproefd. Maar dat kan allemaal niets afdoen aan de kennelijke bedoeling en het duidelijk aanwezige verlangen van de vergadering in Breukelen om tegemoet te komen aan de bezwaren van binnen en buiten onze kerken tegen independentistische conclusies die uit de oude


145 J. Plomp, a.w., blz. 149.
146 J. Plomp, a.w., blz. 150.
147 Zie ook toelichting CFK-II, Notulen Wezep, blz. 119 (idem blz. 101).
148 Zie het Chr. Geref. deputatenrapport, Acta G.S. Amersfoort 1980, blz. 148.
149 F.L. Rutgers, Het Kerkverband, blz. 19.
150 F.L. Rutgers, Geldigheid, blz. 42.
151 Plomp ziet zijn visie ten onrechte in het verlengde hiervan (a.w., blz. 148).
152 Vlg. H. Amelink na de voorlopige vaststelling van art. 34 AKS te Wezep (Opbouw, 4 jan. 1980): ‘De bedoeling van de woorden ‘of niet strekt tot heil van de gemeente’, die zo zeer de verontwaardiging hebben gewekt van sommigen, kan en mag niemand bestrijden. Ze geven gewoon iets goeds aan.’

|34|

formulering (zie hoofdstuk II, § 1, noot 1, JD) te trekken zouden zijn. In dat licht, en op geen enkele andere manier, moet de nieuwe tekst gelezen en beoordeeld worden.’153

8. de historie als medebepalende factor

We naderen het einde van dit hoofdstuk van toetsing van het AKS aan de hand van de uitgebrachte kritiek. Tot nog toe is steeds gebleken dat het AKS niet verstaan kan worden zonder rekening te houden met de historische achtergronden. Juist in de artikelen die het leven in kerkverband betreffen klinkt de echo door van een tweemaal in korte tijd ondergane synodocratie. Wie deze factor niet in rekening brengt oordeelt gemakkelijk te scherp over deze kerkenordening.

Het is legitiem dat een kerkenordening andere accenten legt als de geschiedenis daartoe aanleiding heeft gegeven. Juist omdat een kerkenordening geen onveranderlijk wetboek mag zijn, is afstemming op de aktuele situatie van wezenlijk belang. Deze afstemming is ook te beluisteren in andere artikelen van het AKS die soms niet direkt het leven in kerkverband betreffen. Ook aan het ontbreken van bepaalde in de DKO voorkomende artikelen is de huiver voor een centraal geleid kerkelijk leven af te lezen. Meer dan vroeger is men op zijn hoede dat het schriftbeginsel van het kerkverbandelijke leven in de praktijk niet in botsing komt met het uitgangspunt voor het gereformeerde kerkrecht, de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente.

Het ontbreken van artikelen ever het schoolonderwijs, rouwdiensten, psalmen en gezangen, het verplicht vieren van de kerkelijke feestdagen, komt hier rechtstreeks uit voort. Dat er geen artikel meer is over het censura morum, dat kerkvisitatie in de vrijheid van de kerken wordt gelaten, evenals het verzoeken om een consulent, komt niet voort uit een afwijzende houding ten opzichte hiervan. Meestal vinden censura morum, kerkvisitatie, consulentschap gewoon voortgang volgens de DKO. Maar door het niet meer dwingend vast te leggen in een k.o. wordt erkend dat het hier niet om rechtstreeks bijbelse voorschriften gaat, maar om een praktische uitwerking van Schriftbeginselen die in een andere plaatselijke situatie ook wel eens een andere praktische uitwerking zouden kunnen krijgen. De Schriftbeginselen zelf zijn wel in het AKS opgenomen: art. 13 (toezicht op leer en wandel van medeambtstdragers, vgl. censura morum), 16 (de verplichting elkaar indien gevraagd hulp te verlenen, vgl. consulentschap) en 37 (het op elkaar acht geven in regionaal verband, vgl. kerkvisitatie)!154

Dat het AKS geen artikel heeft over hoogleraren en studenten, hangt ermee samen dat de Ned. Geref. kerken niet voor een eigen opleiding gekozen hebben naast de al bestaande opleidingen. Het ontbreken van particulieren synoden hangt samen met de grootte van het kerkverband en de liefst zo


153 Opbouw, 13 nov. 1981. Het huidige art. 34 kreeg ook de instemming van B. van Smeden (Chr. Geref. deputaat), Opbouw, 2 juli 1982: ‘Ik meen te mogen zeggen dat op dit principiële punt we elkaar gevonden hebben.’
154 Vgl. Akta Breukelen, blz. 125 en Notulen Wezep, blz. 38v, 122,163.

|35|

gering mogelijk gehouden afstand van de plaatselijke kerk tot de landelijke vergaderingen.155 Dit laatste komt ook tot uiting in art. 38 dat na lange discussie over de zgn. ‘getrapte’ afvaardiging is vastgesteld.156 Dat de taak van de gemeente en het advies van de classis bij tuchtoefening zijn zoekgeraakt is niet helemaal juist, omdat er in art. 28 expliciet naar het formulier voor de afsnijding wordt verwezen, waarin beide aspecten van de tuchtoefening een vaste plaats hebben.

Ik meen met deze korte bespreking van de resterende kritiek te kunnen volstaan, omdat de wezenlijke artikelen m.b.t. het kerkverband al uitgebreid behandeld zijn en van hieruit een eerlijke beoordeling van de kritiek-in-de-marge niet zo moeilijk meer is.


155 Akta Breukelen, blz. 230 (rapport CFK-I).
156 Ook door de Geref. deputaten werd rechtstreekse afvaardiging als gereformeerd erkend (Notulen Kampen, blz. 131). Vgl. C. Huizinga, Notulen Kampen, blz. 24. M.i. ten onrechte spreekt Du Plooy van ‘’n oorspanning van die selfstandigheid van die plaaslike kerk’ (Rapport, Handelinge Potchefstroom 1991, blz. 223).