Van de Kerkelijke samenkomsten.

Artikel
XLI.

De Classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in ’t scheiden van elke vergadering goedgevonden — zoo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle —, daar henen met behoorlijke Credentie afvaardigen zullen, in welke samenkomsten de Dienaars bij gebeurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkozen wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de Praeses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hunne Kerken hunne Kerkeraadsvergaderingen houden; of de Kerkelijke Discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of daar iets is, waarin zij ’t oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner Kerk behoeven. De Dienaar, dien ’t in de voorgaande Classe opgeleid was, zal eene korte Predicatie uit Gods Woord doen, van welke de andere oordeelen, en zoo daar iets in ontbreekt, aanwijzen zullen. Ten laatste, zullen in de laatste vergadering vóór de particuliere Synode verkozen worden, die op deze Synode gaan zullen.