IV. Behoeft de huidige positie van diakenen wijziging, zoodat zij niet langer deelen in de regeering der Kerk?

 

Op deze vraag meenen we toestemmend te moeten antwoorden. De huidige stand van zaken behoeft wijziging. Ze is, om te beginnen, in tal van opzichten onbevredigend.

Het bevredigt niet, dat diakenen in de eene Gemeente, waar het getal ouderlingen klein is, niet tot den Kerkeraad genomen worden; in een andere Gemeente, waar het getal der ouderlingen even klein is, wel (wie bepaalt hier de grens?).

Het bevredigt niet, dat in sommige zaken van bestuur en regeering de diakenen wel stem in ’t kapittel hebben, in andere echter niet (al weer: wáár ligt de limiet?).

Het bevredigt niet, dat in kleine en in zeer kleine Gemeenten diakenen dienst doen als ouderlingen (men noemt deze figuur dan doorgaans: hulp-ouderlingen) en ouderlingen als diakenen (hulp-diakenen) wat een cumulatie van vereischten voor ’t ambt beteekent — hoe kan dat, als het getal van hen, die in aanmerking komen voor ’t bijzonder ambt in zeer kleine Kerken, nog wel zoo uitermate gering is?

Het bevredigt niet, dat, waar diakenen steeds leden zijn van den Kerkeraad, de stem der ouderlingen, naar verklaringen van de K.O. betuigen,56) meer waarde dient te hebben b.v. in tuchtzaken, dan de stem der diakenen, en die der diakenen meer waarde dan die der ouderlingen in diaconale zaken; hoe moet dat, als in een kleine Gemeente in een tuchtzaak b.v. vier ouderlingen vóór stemmen en twee ouderlingen en vier diakenen teken?

Het bevredigt niet, dat één ambt, n.l. dat van den Dienaar des Woords, bijzonder beschermd wordt, zoodat met strenge straffen bedreigd wordt ieder, die zijn ambtswerk onbevoegd zou willen uitoefenen (Art. 3 K.O.), terwijl voor het ambt van ouderling, noch voor het diakenambt eenige dergelijke bepaling te vinden is, maar integendeel in sommige gevallen de K.O. toestaat of zelfs verordent, dat ouderlingen zullen doen wat der diakenen is, en diakenen wat der ouderlingen is.

Het bevredigt niet, dat naar Art. 40 „de dienaren goede opzicht zullen nemen” op de handelingen van diakenen in hun samenkomsten en zich „zoo noodig daarbij laten vinden” — niet alleen, dat dit gedeelte van het Artikel in de praktijk een doode letter geworden is, maar waar blijft hier de overeenstemming met Art. 23, dat ook den ouderlingen oplegt, opzicht te hebben, dat de diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen?

|19|

Doch wat van meer beteekenis is, dit Artikel ontkomt er niet aan, den indruk te wekken, dat het diakenambt min of meer afhankelijk is van het ambt der dienaren. Want wel is in 1586 ter Haagsche Synode de eisch, dat de predikanten de vergaderingen van diakenen zouden bijwonen, vooral geteld om te doen gevoelen, dat de armverzorgers niet onder toezicht van de Overheid, maar van den Kerkeraad stonden. Toch ware het juister geweest, wilde men het kerkelijk karakter van het diakenambt bewaren, te doen uitkomen, dat ook de tegenwoordigheid van de ouderlingen gevorderd wordt; door hier alleen den predikant te noemen werkte men de oude Roomsche gedachte in de hand, dat diakenen eigenlijk niet veel meer waren dan helpers van den dienaar des Woords. En die gedachte was bij lange na niet uitgestorven; nog op de Synode van Rotterdam 1621 wordt gevraagd, of de dienaren niet vermogen, diakenen een som gelds te ordineeren, opdat bij bezoek van arme, nooddruftige, verjaagde lidmaten de predikanten hen zouden kunnen voorthelpen; deze vraag wordt aangedrongen met de uitspraak: alzoo verstaan wordt uit de eerste apostolische praktijk, dat het diakenambt is een gesubordineerde dienst aan de pastorale bediening.57) (Zie ook blz. 8 en aant. 21 het besluit van de Classis Middelstum).

Misschien merkt iemand op: inderdaad, ik voel daar iets voor, maar er zijn in ’t kerkelijk leven meer onbevredigende dingen, moet daarom een traditie van eeuwen worden prijsgegeven? — en daarop zouden we willen antwoorden: zeker, gold het hier alleen iets, dat onbevredigdheid wekt, men zou veel kunnen dulden, al kan geen mensch ons ontslaan van den plicht, ook in deze dingen te jagen naar de volmaaktheid, in nooit stakende reformatie.

Maar dit is toch de kern van de kwestie niet.

Die loopt hierover: is het met de Schrift in de hand geoorloofd, de bestaande praktijk te handhaven en diakenen in den Kerkeraad regeermacht te blijven verleenen?

Niemand stelle hier tegenover: maar is het in de Schrift verboden, dat aan diakenen dergelijke bevoegdheid wordt toegekend? — immers als alleen werd nagelaten, wat in de Schrift expressis verbis verboden was, dan zouden de overtredingen van de Wet des Heeren legio zijn.

Maar kan dat, mag dat (nog staan we midden in den strijd tegen overdracht van ambtelijke bevoegdheden, tegen „cumulatie” van „ambtelijke” macht, alsof b.v. de Kerken, die in Synode samenkomen, daar hun macht „cumuleeren”) kan dat, mag dat, wanneer de Schrift duidelijk leert, dat het diakenambt is ingesteld ter verzorging van de behoeftigen, verder te gaan dan de Schrift leert, en aan diakenen bevoegdheden op te dragen, die de Schrift reserveert voor het presbyteraat?

Moest wèl worden toegezien, dat de schaduwdienst van het heiligdom beantwoordde aan het getoonde Goddelijke ontwerp, maar komt het er in den dienst der vervulling minder op aan? (Ex. 25: 40, Handel. 7: 44, Hebr. 8: 5).

Mag Christus’ Kerk op aarde in de ambtsbediening een ander beeld vertoonen dan Hij in Zijn Woord haar voorhoudt?

Geldt hier het woord niet meer: een iegelijk blijven in die beroeping, daar hij in geroepen is? (1 Cor. 7: 20, 24).

Is hier van geen beteekenis meer het woord van den Apostel Paulus, dat de wasdom des lichaams bekomen wordt door de werking van een iegelijk deel in zijn maat? (Ef. 4: 16).

Men kan zich niet beroepen op het feit, dat het Apostolaat meer dan één ambt in zich vereenigde, of dat de dienaren des Woords twee ambten vervullen. Want hier spreekt de Schrift, en dan hebben wij niets meer te zeggen; maar de Schrift geeft geen enkel aanwijzing, dat een ouderling moet arbeiden binnen het domein van het diakenambt of een diaken binnen dat van het ambt der presbyters.

Ook het beroep op Filippus, die twee ambten tegelijkertijd zou bekleed hebben, en op Stefanus, heeft geen bewijskracht, gelijk we reeds in ander verband zijdeling aanstipten: niet is aan te toonen, dat Filippus tegelijk evangelist en diaken geweest is, in elk geval vermeldt de Heilige Schrift niet, dat hij het ambt van evangelist uitoefende terwijl hij diaken was; en van Stefanus staat nergens, dat hij leeraar was of evangelist; het Woord verstrekt ons geen gegevens hierboven uitgaande, dan dat hij als man vol van geloof en

|20|

des Heiligen Geestes den Naam van Christus beleed, waartoe alle Christenen geroepen zijn.

En ten slotte wat men noemt de „randgevallen”: is het niet noodzakelijk, dat aan het eene ambt de bevoegdheden van het andere worden verleend, b.v. als het gaat over zeer gewichtige zaken, waarvoor de Kerkeraad staat, of als het getal ouderlingen zeer klein is? Is het behoud niet gelegen in de veelheid der raadslieden en treedt niet licht heerschappij in, als bij één of zeer weinigen de regeering staat?

Inderdaad is dit de redeneering der „Vaderen” geweest, van wier wijsheid en doorzicht we geen geringen dunk hebben. Maar we vergeten niet, dat zij deze gevallen ten zeerste hadden beperkt. En wat de „nood” betreft, past dit woord hier nog wel? Is het gaandeweg niet zoo verbreed en uitgerekt, dat de werkelijkheid het begrip geenszins meer dekt? En zijn er inderdaad wel noodgevallen? We komen daar straks op terug.

Wanneer we hier het pleit gevoerd hebben de diakenen niet langer te doen arbeiden op een terrein, dat het hunne niet is, n.l. dat der kerkregeering, maar zich te bepalen tot het prachtige, breede aandachtsveld, hun in de Schrift toegewezen, den dienst der barmhartigheid, dan is het allerminst onze bedoeling geweest, dat nu het diakenambt afstand neemt van de beide andere bijzondere ambten, en diakenen een geïsoleerde positie gaan innemen.
Integendeel.
Naar onze vaste overtuiging behooren de drie ambten, in Christus één, samen te werken. Alle verwijdering tusschen de ambten onderling moet strekken tot nadeel en schade voor den opbouw van het lichaam van Christus. Wat in den wortel één is, mag geen scheiding toonen in den voortgeschreden wasdom. Daarom samenwerking. Daarom niet: enkelen handelen en beslissen alleen, zonder advies of contrôle. Daarom niet: verlies van een grooter getal raadslieden. Maar samenwerking.

Waarbij de Kerkeraad in alle gewichtige gevallen diakenen raadpleegt, en ten volle het woord, door diakenen gesproken, laat wegen. Omgekeerd: waarbij predikanten en ouderlingen, zooveel hun tijd dit toelaat, zich inwerken in de vraagstukken, waarmee diakenen worstelen en ook, weer zooveel hun tijd dit toelaat, met adviseerende stem de vergadering der diakenen bezoeken. Waarbij niet, zooals thans veelal geschiedt, de diakenen zien naar hun conferenties (die in haar prestaties ten volle erkend kunnen worden en voor wier arbeid geen geringe achting past), maar waarbij de diakenen de zaken, die daarvoor in aanmerking komen, brengen ter plaatse, waar zulks behoort, n.l. op den Kerkeraad en eventueel op de meerdere vergaderingen, waar dan de diakenen met adviseerende stem aanwezig kunnen zijn.

Ligt de fout niet veelal hier, dat men als de groote vraag ziet: mag ik stemmen? Naar ons oordeel moet men hiervan terugkomen. Het recht van uiteindelijke beslissing aan den Kerkeraad latende, moet de vraag zijn: hoe komen we tot samenstemming? Hoe vinden we, door gemeenschappelijke beraadslaging, door gemeenschappelijk overleg, den wil des Heeren? Hoe wordt, door uitwisseling van gedachten, de waarheid gevonden?

Het tijdsgebed en daarbij de overvloed van werkzaamheden kunnen maken, dat het er op een kerkelijke vergadering zoo dor aan toegaat. Wie ging voor de eerste maal naar een Classis of Synode met hooge verwachtingen en kwam niet gedesillusioneerd thuis? In den regel: veel agenda-punten, enkele sprekers, die nog meerendeels als abonné te boek staan, vrij korte discussie, waarbij gewoonlijk over een weer het eenmaal ingenomen standpunt wordt gehandhaafd, stemmenn, want er is nog zooveel te doen, we moeten haast maken.

Wat komt er zoo van een grondige, we mogen wel zeggen, Godewelgevallige behandeling der zaken van Christus’ Kerk terecht?

Is het niet veel beter, dat we het zwaartepunt verleggen naar het samenstemmen, waarbij de zaken worden doorgepraat en het eene ambt het andere steunt? Dat zal meer tijd kosten, zeker, maar waarom, als het belangrijke zaken betreft, niet een keer meer vergaderd, en als men niet tot overeenstemming kan komen, te besluiten de behandeling te onderbreken, de dingen nog eens rustig te overwegen en ze voor den Heere te brengen, om straks opnieuw te beginnen? Is het de tijd en de moeite niet waard, om dit voor de Kerk des Heeren over te hebben, en is er geen gewenning door oefening der zinnen tot onderscheiding van goed en kwaad, van wáár en valsch?

|21|

De drie ambten in samenwerking: de Apostelen hadden de quaestie van Handelingen 15 wel alléén kunnen oplossen, maar ze betrokken er aanstonds de ouderlingen bij, ja zelfs de heele Gemeente was present, en al hadden de Apostelen stellig minder tijd dan wij, de zaak werd dóórgesproken, tot men tot overeenstemming gekomen was.

In dat eerlijk poging om bij het licht des Woords tot overeenstemming te geraken en de waarheid te vinden naar de Schriften, is afgesneden de gedachte: wij als leden van den Kerkeraad trekken aan ’t langste eind, want bij ons ligt de eindbeslissing; kan evenmin wortel schieten de gedachte: de predikanten en de ouderlingen mogen op onze diaconale vergadering adviseeren, maar wij houden de touwtjes in handen. Ofschoon de Apostelen macht hebben te bevelen, lezen we telkens opnieuw hoe ze raden, voorlichten, helpen, opwekken, bidden, zooals de Apostel Paulus Philémon bidt voor Onesimus. En geen oogenblik mag vergeten: het ambt roept mij niet om te heerschen, om anderen mijn wil of zienswijze op te leggen, ik ben geroepen, ’t zij als dienaar, ’t zij als ouderling, ’t zij als diaken, te diakonein, dat is te dienen, te dienen in liefde en zelfverloochening.

En dan de noodgevallen? Zijn ze er? En is het waar, dat nood breekt wet? Neen, nood breekt nooit de wet van God. Wel kan ’t zijn, dat we de wet des Heeren niet goed verstaan, maar nooit gaat Gods wet voor de nood opzij, of wordt haar door den nood het zwijgen opgelegd; de Wetgever wordt door geen enkelen „nood” verrast.

Maar zijn hier noodgevallen?

We meenen, dat ze er niet zijn. Neem nu eens het meest sprekend voorbeeld: dat van een zeer kleine Gemeente, die b.v. twee ouderlingen heeft en één diaken. Zal het eindoordeel als resultaat van besprekingen, naar den regel des geloofs en der liefde, er minder om zijn, indien twee ten slotte besluiten met advies van één, of één besluit met advies en onder opzicht van twee, dan wanneer drie hun stem uitbrengen?

Als maar het geloof, dat is de gehoorzaamheid aan het Woord des Heeren, levend is. En als dat geloof werkt door de liefde, den band der volmaaktheid bewaart, is zelfverloochening dienend.

Zoodra dat geloof, door de liefde werkend, kwijnt, zoodra het „ik” en „mijn gezag” of „mijn invloed” op den voorgrond komt, is het verloren. Dan kan men bepalingen maken zoovéél men wil — de Kerk van Jezus Christus zal niet gebouwd worden.

De regel blijft: niet ik, maar Christus. In het ambt mag niemand uitkomen dan de Middelaar en Heere Jezus Christus. In het spreken van den dienaar  des Woords moet Christus gezien worden. In de regeering der ouderlingen moet Christus gezien worden. In woord en daad der diakenen moet Christus gezien worden. In allen ambtelijke dienst moet God in allen geprezen worden door Jezus Christus (1 Petri 4: 11).

Wat we schreven, had maar één bedoeling: inzake de in geding zijnde kwestie na te spreken het Woord des Heeren. Voor velen zal de hoofdgedachte, die hier ontwikkeld werd, nieuw en allicht vreemd zijn. Men toetse ze aan het Woord. En men argumenteere uit het Woord. Niet de historie is normatief, maar alleen het Woord van onzen God. Ook dit vraagstuk van de positie der diakenen ten aanzien van den Kerkeraad gaat niet alleen de bijzondere ambtsdragers, maar gaat, gelijk alle kerkelijke vraagstukken, alle kerkleden aan.

Indien wat hier wordt geschreven, werd gevolgd, dan zou er zeker èn in de „theorie” èn in de „practijk” niet weinig moeten veranderen. Maar elke verandering naar het Woord is geen verlies, doch winst.

Ook diakenen zèlf zouden er niet op achteruitgaan. Want het is, gelijk Dr. de Moor zijn reeds genoemde rede besloot: „Zoolang het ambt zèlf niet voldoende boeide en men in zijn eigen werk niet geheel opging, kon men twisten over de bevoegdheden van den breeden en smallen kerkeraad. Maar thans is dat gevaar reeds zeer veel verminderd, en hebben diakenen begrepen, dat zij niets schooners kunnen bedenken, dan ten volle op te gaan in de roeping, waarmede zij geroepen zijn. De eigen schoonheid van het ambt en het grootsche der U voorgestelde taak zullen blijken de krachtigste geneesmiddelen te zijn tegen de ziekte der buitenambtelijke begeerte. En als eens alle armoede zal ophouden aan den morgen der nieuwe wereld, dan blijft de liefde, welke Gods arme heiligen verkwikte.”