|158|

 

Hoofdstuk IX.

Presbyters (Episcopen).

 

In de stof van dit laatste hoofdstuk ligt de cardo rerum voor de geschiedenis der organisatie, aangezien hier de moeielijkste problemen zich voordoen en de zienswijzen het verst uiteenloopen. In dit opzicht is dan ook dit hoofdstuk het gewichtigste.

Met betrekking tot het ambt, door deze namen presbyters, episcopen aangeduid, wenschen we te behandelen:
I. den oorsprong van dezen dienst;
II. de identiteit van presbyters en episcopen;
III. de bevoegdheden;
IV. de abnormale ontwikkeling in het eenhoofdig episcopaat.

I. De Oorsprong.

Wat betreft den naam πρεσβύτεροι diene het volgende.

Het woord komt in het N. Testament voor in tweeërlei zin. In de eerste plaats, om aan te duiden de mannen van gevorderden leeftijd, wien vanzelf eerbied toekomt tegenover de νεώτεροι; waarbij de naam dus heenwijst naar een zeer natuurlijke onderscheiding, b.v. Hd. 2: 17; 1 Tim. 5: 1; 1 Petr. 5: 5. In dezen zin wordt ook πρεσβύτης gebruikt, Luk. 1: 18; Tit. 2: 2; Filem : 9 In de tweede plaats om aan te duiden een ambt, hetzij in den Joodschen Raad en Synagoge (zoo b.v. in de Evangeliën), hetzij in de christelijke gemeenten. (De 24 ouderlingen uit de Apocalypse blijven buiten bespreking). Als ambt in de Christelijke Kerk komt het voor: Hd. 11: 30; 14: 23; 15: 2, 4, 6, 22, 23; 16: 4; 20: 17; 21: 18; 1 Tim. 5: 17, 19; Tit. 1: 5; Jac. 5: 14; 1 Petr 5: 1; 2 Joh.: 1; 3 Joh.: 1 1).


1) Zie o.a. Encyclopaedia Biblica, Cheyne and Sutherland Black, s.v. „Presbyters” (J.A. Robinson). De onderscheiding tusschen „natural and official prestige” is niet steeds makkelijk: „it can be distinguished only by the context in which the word occurs.”

|159|

Hierbij trekt de aandacht — en men heeft niet nagelaten daaruit als argumentum e silentio onbewezen gevolgen te trekken, — dat Paulus het woord niet gebruikt, uitgezonderd in de Pastoraalbrieven. Reeds uit dien hoofde zijn voor ons die gevolgtrekkingen, alsof Paulus geen presbyters zou hebben gekend in de door hem gestichte gemeenten, waardeloos, wijl men die bewering nooit zou kunnen uitspreken, indien men Hand. 14: 23; 20: 17, 28 en de Pastoraalbrieven niet op lateren datum zette.

Sommigen nemen niet twee, maar drie beteekenissen aan, nl. 1°. als ouden tegenover jongen, 2°. als eeretitel van een bepaalden stand, 3°. als ambtelijk gekozen tot lid van een raad 1). Voor de onderscheiding tusschen de beide eerste bestaat echter geen genoegzame grond. Waar van ouderen in leeftijd wordt gesproken, geschiedt dit steeds in verband met de eere, waarop ze aanspraak hebben tegenover de jongeren 2).

Van beteekenis is, dat het woord steeds voorkomt in het meervoud, terwijl het college, de raad, door de presbyters gevormd, wordt aangeduid als presbyterium, 1 Tim. 4: 14, waar sprake is van de oplegging der handen door het πρεσβυτέριον.

Voor den oorsprong van het presbyteraat vinden we dus:
1°. een natuurlijke basis, waar het in de schepping zelve gegrond is, dat de ouderen leiding hebben in hun kring In zooverre is het niets bijzonders, dat er allerwege analogiën worden gevonden, terwijl daarom van nabootsing nog geen sprake behoeft te zijn. Zoo had Sparta zijn γερουσία, Rome zijn senatus uit de patres conscripti bestaande Ook spreekt het vanzelf, dat, hoewel inden regel ouderen voor de leiding in aanmerking kwamen, allerwegen het woord, waarin oorspronkelijk de leeftijd sprak, een terminus technicus werd, ofschoon toch niet steeds voor het ambt gevorderde leeftijd geëischt werd.
2°. In het O. Testament nemen de oudsten een belangrijke plaats in het leven van Israël in, Ex. 3: 16; 12: 21 enz.
3°. Een praeformatie wordt gevonden in de synagoge. Vroeger is betoogd, in hoeverre in de synagogale verhoudingen een schema


1) Zoo Harnack, Verfassung und Recht, bl. 44.
2) Later komt dit nog bij 1 Tim. 5: 17 ter sprake.

|160|

kan worden erkend van de organisatie der Christelijke Kerk (Hfdstk III, bl. 71, 72). Met name geldt dit voor de oudsten. De naam werd overgenomen, maar de zaak, door den naam aangeduid, was iets anders in de synagoge met haar gemengd burgerlijk-kerkelijk karakter en in de Christelijke Kerk met haar eigen van de burgermaatschappij onderscheiden leven 1). Nog sterker geldt


1) Weifelend is Harnack op dit punt en spreekt van synagogale, van stedelijke invloeden en van wat spontaan uit het christelijke leven opkwam, bl. 44, l.a.w. In elk geval is de beschouwing niet geheel dezelfde als in de analecten op Hatch, 1883.
Vermelding verdient de hypothese van Holtzmann, Die Pastoralbriefe, bl. 194. Hij neemt een dubbelen invloed aan. Paulus zou zich wel aan de synagoge hebben aangesloten, maar deze was in de diaspora zelf reeds onder den invloed van het Grieksch-Romeinsche genootschapswezen. In de „echte” brieven van Paulus worden dan nog geen vaste vormen gevonden, maar in de Pastoraalbrieven zou de Joodsch-wettische invloed in de aansluiting aan de synagoge duidelijk aan het licht treden.
K. Lechler, Die N Testam. Lehre vom heil. Amte, bl. 194 meent, dat de instelling der oudsten vanzelf is overgegaan uit Israël in het N. Testament. De oudsten in de eerste joodsch-christelijke gemeenten zouden eenvoudig de oudsten geweest zijn van de synagoge, die geloovig werden. Dit kan wel voorgekomen zijn, maar mag toch allerminst als algemeene regel worden aangenomen. De bevoegdheid tot het ééne postuleerde nog niet het andere. En van zekere verplichting tot overname kon geen sprake zijn.
Van belang is nog de hypothese van Loofs, a.w. bl. 643, die evenals Holtzmann de synagoge als voorbeeld neemt, niet alleen voor de joodsch-, maar ook voor de heiden-christelijke gemeenten. Doch langs anderen weg; niet wijl in de Diaspora de synagogen onder heidensche invloeden kwamen, maar omdat de joodsche gemeenten uit de Diaspora op de heidenwereld inwerkten: „an sich ist nichts Selbstverständlicher, als die Anknüpfung der Christlichen Gemeindeverfassung an die der jüdischen Gemeinden.” Ook in de heidenwereld, omdat overal in de Diaspora synagogen waren; deze waren religieuse gemeenschappen; dus zulke gemeenten waren geen novum quid op Grieksch-Romeinsch grondgebied. . . . „aus den Diaspora-gemeinden haben sich zweifellos die ersten christlichen Gemeinden in der Heidenwelt rekrutiert. Was liegt naher als die Annahme, dass auch die Verfassungsverhaltnisse hier ähnlich sich gestalteten wie dort.” Wanneer bij Clemens presbyters en episcopen identisch zijn, dan is dat geen accomodatie (Loening), maar zijn sedert lang de episcopen in Rome ook presbyters genoemd.
P.W. Schmiedel in Encycl. Biblica, s.v. Ministry, oordeelt ook, dat in de gemeenten uit de heidenen, evengoed als in Palestina, presbyters konden zijn, zelfs zonder analogie met de heidensche instellingen, doch alleen omdat het een heel natuurlijke zaak is, dat oudsten gekozen worden.

|161|

dit van den Joodschen Raad. In de steden van Palestina, waar de Joden in het bezit waren van het burgerrecht, was de macht in handen van den Raad (βουλή, συνέδριον, Mtth 5: 32; 10: 17; Mk. 13: 9), een locaal gerechtshof, waarvan de leden heetten, evenals van den Grooten Raad: presbyters 1). In de joodsche steden waren de oudsten van den Raad ook oudsten van de Synagoge. In de Diaspora waren presbyters, of gelijk ze genoemd werden: archonten 2).

Niettemin ziet Hatch 2) in die beide verzamelingen, de synagoge voor het volk en het synedrium, den zetel der oudsten, geheel dezelfde organisatie als in de joodsch-christelijke kerken. Bij de erkenning van den Christus bleef dan uiterlijk alles hetzelfde; met behoud der namen, bleven ook de analoge functies van bestuur en tucht. Bij de christelijke Kerken uit de Heidenen was het gecompliceerder. In de heidenwerereld werd ook allerwegen gevonden, dat een comité de leiding had, terwijl de leden daarvan als oudsten kenbaar waren. Geheel onafhankelijk van joodschen invloed namen daar de christenen die communale verhoudingen over. Ook hier waren de functies dezelfde als van het Synhedrium: jurisdictie in godsdienstige en privaat-rechtelijke zaken. Had de joodsche invloed geheerscht, dan zou de joodsche naam alleen zijn bewaard, doch nu kwamen er ook allerlei andere namen op, hoewel één uit alle namen de andere overleefde, nl. die van presbyter.

Voor de joodsch-christelijke gemeenten is van het verschil reeds genoeg gezegd. Voor de gemeenten uit de heidenen ziet Hatch voorbij, hoe er tusschen haar organisatie en die in Palestina geen wezenlijk verschil bestaat 3). Reeds de persoon van den organisator Paulus, stond hiervoor borg. En bovendien, de ontwikkeling der ambtelijke functiën, gelijk die geteekend worden in 1 Cor 12: 28, Rom. 12: 6, 7, waar de abstracte uitdrukkingen worden gevonden in de taal van het charisma voor de concrete benamingen van opzieners (resp. προϊστάμενοι 1 Thess. 5: 12) en diakenen, teekenen zoo duidelijk den groei eener organisatie uit eigen zaden opgesproten, dat heel de theorie van aansluiting aan het heidensche leven een


1) Zie Loening, a.w. bl. 64; Schürer, a.w.4, Dl. II, bl. 224.
2) Hatch, a.w. bl. 53 v.v.
3) Zoo o.a. Hausrath, N.T. Zeitgeschichte II 396, dat de christelijke gemeenten binnen tien jaren in overeenstemmende wijze waren georganiseerd.

|162|

fictie is. En voorzoover er zekere analogie wordt gevonden, is dit niet iets bijzonders, maar slechts bewijs, dat ook de Kerk van Christus van de basis van het natuurlijke leven niet afgenomen is, maar nu op die natuurlijke basis naar eigen beginsel geheel eigensoortig opkomt. Trouwens die copiëering van het communale leven in de heidenwereld wordt ook gelogenstraft door den band, dien het presbyteraat heeft aan het huiselijke leven, waarin we een vierden trap van zijn oorsprong erkennen 1).

4°. Huisgezin en gemeente hebben van meet af een innigen band. Elk geloovig gezin is een Kerk in het klein, en in huisgemeenten vergaderen de geloovigen in den eersten tijd veelvuldig. Eenerzijds is het presbyteraat een goddelijke instelling, die Christus door Zijn Apostelen heeft doorgevoerd in alle gemeenten; anderzijds wordt het ambt op natuurlijke wijze geboren. Welk een hooge beteekenis daarbij aan de ἀπαρχαί moet worden toegekend, waarbij ambtelijke vocatie niet buitengesloten behoefde te zijn, leert ons het voorbeeld van Stefanus in Cor., 1 Cor. 16: 15, 19, en werd te voren uiteengezet (Hoofdst. VI, bl. 126) 2). Wat we


1) Van hooge waarde zijn de laatste onderzoekingen op het gebied van het Grieksche vereenigings- en genootschapsleven, vooral aan de hand der nieuwste ontdekte Papyri ingesteld, door Franz Poland in zijn Geschichte des Griechischen Vereinswesens, gekröntes Preisschrift von der fürstlich Jablonowskischen Gesellschaft, Leipzig 1909. Dit meesterwerk is een voortzetting en uitbreiding van Erich Ziebarth’s studiën over hetzelfde onderwerp: das Griechische Vereinswesen, Leipzig 1896, en door dezelfde Vereeniging bekroond. Poland, sprekende van de πρεσβύτεροι in Egypte, bestrijdt de hypothese van Hatch in zake de presbyters in dezer voege, bl. 373: „Schwerlich wird man nun, vielleicht von dem zuletzt genannten Falle abgesehen [hiermede is bedoeld de op zich zelf staande verschijning van den πρεσβύτερος in een college van Prusa], in dem Worte πρεσβύτεροι eine eigentliche Amtsbezeichnung finden, schwerlich auch etwas echt Griechisches. Für das Verhältniss aber zwischen Heiden- und Judentum ist diese Erscheinung wichtiger als die Presbyter der Gerusien, die man seit Hatch immer wieder herangezogen hat, um die christlichen Presbyter aus Griechischem Vorbilde zu erklaren”.
2) Harnack weerspreekt dit in Expositor 1887, On the origin of christian ministry, bl. 330: „In the epistles of Paul which were written before his Roman imprisonment, we do not meet with official persons in the strict sense of the word, nor with terms designating office, nor with presbyters.” In degenen van wie Paulus spreekt „of those who have the rule”, ziet Harnack charismatici.

|163|

voor de oogen zien in het N. Testament, wordt door Clemens bevestigd: 1 Clem. 42: 4 waar van de Apostelen wordt gezegd: κατὰ χώρας οὖν καὶ πόλεις κηρύσσοντες καθίστανον τὰς ἀπαρχὰς αὐτῶν εἰς ἐπισκόπους καὶ διακόνους τῶν μελλόντων πιστεύειν (cf. Did. 15: 1). Kwam zoo het ambt uit de ἀπαρχαί op, wat blijft er dan over van een copiëering van het genootschaps- en stedelijk leven der heidenen?

5°. De naaste oorsprong van het presbyteraat ligt natuurlijk in de vocatie door de gemeente, met of zonder de Apostelen, zooals het geval van Hd. 14: 23 zulk een verkiezing doet veronderstellen voor al de Kerken Dat men in den kring van Palestina zich aansloot aan het Joodsche spraakgebruik en aanstonds presbyteri als technischen term nam, ligt in den aard der zaak, en dienovereenkomstig vinden we dien naam dan ook in Lukas’ verhaal omtrent de gemeente van Jeruzalem en bij Jacobus (Jac. 5: 14). In de heiden-christelijke Kerken traden eerst zulke namen op den voorgrond, die eenvoudig de functie uitdrukten (ἐπίσκοπος, προϊστάμενοι, κυβερνήσεις). Ook leende de naam ἐπίσκοπος zich beter om naast διάκονος te worden geplaatst (Fil. 1: 1). Toch verkreeg naast ἐπίσκοπος met gelijke rechten in de Pastoraalbrieven de naam πρεσβύτερος een vaste plaats 1).

Ἐπίσκοπος beteekent iemand, die opzicht heeft te houden, in het midden gelaten, waarover of over wie (zaken of personen) dat opzicht gaat. In Athene heetten zoo b.v. de mannen, die gezonden


1) Weizsäcker, a.w., bl. 613 heeft een geheel tegenovergestelde beschouwing, natuurlijk samenhangende met de critiek der bronnen: 1°. in den Vorsteher van den apostolischen tijd ziet hij geen gemeentelijk ambt; 2° de Pastoraalbrieven hooren tot den na-Apostolischen tijd; 3°. in dien tijd komt presbyter voor als eeretitel, terwijl het leidend ambt bij den episcoop berust, echter met dezen onderlingen samenhang, dat de episcopen uit den stand der presbyters worden genomen. Hij acht, bl. 618, presbyter niet van joodschen oorsprong, wijl geen verdere analogie bestaat dan in den naam, doch van heidensche origine, van de θίασοι. Bovendien geldt presbyter niet van leeftijd, maar van het langer verkeer in de gemeente.
θίασοι en ἔρανοι zijn de private genootschappen, door den staat toegelaten, die in Griekenland en Rome den eenen of anderen nieuwen cultus invoerden. Ze hadden een zelfstandige organisatie en een eigen finantieel beheer. In Griekenland waren ze reeds van de 4e eeuw vóór Chr. af In Rome waren van oude tijden af, tot allerlei doeleinden collegia. Zie E. Schürer, a.w.4, Dl. III bl. 103, 104.

|164|

werden om in overwonnen steden de zaken te regelen 1). Het is dus een woord van algemeene strekking. In het N. Testament komt het voor van Christus 1 Petr. 2: 25 Ποιμὴν καὶ Ἐπίσκοπος τῶν ψυχῶν ὑμῶν. Van de opzieners der gemeente, wien dus de ψυχαί als object van de ἐπισκοπή is toevertrouwd: Hd. 20: 28; Fil. 1: 1; 1 Tim. 3: 2; Tit. 1: 7. Voorts ἐπισκοπεῖν: 1 Petr. 5: 2; ἐπισκοπή: Hd. 1: 20 (van het Apostel-ambt); 1 Tim. 3: 1. Wanneer het 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1: 7 voorkomt in singulari is er niet één reden om te denken aan een monarchisch episcopaat. Ook Hatch en Harnack geven toe, dat dan van een generiek begrip wordt gesproken 2); de laatste zelfs in 1910, dat het aldaar, als identiek met de presbyters voorkomend , in plurali moet worden verstaan 3).

Er is alles voor te zeggen, dat de oorsprong van ἐπίσκοπος in de Christelijke Kerk niet moet gezocht in de Grieksche wereld, maar in de LXX, waar het veelvuldig voorkomt (2 Kon. 11: 19; 2 Kron. 34: 12, 17; Jes 60: 17; Neh. 11: 9). Dit zou toch een zeer natuurlijke overgang zijn uit den joodschen kring der Openbaring in de Christelijke Kerk. Die hypothese wordt versterkt door de aanhaling 1 Clem. 42: 5 4). Nadat Clemens toch in 42: 4 (meermalen geciteerd) heeft gezegd, dat de Apostelen allerwegen de ἀπαρχαί aanstelden als ἐπίσκοποι en διάκονοι laat hij volgen: „καὶ τοῦτο οὐ καινῶς˙ ἐκ γὰρ δὴ πολλῶν χρόνων ἐγέγραπτο περὶ ἐπισκόπων καὶ διακόνων. οὕτως γάρ που λέγει ἡ γραφἠ˙ καταστήσω τοὺς ἐπισκόπους αὐτῶν ἐν δικαιοσύνῃ καὶ τοὺς διακόνους αὐτῶν ἐν πίστει.” (Jes. 60: 17).

 

II. Identiteit.

De identiteit van presbyters en episcopen is van ouden datum af in ernstig geding. Immers tusschen Rome en de orthodoxe


1) Cremer, a.w. s.v. ἐπίσκοπος.
2) Hatch, a.w. bl 79.
3) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 50.
4) Zoo ook Dr. W. Sanday, The Origin of the christian Ministry, Expositor 1887, bl. 99 (evenals Lightfoot a.w. bl. 95) „if either he (Paul) or any of his colleagues had occassion to give a name to a new institution, that was likely to be largely used amongst the churches of the Dispersion, it would be to the LXX that his thoughts would naturally turn.”
L. Gore, bl. 412, stemt met Sanday in, maar meent, dat het Grieksch spraakgebruik invloed kan hebben gehad.

|165|

Protestanten sedert de Reformatie. Bovendien echter in het Protestantisme tusschen de oudere en nieuwe Theologie.

Van Rome en de nieuwe Theologie geldt echter: cum duo dicunt idem, non est idem. Want terwijl Rome stelt tegenover den éénen episcoop meerdere presbyters , stellen b.v. Hatch-Harnack tegenover meerdere episcopen: presbyters; en terwijl Rome het episcopaat verheft boven het presbyteraat, nemen de laatsten het presbyteraat als het leidend en regeerend element, en het episcopaat als beambten voor finantiën en cultus, oorspronkelijk met het diaconaat identisch.

De Roomsche Kerk leidt de organisatie onmiddellijk van Christus af. De Apostelen, als zijn plaatsbekleeders, moesten de hun verleende macht op anderen trapsgewijze overdragen en wel langs drie treden: bisschoppen, presbyters, diakenen, zoodat deze drie ordines de jure divino over de Kerk gestelde Hiërarchie uitmaken, terwijl de overige hiërarchische graden, in den loop der historie opgekomen, slechts jure humano bestaan. Van die drie is het episcopaat het oorspronkelijke; de bron van presbyteraat en diaconaat, welke laatste ordines als een verveelvoudiging van den persoon des bisschops zijn. Een wezenlijk onderscheid tusschen episcoop en presbyter heeft dus volgens Rome in de Kerk van den aanvang af bestaan. Rome decreteert dan ook in Trente, sess. XXIII cap. IV, can. VII de sacramento ordinis: „Episcopos, qui in apostolorum locorum successerunt . . . positos . . . . a Spiritu Sancto, regere Dei ecclesiam eosque presbyteris superiores esse. Si quis dixerit episcopos non esse presbyteris superiores, anathema sit” 1).

In de zoo geruchtmakende hypothese van E. Hatch is de hoofdzaak, in verband met de geponeerde analogie tusschen de organisatie der Christelijke Kerk met de besturen van godsdienstige genootschappen en van de steden in de heidenwereld, het verschil tusschen presbyters en episcopen. Toch


1) Zie: The Catholic Encyclopedia, New York Dl. II s.v. „Bishop" (A. van Hove); Wetzer und Welte, Kirchenlexicon2, Dl. X s.v. „Presbyter”; Filips, Lehrbuch des Kirchenrechts3, Regensburg 1881, bl. 101 v.v. bij Seyerlen, a.w. bl. 97 v.v.; Herzog, Real-Encycl.3, s.v. „Bischof” (H.F. Jacobson).

|166|

was Hatch zich niet bewust iets wezenlijk nieuws te hebben te berde gebracht. Maar de conclusie door Harnack getrokken uit Hatch’s werk leidde het onderzoek in nieuwe banen. Ter aanvulling van hetgeen reeds ter plaatse, vooral bij de Diakenen, is gezegd, diene het volgende ter kenschetsing van Hatch’s gevoelen 1).

In den tijd der eerste Christelijke Kerk was het verenigingsleven, bijzonder het godsdienstige, sterk in de Romeinsche wereld ontwikkeld. Veel inscripties geven daarover licht. In zooverre waren de Christelijke Kerken niets nieuws, en ook op haar werden de algemeene regels toegepast in de provinciën. Het specifiek onderscheid met andere vereenigingen was, dat bij de Christelijke Kerk de barmhartigheid het middelpunt vormde, zoodat het administratief en finantieel beheer op den voorgrond trad.

Die leden van den raad in de Grieksche steden, die met de finantiën waren belast, heetten ἐπιμελητής of ἐπίσκοπος. Maar in de gemeenten was van den aanvang af een college van presbyters, wien het bestuur en de handhaving der tucht was toevertrouwd. Nu kregen op dezelfde wijze die leden van het presbyterie, die met het finantieel beheer waren belast, ook den naam episcopen. In de tweede eeuw trad één als permanent voorzitter op. Dientengevolge kreeg deze alleen den titel, die sloeg op het geldelijk beheer, n.l. ἐπίσκοπος. Hieruit ontwikkelde zich het monarchische episcopaat in verband met de behoefte naar eenheid van leer en tucht

Harnack heeft deze theorie aldus vervormd en uitgebreid in zijn analecten 2).

De Christelijke Kerken hadden een dubbele organisatie: 1e. een natuurlijke van ouderen en jongeren, niet specifiek christelijk. Uit de oudsten kreeg een keur, een commissie, de leiding; 2e. eene die met alle functiën voor het gemeenteleven, en niet alleen het beheer der finantiën, was belast, meer bepaald christelijke, hoewel in aansluiting aan de heidensche godsdienstige genootschappen: de episcopen (met de diakenen oorspronkelijk identisch, zie Hoofdst. VIII, bl. 152). De organisatie van episcopen en diakenen


1) Voor den oorspronkelijken titel en de autoriseering van A. Harnack’s vertaling, zie bl. 7 onder noot 4.
2) bl. 231 v.v.

|167|

is de oudste. Die twee organisaties hebben zich gecombineerd. Sedert het eind der eerste eeuw is in Rome die combinatie aanwijsbaar. Het leidend deel der oudsten nam n.l. de functiën van de episcopen over, se. het nam de episcopen in zijn midden op, en die presbyter-episcopen hadden nu de leiding. Daardoor werd het onderscheid tusschen episcopen en diakenen te meer gefixeerd. Daarna kregen de episcopen het praesidium in het presbyterium, beheerden de kas, enz. totdat eindelijk de monarchische episcoop als permanent president op den voorgrond trad. Zoo hadden de presbyter-episcopen dubbele waardigheid: als presbyters de discipline en als episcopen den armenzorg c. ann. en het plegen van de cultus-handelingen.

Volgens deze hypothese waren dus presbyters en episcopen van den aanvang af niet identiek en ook na de saamsmelting bleef er verschil 1).

Intusschen, geen wonder dat deze hypothese veelvuldige bestrijding heeft uitgelokt, en dat niet alleen van orthodoxe zijde. Terecht heeft Loening opgemerkt: „die Ausführungen von Hatch sind überall geistvoll und lehrreich, aber sie blenden mehr als sie überzeugen und dürften einer eingehenden Prüfung nicht stand halten” 2). Harnack zelf heeft dit ondervonden en stuk voor stuk van zijn hypothese prijs gegeven of gewijzigd, al heeft hij dit zelden met zooveel woorden aangeduid. De voornaamste bezwaren, waardoor zij wordt gedrukt, zijn de volgende. De cardinale dwaling blijft, dat de eigen levensvormen der Kerk, die met haar wezen saam-hangen, worden miskend, en zij zoo wordt gemeen gemaakt en aangemerkt als een Religionsgesellschaft, die bij haar inrichting niet anders vermag dan een copie te zoeken in het haar omringende leven. Volgens Harnack heeft de Kerk steeds alles geadopteerd wat voorhanden was in vormen, ambten, gewoonten, in heel haar oeconomie, en het resultaat van het successievelijk overgenomene


1) Harnack zoekt dit verschil vooral te bewijzen met de omstandigheid, dat steeds episcopen en diakenen saam genoemd worden: Fil. 1: 1; Clem. 42, enz. Hatch, Analekten, bl. 240 v.v. Evenwel is dit bij Polycarpus anders. (Polyc. ad Phil. 6). Harnack noemt dit toevallig (Recht und Verfassung bl. 60).
2) E. Loening, a.w. bl. 18.

|168|

was „die fertige Kirche”. Wanneer iemand niet zelf door het geloof het eigen leven der Kerk medeleeft, staat het ongerijmde van zulk een voorstelling zeker niet zoo klaar voor den geest, maar dat zulk een beschouwing diep vernederend, feitelijk kerkvernielend is, ligt toch voor de hand. Wat nu de veronderstelde aansluiting aan de heidensche levensvormen betreft, moet opgemerkt, 1°. ἐπίσκοπος komt heel veel voor in algemeenen zin, maar uiterst zelden als ambtstitel. Het heeft een algemeene beteekenis, evenals διακονία. Juist daarom moet het de aandacht trekken, dat deze naam in de Christelijke Kerk burgerrecht kreeg (Fil. 1: 1), die noch in het Grieksche stadsbestuur, noch bij de Joden in Palestina, noch in heidensche Vereenigingen in gebruik was. Er lag veeleer een tegenstelling in met het joodsche en heidensche leven 1). Het zeer algemeene woord werd een technische benaming;


1) Zie E. Loening, a.w. bl. 21.
In Herzog’s Real-Encycl. s v. „Presbyter, in der alten Kirche” bestrijdt ook H. Achelis de Hatch-Harnacksche hypothese. Voor hem blijft het grootste bezwaar „dasz er (Hatch) ein immerhin kompliziertes System der Kirchenverfassung voraussetzt für eine Zeit, deren Eigenart gerade der Mangel aller festen Ordnungen ist, und dasz infolgedessen die Ausdrücke Presbyter, Episkop, Diakon als richtige Titulaturen behandelt werden “
Voor zoover zijn bezwaar tegen het gecompliceerde van de onderstelde organisatie gaat, deelen we het volkomen.
Terecht merkt Achelis op: „Die Analogie des antiken Vereinswesens brachte nicht die erhoffte Stütze. En Achelis bewijst dit met het uitnemend werk van Erich Ziebarth, Das Griechische Vereinswesen, Leipzig 1896. Zie bl. 162, noot 1). Ziebarth toch toont aan met veel inscriptie-materiaal, dat de nieuwste onderzoekingen de hypothese niet bevestigen, bl. 131: „Nun ist ein besonderes Kennzeichen der griechischen Vereinsterminologie die mangelnde Bestimmtheit der Bezeichnungen. Ἐπίσκοποι wie ἐπιμεληταί bedeuten ganz allgemein Aufsichts- und Verwaltungsbeamte Die nicht genügende Berücksichtigung dieser Tatsache ist der Forschung verhängnisvoll geworden. Es steht heute fest, dasz der Titel ἐπίσκοποι, welcher sich auch vereinzelt als Amtsbezeichnung in griechischen Vereinen findet, nicht als ein Beweis für eine Entlehnung des christlichen Amtes aus den heidnischen Kultvereinen angeführt werden kann.” Zeer beslist sluit zich bij deze „richtige Anschauungen Ziebarth’s” aan, Franz Poland in zijn Geschichte des Griechischen Vereinswesens (zie bl. 162, noot 1)), wanneer hij, aangevende, waar de titel ἐπίσκοπος al zoo voorkomt, zegt bl. 377: „Wenn sich derselbe Titel in einer späten Inschrift Thrakiens offenbar zur Bezeichnung einer niedrigen Kultfunktion findet so musz uns diese Verschiedenheit in der Verwendung des an sich ➝

|169|

2°. als object van het ἐπισκοπεῖν komt nooit voor in het N. Testament hetzij geld, hetzij de oblationes, maar de zielen der geloovigen als de kudde des Heeren. Vandaar de band met ποιμήν; ἐπισκοπεῖν is ποιμαίνειν, Hd 20: 28, 1 Petr. 2: 25, of ook Clem. 44: 1. De ποιμὴν καὶ διδάσκαλος van Ef. 4: 11 is daarom de ἐπίσκοπος 1).

Voorts, de opvatting van de zoo gecompliceerde verhoudingen tusschen episcopen en presbyters bij Harnack maakt het duister probleem van het ontstaan van het monarchisch episcopaat niet duidelijker, maar voegt een nieuw raadsel eraan toe, n.l. het ontstaan van het presbyter-college naast het episcopen-college 2) Ten bewijze, hoe lichtvaardig Harnack omspringt met voor zijn hypothese bezwarende teksten, strekke, dat hij van Tit. 1: 7-9 (in verband met vs. 5 een der meest adstringente bewijzen voor de identiteit) zegt: „aber es fragt sich ob die V. 7-9 nicht eine Interpolation sind” 3)! Bovendien is de superioriteit van episcopen in het presbyter-college door niets bewezen, en blijft onverklaard de overgang van het meervoud van episcopen in het presbyter-college ten slotte tot één enkelen episcoop, en hoe deze de suprematie kreeg. Vooral echter pleit tegen de hypothese het gekunstelde, uiterst gecompliceerde der organisatie, die alleen dan te accepteeren is, wanneer men te voren aanneemt, dat de christelijke organisatie


➝ so allgemeinen Wortes im Sprachgebrauch der Vereine und seine vergleichs-weise grosze Seltenheit bedenklich machen den christlichen Episkopos direkt aus Verhaltnissen des antiken Genossenschaftslebens abzuleiten, wie es immer wieder geschieht.”
1) A. Loofs, a.w. bl. 628 ziet het πρῶτον ψεῦδος in de meening, dat ἐπίσκοπος reeds spoedig een ambtsnaam, een titel was. Hij acht het woord een Funktionsbeschreibung, even algemeen als ἡγοὐμενοι, en bewijst dat met 1 Petr. 2: 25, 1 Clem. 44 enz. Zoo zou Fil. 1: 1 ἐπίσκοπος niet meer een titel zijn dan προϊστάμενοι 1 Thess. 5: 12. Wij houden ’t er echter voor, dat wel als ambtsbeschrijving de naam in gebruik gekomen is, doch althans in Fil. 1: 1 wel degelijk reeds ook ambtstitel is (cf. Pastoraalbrieven).
2) Loofs, a.w. bl. 645.
3) Harnack, Recht und Verfassung, blz 50. Hetzelfde reeds in 1887. Toen Dr. Sanday aan Harnack had verweten, met een beroep op Tit. 1: 5-7, dat hij te veel scheiding maakte tusschen presbyters en episcopen, antwoordde Harnack, Expositor 1887 bl. 338 noot: „I cannot accept as a valid proof, because I belief that 1: 7-9 was interpolated into the received text by the redactor”.

|170|

een kunstig saamgestelde copie vertegenwoordigt van wat toen al zoo in cultus-genootschappen voorkwam 1).

Een nieuwe periode in Harnack’s beschouwing dagteekent sedert het vinden van de Didache 2). Hij houdt aan de dubbele organisatie vast, maar voegt er nu den schakel van de leerfunctie


1) Zie Seyerlen, a.w. bl. 226 v.v. Treffend is Seyerlen’s slot, bl. 333: „die Wissenschaftlichkeit besteht nicht darin à tout prix neue Ergebnisse zu Tage zu fordern, selbst auf die Gefahr hin, dass dadurch alles bisherige Erkennen auf den Kopf gestellt wird, sondern unter Umstanden kann Wissenschaftlichkeit auch darin bestehen, alte, von grossen Meistern errungene Wahrheiten gegen die Moderichtung des Tages aufrecht zu erhalten, ohne dass dabei allerdings im mindesten darauf verzichtet wurde, neben der alten Wahrheit und auf Grund derselben auch neue Erkenntnisse hervorzutragen”.
2) Reeds meermalen werd de Didache geciteerd. Daar de vondst zóó grooten invloed had op Harnack’s denkbeelden, dat hij van haar zegt (Die Apostellehre und die jüdischen beiden Wege 1896 bl. 1, uitbreiding van een artikel in Herzog’s Real-Enc.3 s.v.): ,,in Dogmen- Sitten-und Verfassungsgeschichtlicher Hinsicht etwas so ausserordentliches Wichtiges, dass das Aufsehen welches es erregt hat, wohlbegründet ist”, — zij in het kort het volgende meegedeeld. (In 1896 zagen reeds 200 geschriften naar aanleiding van de Didache het licht). In 1883 werd de Διδαχή τῶν δώδεκα Ἀπόστολων het eerst uitgegeven door den metropoliet Philotheos Bryennios. Onder de belangrijkste commentaren noemen we A. Harnack, Die Lehre der zwölf Apostel 1884 en F.X Funk, Doctrina duodecim apostolorum 1887. Over den tijd van ontstaan is veel verschil, naarmate men den brief van Barnabas van de Didache afhankelijk maakt of omgekeerd. Harnack meent, dat het geschrift is ontstaan 120-160 in Boven-Aegypte; Funk en anderen stellen ze vroeger, begin 2e eeuw, en nemen als bakermat Syrië, Palestina, ten deele Aegypte Ze valt in twee deelen uiteen, Cap. 1-6 de leer der twee wegen (als Barnabas’ brief), en daaraan verbonden 7, 8, 9, 10, de leer van doop. vasten en bidden, en eucharistie; Cap. 11 v.v. over de reizende predikers: apostelen, profeten, leeraars; zondagsviering, en aanstelling van episcopen en diakenen. Het tweede deel draagt dus een kerkrechtelijk karakter Het slot (16) behelst een vermaning met het oog op het naderend einde. (Zie F. X. Funk, Die Apostolischen Vater2 1906, bl. IX).
De beteekenis van de Didache als bron voor de oorspronkelijke organisatie is veel te hoog aangeslagen. Voor wie de Pastoraalbrie ven aan Paulus toeschrijven en deze niet in de 2e eeuw plaatsen, doen ze werkelijk niet zooveel „licht toestroomen”. Belangrijk is, dat ze uitdrukkelijk aangeeft, dat de episcopen en diakenen, als verkoren ambtsdragers, overnemen den dienst des Woords van de charismatische apostels, profeten en leeraars. Ze verplaatst ons in een tijd, waarin de charisma’s aan het verdwijnen zijn, en het vaste locale ambt op den voorgrond gaat treden. Het charismatische gaat in het ambtelijke over. Welnu, deze overgang beginnen ons ook reeds de Pastoraalbrieven te teekenen.

|171|

aan toe, en komt zoo tot een drie-, ja viervoudige organisatie: 1°. de religieuse van apostelen, profeten en leeraars, die hij gelijkstelt met de ἡγούμενοι; niet plaatselijk, de τετιμημένοι, de geëerden van Did. 4; 2°. de patriarchale van de presbyters, die slechts een τιμὴ καθηκοῦσα ontvangen; 3°. de administratieve van episcopen en diakenen, de oeconomen der gemeente, die charismatisch zouden zijn. En zoo ge wilt, nog een 4°. van de heroën, zooals martelaren, confessores enz. De episcopen werden opgenomen in het presbyter-college; de functie der λαλοῦντες τὸν λόγον (apostelen, profeten, leeraars) ging over op de ambtsdragers, episcopen en diakenen, en zoo zou het episcopaat zijn gekomen op de lijn van de katholieke ontwikkeling 1). Doch hierover nader.

Heel deze nog ingewikkelder gemaakte theorie hangt telkens als aan een spinrag; b.v. Did 15 toont, dat de episcopen en diakenen, afgezien van de leer-overdracht, ook reeds τετιμημένοι zijn. Waarom dan zooveel afgeleid uit Did. 4 ten opzichte van apostelen, profeten en leeraars? Waarom zouden episcopen en diakenen charismatisch bedeeld zijn en de presbyters niet, gesteld voor een oogenblik, dat de episcopen en presbyters niet dezelfde waren? Worden soms in 1 Cor. 12: 28 de presbyters van het charisma κυβερνήσεως uitgesloten? Waarom zouden de apostelen, profeten, leeraars ἡγούμενοι zijn en de episcopen niet, terwijl toch Hebr. 13: 7, 17 het opzicht (de ἐπισκοπή) over de zielen aan de ἡγούμενοι is toevertrouwd (dus = ποίμενες)? Zoo zouden we met vragen kunnen voortgaan 2).


1) Zie Harnack, uitg. Didache bl. 145 v.v.; Expositor 1887, bl. 322 v.v. Ook Seyerlen, a.w. bl. 234 v.v.
2) Wèl mag Harnack aan het begin van zijn verhandeling Expositor, bl. 322, zeggen: „who admiss the genuiness of the Pastoral Epistles will reach quite different conclusions.” Als een enkel staal, hoe alle strijd bij lichtvaardige critiek eigenlijk vruchteloos is, diene het volgende: Evangelisten waren er eerst nà Paulus, want ze komen het eerst Ef. 4: 11 voor! Episcopen en diakenen als gekozen ambtsdragers komen het eerst voor Did. 15 en Clem. 44: 2, 3! Als Clemens zegt, dat de apostelen reeds episcopen en diakenen instelden, meent Harnack, dat Clemens dit betoogt, wijl hij het noodig heeft! De presbyters, zooals 1 Petr. 5: 1 hebben slechts een Würde. geen ambt, ze vermanen slechts; gekozen presbyters komen eerst in de 2de eeuw: Jac. 5: 14, Hand. 14: 23, 1 Tim. 5: 1! Dat de episcopen en diakenen uit de presbyters werden genomen bewijst Clem. 44! enz.

|172|

In zijn laatste periode heeft Harnack in menig opzicht de scherpe kanten van zijn hypothese weggenomen. Reeds in zijn „Die Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten Jahrhunderten” en vooral in „Verfassung und Recht” 1910. Wat aangaat de aansluiting aan de cultus-vormen van heidensche genootschappen heet het: „Man muss also die Hypothesen, alte christliche Einrichtungen auf die Kultvereine zurück zu führen, mit höchster Vorsicht aufnehmen; spätern Zustanden gegenüber ist dieser Rekurs mehr am Platze” 1). En wat betreft de scheiding tusschen presbyters en episcopen. wel houdt Harnack ook vast aan het lievelingsdenkbeeld zijner dubbele organisatie, maar: „es folgt aus dieser Darlegung, dasz in allerfrühester Zeit hier und dort Presbyter und Episkopen zusammengefallen sind, so dasz jeder bestellte Presbyter auch Episkopus hiesz” 2). En: „die von Hiëronymus, Theodor u.a. vertretene Meinung, Presbyter und Bischöfe seien ursprünglich identisch gewesen, ist nicht vollkommen richtig. Die Zeit in der jeder Presbyter auch ein Bischof war, war jedenfalls sehr kurz, und wahrscheinlich hat es Gemeinden gegeben, in der die volle Identität nie bestanden hat” 3). Maar de onderscheiding blijft tusschen presbyters en presbyter-episcopen 4).

Op de lijn der aansluiting aan de heidensche vormen, getrokken door Rénan, Heinrici, Weingarten, Hatch-Harnack, beweegt zich nog met volle overtuiging Jean Réville, die aan Rénan’s werk voortbouwt. Zoo heet het: „Les episkopoi de Philippes sont appelés ainsi, parce qu’ils remplissent les fonctions généralement remplies sous ce nom ou sous le nom tout semblable d’épimélète.”

Wat aangaat de scheiding van presbyters en episcopen: „La pluralité des episcopes de Philippes n’implique pas leur assimilation à des presbytres” 5). In dit opzicht drukt zich Sohm wel het


1) Verfassung und Recht bl. 64.
2) Idem, bl. 66.
3) Idem, bl. 74.
4) Idem, bl. 70.
5) Les origines de l’Episkopat, Paris, 1894, bl. 160, 162.
De scheiding wordt ook verdedigd o.a. door R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het Episcopaat, Groningen, 1900, bl. 137: „Ten slotte moeten wij nog opkomen tegen de door Baur ingestelde identie der ἐπίσκοποι en πρεσβύτεροι."

|173|

sterkst uit: „Es ist der Verdienst von Hatch diese Lehre (nl. v. d. identiteit) erschüttert zu haben” 1), immers zouden presbyters en episcopen niet kunnen saamvallen, omdat de presbyters een stand vormen. Zoo wordt „presbyter” door Sohm opgevat in Clem. 1: 3; 44: 5; 63: 3, 4. In dien geest wordt 1 Tim. 5: 17 geëxegetiseerd; ook 1 Petr. 5: 1 zou van oudsten spreken in algemeenen zin. En om te ontkomen aan de stellige uitspraken, Hd 20: 17, 28 en Tit. 1: 5 waar van aangestelde presbyters sprake is, redt hij zich met te zeggen, naar vs. 7 verwijzend: „Es ist klar, dass die „Bestellung” des Alten eine Bestellung nicht zum Alten (Presbyter) sondern zum Bischof ist”. Zoo ook verstaat hij Hd. 20: 17, 28. Met terzijdestelling van Hd. 14: 23 en met de willekeurige verklaring van Hd. 11: 30 en Jac. 5: 14, dat daar wel bisschoppen bedoeld zullen zijn, heet het: „es giebt keine Bestellung zum Presbyter” 2),

Van belang is nog de beschouwing van Weizsäcker. Volgens hem is er in den apostolischen tijd van geen ingesteld ambt sprake, zelfs niet in Fil. 1: 1, maar slechts van vrijwilligen dienst, waardoor een verhouding werd geboren, die afhing van den goeden wil der gemeente 3). De episcopen en presbyters zijn niet identiek, hoewel de eersten geen hooger stand vormden en uit de presbyters werden genomen. Analogie met de heidensche cultusvormen is niet te vinden. Hierbij moet worden in het oog gehouden, dat ook Weizsäcker de Pastoraalbrieven verlegt naar den na-apostolischen tijd. En zoo komt hij tot het resultaat, dat in den na-apostolischen tijd de presbyters in de gemeente een stand vormen, waaraan die eeretitel is verbonden, maar dat het leidend ambt aan de uit de presbyters gekozene episcopen is


1) Sohm, Kirchenrecht, bl. 92.
2) Idem, bl 102 v.v.
Reeds G.J. Planck, Geschichte der Entstehung und Ausbildung der christlich-urkirchlichen Gesellschaftsverfassung im Römischen Staat, Hann. 1803, dl. I, bl. 31 verdedigt, dat de bisschoppen van de presbyters en diakenen waren onderscheiden en opzicht over hen hadden: „Der Bischof sah sich vielleicht als etwas anderes — aber nicht als etwas höheres als die Presbyter an, und glaubte nicht, dasz er mehr als ein Presbyter sei, sondern nur dasz er mehr als ein Presbyter thun müsse”.
3) Weizsäcker, a.w. bl. 607-611.

|174|

gegeven 1). Een beschouwing, die saamhangt met een o.i. onhoudbare exegese van 1 Tim. 5: 17.

Eindelijk maken we nog melding van een tweetal hypothesen, die een origineele gedachte vertegenwoordigen.

De eene van Ramsay: wanneer de oudsten het een of ander tot stand wilden brengen, of een besluit uitvoeren, benoemden ze een hunner ,,to superintend it”. Die presbyter was dan voor die zaak episcoop 2). Dit wordt echter door niets gestaafd en kan moeilijk gehandhaafd b.v. tegenover Hd. 20: 28.

De andere van Macpherson: „In the apostolic age there was but one office to which individuals were elected (as distinguished from the extraordinary gifts represented by Apostles, prophets etc.) that of presbyter, and if the size or circumstances of the community required gradation among its presbyters, those in full authonty were called ἐπίσκοποι and their assistants were called διάκονοι.” Ook dit blijft niets dan een hypothese 3).

 

Onder degenen, die met meer of minder kracht de oorspronkelijke identiteit hebben verdedigd, noemen we, van protestantsche zijde: Calvijn 4), Voetius 5), Neander 6), F.C. Baur 7), A. Ritschl 8), Beyschlag 9), Loofs 10), Davidson 11),


1) idem, bl. 613 v.v.
2) W.H. Ramsay, The Church in the Roman Empire2 London, bl. 367.
3) John Macpherson, „Dr. Sanday on the origin of christian Ministry” in Expositor 1887, bl. 291.
4) Institutio IV, 3, 8: „Caeterum quod Episcopos et Presbyteros et Pastores et Ministros promiscue vocavi qui Ecclesias regunt, id feci ex Scripturae usu, quae vocabula ista confundit: quicumque enim Verbi ministerio funguntur, iis titulum Episcoporum tribuit.”
5) Voetius, Polit. Eccl. P. II, L. II, tract. III, cap. IV, bl. 436, dat synoniemen van presbyters zijn de κυβερνήασεις en de προϊστάμενοι, synedochice ἐπἰσκοποι.
6) A. Neander, Geschichte der Pflanzung und Leitung etc, bl. 195. Ze zijn identiek, maar presbyter, aan het Jodendom ontleend, geeft meer de waardigheid aan; episcoop, de Grieksche uitdrukking, meer de Amtstätigkeit.
7) F.C. Baur, a.w. bl. 261: „Die beiden Namen bezeichnen dieselben Personen je nachdem sie als Häupter und Vertreter der Gemeinde, oder als die das Ganze überwachenden Aufseher betrachtet werden”.
8) A. Ritschl, a.w. bl. 399.
9) W. Beyschlag, a.w. bl. 72-75.
10) A. Loofs, a.w. bl. 645.
11) Davidson, a.w.: bl. 150. „the office of both was exactly the same; ➝

|175|

K. Lechler 1), G.V. Lechler 2), Lightfoot 3), Seyerlen 4), Seeberg 5), Kühl  6), Hollzmann 7), Vilmar 8), Knopf 9), Th. Zahn 10), Bonwetsch 11) (bij Kurz), Loening 12), Düker en van Manen 13), Maronier 14), Louw 15), Schmiedel 16). Van Roomsche zijde: v. Döllinger 17) en Mertens 18).


➝ the names are used synonymously; the only distinction consisting is this, that the one refers to the dignity, the other to the duties of the office”.
1) K. Lechler, a.w. bl. 205.
2) G.V. Lechler, a.w. bl. 139 v.v.
3) J.B. Lightfoot, a.w. bl. 95-99.
4) R. Seyerlen, a.w. bl. 333.
5) R. Seeberg, Dogmen-Geschichte2 Dl. I, 188 v.v.
6) E. Kühl, Die Gemeinde-ordnung in den Pastoralbriefen bl. 25: 1e de leden van het college heeten, als Würdenamen: presbyter; als Amtsnamen: episcopen; 2e. de episcopen werden gekozen uit de natuurlijke presbyters en waren dus allen bejaard; 3e. alle presbyters, die een ambt hadden heetten episcopen; 4e. de ambtelijke presbyters waren identiek met de episcopen, zoodat er geen presbyter was, die niet bisschop was en omgekeerd.
7) H.J. Holtzmann, Die Pastoralbriefe, bl. 214.
8) A. Vilmar, Dogmatik II bl. 273.
9) R. Knopf, a.w. bl. 191 v.v.
10) Th. Zahn, Einleitung etc.3 I 466, 467. „Sie (sc. die Presbyter) unterscheiden sich also in nichts als im Namen von den ἐπίσκοπος in 1 Tim 3: 1-7, denn auch dessen Fürsorge für die Gemeinde wird als ein προίστασθαι, προστῆναι bezeichnet (3: 4 f.) . . . . Dasz Pl. sie an der einen Stelle πρεσβύτεροι nennt, erklärt sich daraus, dasz er dort von einer Ermahnung zum richtigen Verhalten gegen die altern Gemeindeglieder überhaupt herkommt . . . . Dasz dies das Verhältniss zwischen Presbytern und Bischöfen ist, wird zweifellos durch Tt 1: 5-9; denn keine exegetische Kunst kann die Tatsache verdunkeln, dasz dort die Identität von ἐπίσκοπος und πρεσβύτερος als selbstverständlich vorausgesetzt ist”; zie ook Komm. Röm. br. op Rom, 12: 7.
11) N. Bonwetsch, a.w. bl. 44 v.v.
12) E. Loening, a.w. bl. 71, 72.
13) A.C. Düker en W.C. van Manen, De geschriften der apostolische Vaders. Haarlem, bl. 111, bij Clemens’ brief: „Onze schrijver noemt slechts twee geestelijke ambten: dat der presbyters en der diakenen . . . . omstreeks het midden der tweede eeuw zou dit niet meer mogelijk geweest zijn, want toen waren bisschop en presbyter niet langer namen, die een en dezelfde persoon kon dragen”.
14) J.H. Maronier, a.w. bl. 215, 256 „men zou nooit aan twee verschillende ambten hebben gedacht, indien niet later een monarchisch episcopaat was opgestaan.
15) S.W. Louw, a.w. bl. 9. v.v.
16) P.W. Schmiedel, Encycl. Bibl. s.v. „Ministry”.
17) J.J.I. v. Döllinger, a.w. bl. 304 „Dieselbe Manner welche Lukas Aelteste nennt, redet Paulus als Episcopen an”.
18) A. Mertens, a.w. bl. 238.

|176|

Op de volgende gronden staat de oorspronkelijke identiteit van presbyters en episcopen onomstootelijk vast:
1°. Wanneer Hd 11: 30 de presbyters van Jeruzalem de gaven voor de armen in ontvangst nemen, blijkt, dat ook zij doen, wat men het uitsluitend werk der episcopen wil noemen.
2°. Als Hd. 20: 17 Paulus de presbyters van Efeze heeft ontboden, spreekt hij hen vs. 28 aan ὑμᾶς τὸ Πνεῦμα τὸ Ἅγιου ἔθετο ἐπισκόπους.
3°. In Fil. 1: 1 worden gegroet de episcopen en diakenen. In dezen zoo intiemen brief zou Paulus zeker niet hebben verzuimd ook de presbyters te groeten, gesteld ze waren er naast de episcopen geweest.
4°. 1 Petrus 5: 1 vermaant de apostel de presbyters, en vervolgt vs. 2 ποιμάνατε τὸ ἐν ὑμῖν ποίμνιον τοῦ θεοῦ, ἐπισκοποῦντες.
5°. 1 Tim. 3: 1-7 noemt Paulus de vereischten voor het ambt van den ἐπίσκοπος. Vereischten voor den presbyter noemt hij niet, maar gaat vs. 8 over tot die welke voor den diaken gelden. Toch zijn hem presbyters niet vreemd, want hij spreekt van hen 5: 17-19. Hoe zouden dan voor hem presbyters en episcopen niet dezelfde zijn?
6°. Tit. 1: 5 ontvangt Titus bevel, om in Creta presbyters aan te stellen; vs. 7 gaat hij voort, om de vereischten te noemen en drukt zich uit : δεῖ γὰρ τὸν ἐπίσκοπον εἶναι. Dit is wel het sterkste bewijs.
7°. De na-Apostolische litteratuur komt dit bevestigen. Zóó in den brief, dien de gemeente van Rome richt aan die van Corinthe naar aanleiding van een oproer, dat daar uitbrak tegen de wettige presbyters. Clemens noemt 1: 3 en 21: 6 de presbyters ἡγούμενοι. In 44: 5 zegt hij μακάριοι οἱ προσδοιπορήσαντες πρεσβύτεροι en in 44: 4 deed hij voorafgaan: ἁμαρτία γὰρ οὐ μικρὰ ἡμῖν ἔσται, ἐὰν τοὺς ἀμέμπτως καὶ ὁσίως προσενεγκόντας τὰ δῶρα τῆς ἐπισκοπῆς ἀποβαλῶμεν. Aan het eind der eerste eeuw waren er dus nog in de gemeente van Rome en Corinthe presbyters aan wie de ἐπισκοπή niet mocht worden ontnomen.
8°. De Didache spreekt gansch niet van presbyters, maar vermaant om episcopen en diakenen te verkiezen, Did. 15: 1, 2.

Bij Ignatius en Polycarpus gaat de oorspronkelijke

|177|

identiteit reeds verloren, krijgen de woorden hun nieuwe beteekenis, en treedt de monarchische bisschop op: „Hun ben ik een zoenoffer” (ἀντίψυχον ἔχω), die gehoorzaam zijn τῷ ἐπισκόπῳ, πρεσβυτέροις, διακόνοις. Ign. ad Polyc. 6. En Polycarpus, ad Philipp. 5: 6, vermaant de diakenen en de presbyters (niet episcopen!) 1), maar hij begint zijn brief: Πολύκαρπος καὶ οἱ σὺν αὐτῷ πρεσβύτεροι, wat doet vermoeden, dat hij eenhoofdig bisschop van Smyrna was. Niettemin bleef de heugenis van de oorspronkelijke identiteit in eere. Chrysostomus in Hom. XI in ep. ad Tim. zegt: οἱ πρεσβύτεροι τὸ παλαιὸν ἐκαλοῦντο ἐπίσκοποι καὶ διάκονοι Χριστοῦ καὶ οἱ ἐπίσκοποι πρεσβύτεροι 2). En Hiëronymus op Tit. 1: 5 teekent aan: „idem est presbyter qui et episcopus, et antequam diaboli instinctu studia in religione fierent . . . . communi presbyterorum concilio gubernabantur ecclesiae.”

Ons resultaat is derhalve, dat, overal waar van presbyters gesproken wordt, niet in den generalen zin als ouden van dagen, maar als de leiders der gemeente, deze presbyters dezelfde personen zijn als de episcopen en beiden dezelfde als de προϊστάμενοι, de προεστῶτες, de ἡγούμενοι, de ποίμενες.

Daarom is er wel onderscheid bij de identiteit. Presbyters was de naam, die vanzelf het eerst ingang vond bij de Joodsch-Christelijke Kerken; episcopen bij de heiden-Christelijke Kerken; presbyter ziet meer op de ambtswaardigheid, episcoop meer op de ambtsverrichting. We zouden, om aan de identiteit niet te kort te willen doen, dan ook liever niet spreken van een niet-ambtelijken stand, dien de oudsten vertegenwoordigden, tenzij men aan dien stand geen andere beteekenis hecht, dan zooals men spreken kan van een stand ook van jongelingen, van mannen, van vrouwen. In elk geval moeten dan tot dien stand alle presbyters behooren zonder


1) De saamvoeging bij Polycarpus van presbyters en diakenen en niet van episcopen en diakenen, is van beteekenis tegenover de hypothese, dat de diakenen wel als helpers en van lager rang dan de episcopen naast deze worden genoemd, maar dat van een saamvoegen van diakenen en presbyters (als geheel andere functie hebbende dan de episcopen) geen sprake zou kunnen zijn. Zie bl. 167 noot 1.
2) Nl. het eerste ziet op de heid. chr. Kerken, het laatste op de joodsch-christ. Kerken. Zie bij N. Bonwetsch in Kurz’s Lehrbuch der Kirchengeschichte, I, bl. 44.

|178|

onderscheid, maar daarmede vervalt dan ook de bijzondere beteekenis, die men aan dien stand wil toekennen 1).

Ten slotte stemmen wij in met het getuigenis van Loofs: „ich glaube, dasz die alte Auffassung, welche in den προϊστάμενοι des 1ien Thess. Briefes, in den ἐπίσκοποι des Phil. Briefes und in den πρεσβύτεροι der Acta dasselbe eine von einer Mehrheit verwaltete Vorsteheramt der apostolischen Zeit zu erkennen meint, um nichts unwissenschaftlicher, ja gläublichler ist als alle neue Konstruktionen” 2).

 

Bevoegdheden. Somtijds konden de presbyters in finantiëele aangelegenheden worden ingewikkeld, gelijk Hd. 11: 30 wordt vermeld, toen waarschijnlijk de zeven, de diakenen, in Jeruzalem, door de vervolging, niet meer dienden. Maar dit behoort niet tot hun ambt qua talis. Regeering, opzicht, tuchtoefening wordt allerwege als de eigenaardige en eerste bevoegdheid van hun ambt aangegeven. Trouwens dit ligt reeds uitgedrukt in de velerlei namen en aanduidingen als: κυβερνήσεις, 1 Cor. 12: 28; προϊστάμενοι, Rom. 12: 8, 1 Thess. 5: 12; ἡγεῖσθαι, Hebr. 13: 7, προεστῶτες


1) Zoo Weizsäcker, a.w. bl. 618, 619, die zegt, dat er in den apostolischen tijd nog geen sprake is van presbyters, maar van προϊστάμενοι, doch dat in den na-apostolischen tijd de kring van πρεσβύτεροι opkwam, nl. als de overlevenden uit de eerste generatie der gemeente, de autoriteiten der traditie, die een stand gingen vormen, waaruit de episcopen gekozen werden.
Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. Dl. IV, bl. 74, 75 wil ook onderscheiden hebben tusschen πρεσβύτεροι en ἐπίσκοποι, en spreekt van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de gemeente voortbestaat, doch, blijkens de verwijzing naar 1 Tim 5: 1 v.v. (ouden, jongen, mannen, vrouwen) in geen anderen zin, dan berustend op den leeftijd. In dien zin moet worden opgevat: „alle episcopi zijn dus presbyteri, maar lang niet alle presbyteri waren episcopi; presbyteri vormden een stand, episcopi droegen een ambt.” In elk geval wordt de identiteit volstrekt gehandhaafd: „wanneer echter, gelijk eerst menigmaal geschiedde, de episcopi presbyteri genoemd werden, dan was er in den naam geen verschil; presbyteri en episcopi waren dan dezelfde personen en dragers van hetzelfde ambt.” Dat Dr. Bavinck onder den stand van presbyteri niet bedoelt een bepaalden kring onder de ouderen in leeftijd, maar de ouderen van leeftijd zelf en die allen, blijkt ook uit „Het Doctorenambt” bl. 16, bij de bespreking van 1 Tim. 5: 17: „Alle πρεσβύτεροι, alle ouderen van jaren in de gemeente zijn eere waardig, maar inzonderheid . . . .” enz.
2) A. Loofs, a.w. bl. 645.

|179|

1 Tim. 5: 12, ἐπισκοπεῖν, Hd. 20: 28, κοπιᾶν 1 Thess. 5: 12; ποιμαίνειν Hd. 20: 28, 1 Petr. 5: 2. Voorts in al de bevelen aan de gemeenten gegeven, om gehoorzaam te zijn, onderdanigheid te betoonen, 1 Cor. 16: 16, 1 Tess. 5: 12. Ook in de vergelijking met de regeering van het eigen huis, 1 Tim, 3: 5, en in de vereischten voor het ambt gesteld 1 Tim. 3: 2 v.v.; Tit. 1: 7 v.v., waar vs. 7 de episcoop genoemd wordt een οἰκονόμος θεοῦ.

Er kan verschil bestaan over de vraag, of van den beginne af de presbyters of episcopen ook geroepen waren om te leeren. Dat in dit opzicht verandering is te constateeren, en bepaaldelijk de Pastoraalbrieven een geavanceerd standpunt innemen, in verband met het dalen van den avond van den apostolischen tijd, is buiten twijfel. Zij hechten zeer beslist de leerfunctie aan het plaatselijk ambt. Toch meenen we, dat van meet af de leer nooit geheel van het presbyterambt is afgescheiden geweest. Doch, wat was het geval? In den eersten tijd was in de door den H. Geest krachtig bewogen gemeente het leeren ook charismatisch, vrij, zoodat wie een διδασκαλία, een προφητεία, een ἀποκάλυψις had, tot stichting der geloovigen spreken kon en mocht, 1 Cor. 14: 26, 31; 1 Petr. 4: 10. Maar aan de ééne zijde zullen de presbyters wel bij voorkeur zijn genomen uit de met het leer-charisma rijk bedeelden, en aan de andere zijde zullen de presbyters in de eerste plaats hun roeping hebben gevoeld tot de οἰκοδομὴ τῆς ἐκκλησίας θεοῦ. In Ef. 4: 11 worden ποιμένες en διδάσκαλοι op het innigst verbonden, zoodat aan dezelfde personen te denken is. Het object van het ποιμαίνειν zijn zielen Hd. 20: 28, 1 Petr. 5: 2, 2: 25, en wat zou de staf, waarmede zij weiden, anders zijn dan het Woord? Hd. 15 leert ons, dat op het convent te Jeruzalem de presbyters mede oordeelen over de leer. In 1 Thess. 5: 12 wordt aan het προϊστάναι het νουθετεῖν verbonden; en dat het νουθετεῖν weer nauw verwant is met het διδάσκειν leert Col. 1: 28; 3: 16 1).


1) Dat de presbyters eenige taak zouden hebben ten opzichte van de leer, wordt weersproken o.a. door Vitringa, a.w. III, I, 1, bl. 609, natuurlijk in verband met de nauwe aansluiting, die hij zoekt aan de Synagoge. Zoo ook ontzegt Planck hun alle leeren. a.w Dl. I, bl. 26: ze mochten misschien voorlezen, voorzingen enz., maar het viel niemand in, dat ze daarvoor noodzakelijk waren.
Eigenaardig, schoon geheel met zijn standpunt overeenkomend, is de ➝

|180|

Doch, zooals gezegd, vastheid in de leerfunctie vinden we eerst in de Pastoraalbrieven. Zij zijn geschreven met het oog op den tijd, die komen zou, wanneer de stroom in de bedding van het gewone kerkelijk leven zou zijn gevloeid. Daarom wordt daar reeds de didascalie gehecht aan het presbyterambt. Het ophouden der charisma’s; het verdwijnen van de reizende apostelen, profeten en leeraars als dienaren voor heel de Kerk; de meer geconsolideerde positie der plaatselijke Kerk, en niet het minst het opkomen der gnostische dwalingen, door de apostelen gespeurd bij het licht des Geestes, maakten dit noodzakelijk, zou niet de Kerk aan dwaling en afval ten prooi worden, of in spiritualisme zichzelve vernietigen. Daarom is er dan ook op onderscheidene plaatsen in de Pastoraalbrieven sprake van de leer: de opziener moet διδακτικός zijn, 1 Tim. 3: 2. Dit wordt uitgewerkt in Tit. 1: 9 ἀντεχόμενον τοῦ κατὰ τὴν διδαχὴν πιστοῦ λόγου, ἵνα δυνατὸς ᾖ καὶ παρακαλεῖν ἐν τῇ διδασκαλία τῇ ὑγιαινούσῃ καὶ τοὺς ἀντιλέγοντας ἐλέγχειν.

Van onschatbare beteekenis is echter de locus classicus 1 Tim. 5: 17.

In het begin van het hoofdstuk heeft Paulus vermaningen uitgesproken met het oog op onderscheidene categoriën in de gemeenten: mannen van jaren (πρεσβύτεροι in algemeenen zin), bejaarde


➝ gedachte van Sohm, Kirchenrecht I, bl. 84 v.v.: Het wezenlijk ambt van den bisschop was de leiding der eucharistie en der offergaven (kerkegoed) Maar (in tegenstelling met de gangbare meening) dit vertegenwoordigde niet een bloot administratief ambt, want de bisschop handelt daarbij niet als schatmeester, maar als stedehouder Gods, d.i. hij is drager van het leerambt, want de functie bij eucharistie en vermogensbeheer beteekent niet een tegenstelling met de leerfunctie, maar is daarvan een Anwendungsfall [?]. Is er nu een profeet of leeraar, dan treedt de bisschop terug, maar indien niet, dan treedt hij op, en dit laatste heeft dan tot de vorming van het bisschopsambt geleid. Dan bestuurt de bisschop eucharistie en Kerkgoed in plaats van profeet en leeraar. De bekende passage Did. 15: 1 verklaart Sohm dan niet, gelijk steeds geschiedt, dat bisschoppen en diakenen er een nieuwe taak bijkrijgen, nl. het leeren, maar dat voor Lehrtätigkeit verklaard wordt de oorspronkelijke taak der bisschoppen, welke anders door profeten en leeraars geschiedde. „Der Bischof der Urzeit stellt den unmittelbaren Vorfahren unseres Pastors da.” — Er ligt hierin een schoone en ware gedachte. Alleen, men gevoelt dat de strekking is, het regeer-ambt weg te redeneeren, en niet anders dan het leerambt te erkennen.

|181|

vrouwen, jonge broeders en zusters, vs. 1, 2; weduwen, en ook weduwen, die zich ten dienste stellen, 3-16. En nu komt hij tot de ambtsdragers en zegt, vs. 17: οἱ καλῶς προεστῶτες πρεσβύτεροι διπλῆς τιμῆς ἀξιούσθωσαν, μάλιστα οἱ κοπιῶντες ἐν λόγῳ καῖ διδασκαλίᾳ.

Ten opzichte van deze plaats merken we op:

1°. Paulus geeft een tweetal onderscheidingen aan: ééne tusschen πρεσβύτεροι en πρεσβύτεροι καλῶς προεστῶτες, een andere tusschen πρεσβύτεροι προεστῶτες en κοπιῶντες ἐν λόγῳ καὶ διδασκαλίᾳ.

2°. Wat de eerste onderscheiding betreft, is het de vraag, of te onderscheiden valt tusschen presbyters die niet regeeren en die wel regeeren, of tusschen regeerende presbyters, van wie het καλῶς wel en van wie dit niet kan worden gezegd, m.a.w. of de onderscheiding gemaakt wordt niet of wel in den kring der ambtsdragers. Wie het eerste gevoelen voorstaan en meenen, dat onderscheid gemaakt wordt tusschen niet-ambtsdragers en ambtsdragers, vallen weer in tweeën uiteen. Sommigen oordeelen, dat presbyters, evenals in vs. 1, moet genomen als bejaarden, en dat nu wordt gezegd, dat wie uit dien kring een ambt hebben en dat goed bedienen, op dubbele eer aanspraak hebben, nl. een eer, die als ouden hun reeds toekomt, en een eer die als goede episcopen hun moet toegekend, dus: ouderdoms- en ambtswaardigheid 1). Anderen zien in de presbyters een vasten stand van mannen, die de leiding hebben, zonder in het ambt gesteld te zijn, de traditie-bewaarders na het sterven van het eerste geslacht 2). In beide gevallen acht men dat „καλῶς” dit eischt, omdat anders, wie slecht regeerden, dan toch ook nog eer waardig zouden zijn, al was ’t dan ook geen dubbele. Hiertegen zij echter opgemerkt, dat zóó de tegenstelling niet behoeft te worden gemaakt. Tegenover καλῶς προεστῶτες staat nog niet κακῶς προεστῶτες. Neen, dubbele eer voor wie op voortreffelijke wijze, boven de gewone mate uitgaande, dient, doch wie dient, zonder dat er inspraak op kan worden gemaakt, op normale wijze, ontvangt zonder meer de eere, die zijn ambt medebrengt. Wie slecht zou dienen zou alle eer verbeuren

We nemen daarom de onderscheiding tusschen ambtsdragers,


1) Zóó Wohlenberg in Zahn’s Kommentar i.l. Ook Dr. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl 77, 78; het Doctorenambt, bl. 16.
2) Zoo Weizsäcker, a.w. bl. 616.

|182|

zoodat de presbyteri van vs. 17 niet dezelfde zijn als van vs. I, maar gelijk aan die van vs. 19, dus gelijk aan de episcopen 1). Zeer duidelijk geeft Kühl aan, dat in 1 Tim. 5 vier concentrische kringen voorkomen: a. de grootste, van diegenen, die door hun leeftijd presbyteri zijn, b. daarop volgende de προεστῶτες πρεσβύτεροι, c. voorts die προεστῶτες πρεσβύτεροι, welke uitmunten door een voortreffelijke ambtsbediening, d. eindelijk, die welke arbeiden in den dienst des Woords 2).

3e Natuurlijk staat den Apostel nog voor den geest de τιμή, die aan rechte weduwen toekomt, vs. 3, wanneer hij hier van de τιμή der ambtsdragers spreekt, en niet schrijft hij reeds onder den invloed der gedachte van vs. 18, waar hij van de bezoldiging gewaagt. Daarom moet bij τιμή — trouwens de éérste beteekenis van het woord — worden gedacht aan respect, hoewel hetgeen volgt over het onderhoud daar niet buiten staat. Alleen, de stoffelijke zijde der τιμή is er de betooning van in het uitwendige, maar niet de τιμή zelve.

4e. de tweede onderscheiding leert ons: a. dat niet alle presbyters arbeiden in de bediening des Woords, d.i. ἐν λόγῳ καῖ διδασκαλίᾳ, maar slechts enkelen; b. dat deze allermeest, met de καλῶς προεστῶτες, aanspraak hebben op διπλῆ τιμή; c. dat dus de leer aan het plaatselijk ambt verbonden is; d. dat die verbintenis aan het presbyteraat weer een scheiding noodzakelijk maakt tusschen regeerende en leerende presbyters; e. dat we daarmede de allerlaatste vertakking aantreffen der ambten uit den apostolischen stam 3).


1) Zoo Calvijn, Instit. IV, XI, 1 en in Timoth. i.l.; B. Weiss in Meyer’s Kommentar i.l.; E. Loening, a.w. bl. 71; E. Kühl, a.w. bl. 27; H.J. Holtzmann, a.w. bl. 352; Harnack, Verfassung und Recht, bl. 50
2) Dr. E. Kühl, a.w. bl. 27.
3) Reeds vroeger is er op gewezen, hoe ook de Didache in de bekende plaats cap. 15: 1, 2 komt bevestigen, dat de λαλία τοῦ λόγου van de profeten en leeraars overgaat op de plaatselijke ambten, waardoor een verrassend licht geworpen wordt op de overgangen, die Pastoraalbrieven ons teekenen: χειροτονήσατε οὖν ἑαυτοῖς (dit οὖν sluit aan bij het vorige, waar van de eucharistie gesproken is, zoodat de verkiezing van locale ambtsdragers noodzakelijk wordt gekeurd met het oog op de sacramentsbediening, die dus innig verbonden wordt gedacht aan de bediening van het het Woord) ➝

|183|

Hoezeer het de bedoeling was, dat in deze richting het ambtelijk leven van Gods Kerk zou worden geleid, blijkt wel uit het bevel van Timotheus, om de διδαχὴ τῶν ἀποστόλων toe te vertrouwen aan getrouwe menschen, die weer bekwaam zouden zijn om anderen te leeren, 2 Tim. 2: 2.

 

Over de verkiezing tot het ambt worden bepaalde voorschriften niet gegeven. Een enkele maal wordt ze ons medegedeeld, nl. Hd. 1: 15 v.v.; Hd 13: 1; Hd. 14: 23; 1 Tim. 4: 14. Wanneer aan Titus bevolen wordt ouderlingen aan te stellen, is daarbij de medewerking der gemeente volstrekt niet uitgesloten; in elk geval geeft hetgeen de apostolische missionairen doen op apostolisch bevel geen maatstaf voor kerkelijk handelen.

Een zeer gewone ritus in den apostolischen tijd was de oplegging der handen, de ἐπίθεσις τῶν χειρῶν, χειροθεσία. Ze geschiedde door de apostelen, Hd. 6: 6; door de gemeente, vertegenwoordigd


➝ ἐπισκόπους καὶ διακόνους ἀξίους τοῦ Κυρίου . . . . ὑμῖν γὰρ λειτουργοῦσι καὶ αὐτοὶ τὴν λειτουργίαν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων. μὴ οὖν ὑπερίδητε αὐτούς˙ αὐτοί γὰρ εἰσιν οἱ τετιμημένοι ὑμῶν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων.
Merkwaardig is de ontwikkeling van gedachten uit 1 Tim 5: 17 bij Davidson, den independentist, a.w. bl. 182 v.v. Hij bestrijdt de presbyterianen, die op grond van die plaats een scheiding maken van twee klassen van ambtsdragers, zoodat de een niet mag doen, wat de ander doet. Volgens hem maakt μάλιστα slechts een distinctie tusschen personen van dezelfde klasse, die rust niet in een verschil van rechten, maar van talenten. Exegetisch moet dit worden toegegeven. De gereformeerden spreken dan ook onder één genus van twee species: leer- en regeerouderlingen, en eischen ook wel degelijk van den ouderling, dat hij διδακτικός moet zijn. Maar natuurlijk wil Davidson slechts van één soort ouderlingen weten. Hij ziet echter voorbij dat ook in deze plaats beginselen liggen voor het Kerkrecht, waarop moet worden voortgebouwd naar den eisch der tijden. Ook in de Pastoraalbrieven vinden we nog slechts den overgang. Het extra-ordinaire is er nog, in Paulus zelf; in zijn delegati Timotheus, Titus; in de gemeente zelve. Maar wanneer de gewone tijd aanbreekt, wordt vanzelf de noodzakelijkheid geboren, in de behoefte aan studie, in het beperkt getal der geschikte personen voor den arbeid in het Woord, om de lijn door te trekken, die hier is uitgestippeld, waardoor de onderscheiding in het presbyterambt, als regeerend en leerend, sterker wordt geaccentueerd. Daarom komen we op tegen Davidson’s beschuldiging: „The office now termed the ruling eldership was invented by Calvin. After creating it, he naturally enough endeavoured to procure Scripture proof in its favour”.

|184|

door het presbyterium, 1 Tim 4: 14; door de apostolische delegaten 1 Tim. 5: 22. Daardoor werd de verkorene bevestigd in de overtuiging, dat hij wettiglijk geroepen was, en den Heere toegewijd in de bediening, terwijl door het publiek gebed de ambtelijke gaven werden afgesmeekt. Ze droeg dus een symbolisch karakter en bedoelde niet een mystieke, magische of sacramenteele mededeeling van gaven 1).


1) Het bestek van dit geschrift gedoogt niet in den breede over verkiezing en oplegging der handen en wat met de ordinatio saamhangt te handelen.
Alleen, wat het eerste betreft is het merkwaardig, hoe Sohm, om aan alles te ontkomen, wat maar zweemt naar recht, de verkiezing voorstelt als een toestemmen, meer niet. ’t Was steeds een verkiezen van God in de geheele Kerk, louter geestelijk. Elke nieuwe vergadering (weer een verschijningsvorm van de heele Kerk) is vrij den te voren erkende te erkennen of niet. Als voorbeeld geldt dan 1 Tim. 1: 18 (κατὰ τὰς προαγούσας ἐπὶ σὲ προφητείας), waar volgens Sohm gesproken wordt van Timotheus’ verkiezing tot Evangelist, die dan door profetiën, die van zijn charisma getuigenis gaven, zou zijn geschied („Weissagungen haben „auf dich geführt”, „deine Wahl veranlasst”). Sohm laat (met Holtzmann) evenzoo 1 Tim. 4: 14 ; 6: 12; 2 Tim. 1: 6; 2: 2 slaan op dezelfde gebeurtenis der verkiezing en ordinatie van Timotheus tot het Evangelistenambt (Kirchenrecht I, bl. 56-58). Maar zoo zouden b.v. de Kerken van Lycaonië niet veel gehad hebben aan de instelling der presbyters door Paulus!
Zie voorts over de verkiezing, Voetius Polit. Eccles. P. IL, L. III., tr. I, cap. II, bl. 535 v.v.
Wat de handoplegging aangaat, Harnack, Sohm, e.a. nemen ze niet als symbool, maar als middel, waardoor charisma’s werden meegedeeld (resp. Verfassung und Recht, bl. 20, Kirchenrecht I, bl. 62). Ook hier mag men geen besluiten trekken uit hetgeen de Apostelen deden tot wat nu geschieden kan. Hoewel zeker alle werktuigelijke genademededeeling tegen de H. Schrift ingaat. Over de waarde, aan de handoplegging in den huidigen tijd toe te kennen, of wel over haar noodzakelijkheid en wenschelijkheid kan verschil bestaan. Ook Calvijn (Instit. IV. 3, 16) dacht hierin niet geheel gelijk met Voetius, die haar van veel minder belang achtte, Polit. Eccles., P. I, Lib. II, tract. II, cap. 8, bl. 460 : De impositione manuum, χειροθεσία.
Treffend is wat K. Lechler, Die Neutestamentl. Lehre v. heil. Amte, bl. 328 zegt: De zegen, in de handoplegging besloten, is een voorbede, die voor God wordt gebracht, steunende op Gods belofte, en waar het geestelijke dingen betreft, wordt ze tot een gewisheid der verhooring; in zoover is ze mededeeling van gaven. Waarmede het gebaar overeenkomt. Eerst worden de handen uitgebreid naar God, dan naar den persoon: „Nicht eine Uebertragung persönlicher Eigenschaften auf Andere, sondern eine ➝

|185|

IV. Abnormale ontwikkeling in het monarchische episcopaat.

Met het laatst besprokene zijn we gekomen aan de grens van het terrein, dat voor ons onderwerp is afgebakend. Toch willen we nog even een blik verder werpen op de afwijkende richting, waarin de organisatie zich blijkbaar al zeer spoedig heeft ontwikkeld. En daarmede roeren we een der moeielijkste vraagstukken aan, die zich op exegetisch-historisch terrein voordoen, waarbij de hypothesen, die een oplossing voorstellen, al zeer vele zijn Het spreekt vanzelf, dat we slechts van terzijde op deze kwestie de aandacht vestigen. Maar toch mag de behandeling niet geheel achterwege blijven, omdat juist de vraag naar het ontstaan van het eenhoofdig episcopaat zoo ingrijpend heeft geïnfluenceerd op de beschouwing van de oorspronkelijke inrichting der Christelijke Kerk. De gedachte over het eene beheerscht die over het andere, en omgekeerd. Vooral echter omdat velen de kiemen der monarchale kerkregeering reeds meenen te kunnen aanwijzen in de verhoudingen, die in het N. Testament worden geteekend. Enkele der voornaamste hypothesen, die op dit duister gebied zijn opgesteld, worden in het volgende aangestipt.

De Kerk van Rome leert, dat, naar den wil van Christus, de hoogste macht in een diocese niet berust bij een college van presbyters of bisschoppen, maar in den enkelvoudigen persoon van den bisschop. De Apostelen wijdden niet alleen diakenen, Hd. 6, en prebyters, Hd. 14: 23 enz , maar naar Hd. 13 kregen Paulus en Barnabas de eerste bisschoppelijke wijding, die hun het recht gaf tot priester-ordinatie. Toen er uitbreiding kwam, droegen ze aan enkelen, als Timotheus en Titus, op grond van de bisschoppelijke wijding, de in het Apostolaat liggende bevoegdheid over, n.l. de wijdingsmacht, de leermacht en de rechtsmacht voor bepaalde streken. Ze hadden dus bisschoppelijke macht, en zoo maakte zich het bisschoppelijke ambt los van het Apostolaat.

De naam ging over op de opvolgers, Fil. 4: 3; Col. 4: 12, 13 enz.; de ἄγγελος in Openb. De bisschoppen zijn opvolgers van de


➝ wirksame Art der Fürbitte ist dieser Segen.” Dan valt ook het gewicht niet op de handoplegging zelve. Ze is als de kniebuiging in het gebed. Ze is de uiterlijke voleinding der voorbede, voorbede in lichamelijke gestalte.

|186|

apostelen; het Apostolaat bestaat voort in het Episcopaat en wordt daarin vereerd 1).

Het dichtst bij Rome sluit zich aan van protestantsche zijde Richard Rothe. De na 70 nog levende apostelen zouden een concilie hebben belegd met de eerste leeraren, om over de constitutie der Kerk te handelen, en toen zou, vooral onder den invloed van Johannes besloten zijn, om de organisatie in te richten op den grondslag van het eenhoofdig episcopaat 2).

Eenigszins op de lijn van Rothe bewegen zich F.C. Baur 3), A. Ritschl 4), en J.B. Lightfoot 5).

Orgineel is de hypothese van Kist, dat de Christenen niet aanstonds vormden één gemeente op een plaats, maar verschillende vereenigingen. En nu werd de zucht, om die tot één te vereenigen, en de scheuringen te heelen, de voornaamste oorzaak, waardoor één persoon tot hoofd werd verheven 6).

K. Lechler meent, dat een dubbele beweging tot het episcopaat leidde; van boven, van de zijde der Evangelisten als Timotheus, die een „zuverlassiges und ausgeführtes Vorbild” waren van het latere bisschoppelijk ambt, — van beneden, doordien elders presbyters opklommen en stilzwijgend werden erkend 7).


1) The catholic Encyclopedia s.v. „Bishop”; Wetzer und Welte, Kirchenlexicon, s.v. „Bischof”. Cf. bl. 3 en bl. 52 noot 2.
2) R. Rothe, Die Anfänge der christlichen Kirche und ihrer Verfassung, Wittenberg 1837, bl. 354.
3) F.C. Baur, Kirchengeschichte der drei ersten Jahrh., Tübingen 1863, bl. 270, 272, en „Epochen der christlichen Geschichtsschreibung” bl. 253 bij Dunin Burkowsky. Baur is Hegeliaan en zoo is te verstaan wat hij zegt: „Die Katholische Kirche in ihren sichtbaren Erscheinung ist die vollkommen adaequate reale Darstellung der Idee der Kirche.”
4) A. Ritschl, Die Entstehung der altkatholischen Kirche2 1857, bl. 410 v.v. Hij onderscheidt tusschen de ontwikkeling van het episcopaat in de Joodsch-christelijke Kerken, in de heiden-christelijke Kerken en het episcopaat als Kirchenamt.
5) J.B. Lightfoot, a.w bl. 196 v.v. neemt ook Klein-Azië als de bakermat van het monarchische episcopaat. Johannes zou gezien hebben, hoe gezegend de superioriteit van Jacobus (den 1en bisschop) werkte in Jeruzalem, en voerde dezelfde gedachte door in Klein-Azië (bl. 205). Evenwel: „the episcopate was formed not out of the apostolic order by localisation, but out of the presbyterial by elevetion”. (bl. 196).
6) N.C. Kist, Archief etc (a.w.) bl. 7.
7) K. Lechler, a.w. bl. 220 v.v

|187|

Kühl leidt het af, niet uit het presbyter-episcopen-college, maar uit combinatie van dezen kring met een kring van mannen, die als leeraars optraden, en daardoor in hoog aanzien stonden. Het snel en unvermittelt optreden kan hij niet verklaren uit een geregelden ontwikkelingsgang 1).

Loening betoogt, dat het monarchische episcopaat niet voortkomt uit de heidensche cultus-genootschappen, en ook niet uit de joodsch-synagogale gemeenten, maar, door eigen behoefte gedreven, hebben de gemeenten het in het leven geroepen. En wel langs twee wegen. Van Jeruzalem uit kwam het in Antiochië (dus van joodsch-christelijke herkomst) en wel in dien zin, dat de episcopen (als Jacobus en Symeon) vertegenwoordigers des Heeren waren. Buiten Palestina werd bestuursverandering noodig door het voortwoekeren der gnostische dwalingen, en daar golden de episcopen meer als opvolgers der apostelen, die de waarheid bewaarden 2).

Hilgenfeld ziet met Loening den oorsprong liggen in de joodsch-christelijke Kerken, en merkt in de Pastoraalbrieven reeds een drievoudige Abstufung van het ambt: den episcopos in het enkelvoud, 1 Tim. 3: 2; de presbyters, die naar het episcopaat mogen staan 1 Tim. 3: 1, 2, 5 en 5: 17; de diakenen, die presbyters kunnen worden 3).

Loofs stemt met Harnack in: „Der Bischof als oberster Kultus-Beambter ist die vor-katholische Vorstufe des katholischen Bischofs”. De verbinding van het κυβερνᾶν met leeren en bidden in de godsdienstoefening, zooals dit bij Clemens optreedt, is de overgang. Dit geldt nl. nog één bisschop in één gemeente. Het bisschoppelijk supremaat leidt hij met Harnack af van den


1) E. Kühl, a.w. bl 131 v.v. Hij spreekt van een ,,geradlinige Entwicklung auf den einen ἐπίσκοπος hin neben dem collegium der Presbyter-Episkopen” . . . . „Finden wir irgendwo neben jenem in sich geschlossenen Collegium der Presbyter einzelne Männer, die als specifische Lehrer der Gemeinde in besonderem Ansehen standen, so ist von vorneherein zu vermuthen, dasz in diesen die Vorläufer des monarchischen Episkopats zu sehen sind.”
2) E. Loening, a.w., bl. 138 v.v, 148 v.v.
3) A. Hilgenfeld, Gemeindeverfassung in der Bildungszeit der Katholischen Kirche, Zeitschr. f. Wissensch. Theol., bl. 314, 244.

|188|

overgang der functiën van de pneumatici op de administratieve ambtsdragers: „die Glut verfloh und die erstarrten Formen blieben” 1).

Ruibing zoekt de oorzaak in de behoefte aan één bewaarder van de authentieke traditie en aan één persoon in wiens hand de correspondentie was 2).

Hatch geeft een drietal oorzaken aan: de gelijktijdige organisaties van broederschappen in de Grieksche en Romeinsche wereld, den innerlijken toestand der gemeenten, die dringend leiding behoefden en de gewoonte door een Apostel te zijn geleid geweest 3).

Harnack wijst er in zijn analecten op Hatch op, dat de in het presbyter-college opgenomen episcopen, wijl zij ambtsdragers voor den cultus waren, in dat college de overhand verkregen; hoe daarna ’t presidium in handen kwam van één der presbyter-episcopen, en hoe zóó de weg werd gebaand tot het monarchische episcopaat 4). Later, na het vinden van de Didache, betoogt hij, dat, volgens Did. 15: 1, 2 aan de locale ambtsdragers de functiën werden overgedragen van de profeten en leeraars, en dat daardoor het episcopaat kwam op de lijn der Katholieke ontwikkeling: „die Inhaber des administrativen Amtes kamen schrittweise zu der Höhe über der Gemeinde hinauf, welche die berufsmassigen Lehrer der Christenheit kraft göttlicher Einsetzung von Anfang ab behauptet hatten” 5). In zijn laatste uiteenzettingen legt hij allen nadruk op de moeielijkheid van het probleem. Het staat voor hem vast, dat het monarchische episcopaat zich heeft ontwikkeld op den bodem van de organisatie der ambtsdragers voor den cultus en voorts werkt Harnack zijn meening in een vijftal punten uit: 1e. Waarschijnlijk kwam in de gemeenten na het wegvallen van apostelen, profeten en leeraars, een president op den voorgrond.


1) A. Loofs, a.w. bl. 652-657.
2) R. Ruibing, De jongste hypothesen over het ontstaan van het Episcopaat, Groningen, 1909, bl. 151, 152.
3) E. Hatch, a.w. bl. 79.
4) E. Hatch, bl. 236 v.v.
5) Harnack, „Die Lehre der zwölf Apostel”, bl. 153. Zie R. Seyerlen, a.w. bl. 241.

|189|

2e. Toen de eeredienst vaster vormen verkreeg , en de finantieele aangelegenheden uitbreiding ontvingen, kwam vanzelf de leiding in één hand. 3e. Het verkeer naar buiten vroeg om een representant (zooals Clemens in Rome). 4e. Sterke behoefte werd gevoeld aan de bewaring der leer tegenover de gnostieken. 5e. De bisschops-lijsten sedert het laatste kwartaal der tweede eeuw zouden een schrikkelijke vervalsching zijn, indien niet spoedig een primus inter pares ware opgestaan. Vooral legt Harnack er nadruk op, dat sedert de idee van Gesammtkirche, door de apostelen gerepresenteerd, op den achtergrond kwam, de souvereiniteit zich ging voortzetten in de plaatselijke Kerk, „denn der monarchische Bischof ist der Exponent der in sich geschlossenen und souveränen Einzelgemeinde” (type: Diotrefes, 3 Joh.: 1).

Eindelijk wijzen we nog op Sohm’s theorie. De uitsluitend charismatische organisatie van de Kerk berust eenerzijds op het bezit van de leergave, anderzijds op vrije erkenning en gehoorzaamheid. In dat charisma der leergave is ook begrepen het met de eucharistie verbonden bestuur van de liefdegaven. Eigenlijk is alleen de apostel of profeet de tot leeren begaafde, maar waar deze niet overal is, schept men zich in den bisschop een plaatselijke organisatie, die dan ook gekozen wordt uit de oudsten, omdat hij zijn plaats onder de leerende ambtsdragers moet hebben. Van een episcopencollege was geen sprake, want dit kan geen charisma hebben. Voor de Urchristenheid bestaan maar twee grootheden: de enkele geloovige en de geheele christenheid, de Kerk. Daarom is de organisatie van meet af er op aangelegd, wanneer ze rechtsvormen aanneemt, om monarchische aan te nemen. Er kan alleen van enkele bisschoppen sprake zijn. Van een recht op het bedienen van hun ambt kan niet worden gerept Maar wanordelijkheden schenen een rechtspositie noodig te maken. Doch dit was de revolutie tegen het urchristelijk beginsel. Clemens zette dit door, en zijn brief aan Corinthe veroorzaakt verandering in de gemeente van Rome, later in die van Corinthe. Zoo is de eucharistie de Urquell, Clemens de Urheber van het eenhoofdig episcopaat 2).


1) Verfassung und Recht, bl. 70 v.v.
2) R. Sohm, Kirchenrecht I, bl. 1-167.

|190|

Baur 1), v. Döllinger 2), Wernle 3), Knopf 4) e.a. vinden de beginselen van het eenhoofdig episcopaat reeds in het N. Testament. Bij voorkeur wordt dan gewezen op 1 Tim. 3: 2 en Tit. 1: 7, waar de ἐπίσκοπος in het enkelvoud wordt genoemd; op de plaats, die Timotheus en Titus innamen; op de houding, die Diotrefes aannam tegenover Johannes, waar hij de afgezanten der Apostelen niet wilde ontvangen (3 Joh. 9, 10), φιλοπρωτεύων, omdat hij de eerste wilde zijn in de gemeente, blijkbaar dus, omdat hij zich in zijn positie als episcoop wilde verzetten tegen de apostolische leiding; eindelijk op den ἄγγελος, die telkens genoemd wordt in de zeven gemeenten van KI. Azië.

Wat het eerste betreft, is duidelijk, dat bij het noemen der vereischten tot het opzienersambt, het singulare gebruikt wordt, om het generiek begrip aan te duiden (zie bl. 164). Met het oog op het tweede, moet opgemerkt, dat Timotheus en Titus volstrekt geen bisschoppen waren. Hun positie was uniek, en behoorde geheel bij het Apostolaat. Na den dood der apostelen kunnen zij niet meer voorkomen, wijl al hun autoriteit samenhing met de zending, die zij als apostolische missionairen, delegaten, ontvingen. Reeds hierom kunnen ze geen bisschoppen zijn, wijl er in den na-apostolischen tijd voorshands slechts sprake is van locale monarchische bisschoppen, nog niet van dezulken, die het supremaat hadden over gansche regiones. En Timotheus en Titus zouden dan


1) F.C. Baur, Das Christentum und die Kirche etc, bl. 275 zegt, dat in de Pastoraalbrieven de tendenz ligt naar het monarchische Episcopaat.
2) v. Döllinger, a.w. bl. 305 noemt als bisschoppen in het N. Testament de σύζυγος van Paulus, Fil. 4: 3; Archippus Col. 4: 7; Timotheus, Diotrefes, de ἄγγελος in Openb.
3) Wernle, a.w. bl. 284, zegt dat het tot de hoogere waardigheid kwam op drieërlei wijze: door de theorie der successie, reeds geformuleerd Clem. 42, terwijl diezelfde successie-gedachte zou worden aangetroffen 2 Tim. 1: 13; door de theorie, dat de Geest alleen aan het ambt gebonden is (Amtsgeist) en niet meer rust bij de gemeente, 2 Tim. 1: 6-14; 1 Tim. 1: 18; 4: 14; door de theorie der overbrenging van het O. Testamentische priesterdom op de Christelijke Kerk, in Clem. 40 ’t eerst uitgesproken. Wernle drijft sterk, dat Paulus de joodsche Kerkidee inbracht in de Christelijke Kerk, bl. 322.
4) Knopf, a.w. bl. 196. De Pastoraalbrieven leeren het monarchische episcopaat, dat ongeveer 100 in Azië is ontstaan.

|191|

in elk geval zijn geweest bisschoppen resp. niet van Efeze, maar van geheel Azië, niet van één plaats op Creta, maar van heel Creta! Iets wat zelfs in den na-apostolischen tijd nog niet kan worden gesteld 1). Aangaande het derde houde men in het oog, dat Johannes tegen het φιλοπρωτεύειν van Diotrefes ten sterkste getuigt, en waar blijkbaar de beginselen van het monarchische episcopaat zich in dezen hiërarchischen episcoop doen gelden, Johannes al de autoriteit van zijn apostolaat daar tegenover zet, niet onduidelijk dreigende met den ban. De kiemen worden dus aan het einde van den apostolischen tijd openbaar, maar dan nog strekt de hand van een der Apostelen zich uit, om de beginselen van misvorming uit te roeien 2). Met betrekking tot den ἄγγελος Op. 1: 20 zouden we niet willen denken met Vitringa aan een parallel met den „shelichai tsibbur”, den bode der synagoge, wijl die een ondergeschikte plaats bekleedde en ook hier de analogie met de synagoge te ver wordt doorgetrokken; evenmin aan een bode, die de brieven zal overbrengen, daar aan den engel een plaats in de gemeente wordt toegekend; noch ook aan de gemeente zelve, (dus de verpersoonlijkte geest der gemeente, of in reëelen zin, aan haar schutsengel), daar zulk een naams- of persoonsverwisseling bij het zenden van een brief wel allerminst te pas komt 3),


1) Zie Th. Zahn, Einleitung3, Dl. I, bl. 465: „Es erscheint undenkbar, dasz während der Jahre 70-170 ein Pseudopaulus den 1 Tm. und den Tt erdichtet haben sollte, in welchen das gesamte kirchliche Leben gröszerer Kreise unter den bestimmenden Einflusz einer persönlichen Kirchengewalt gestellt erscheint, welche zu seiner Zeit gar nicht existirte, und von deren Wirksamkeit in apostolischer Zeit die sonstigen ntl. Schriften kaum eine blasse Ahnung gewahren konnten”.
2) Harnack, Verfassung und Recht, bl. 48, 49, die den brief aan den Apostel ontzegt, ziet in den schrijver, den zich noemenden πρεσβύτερος, een superintendent, (vs. 10 getuigt anders wel van apostolisch gezag; en wel is het vreemd, dat tijdens het opkomen van het monarchische locaal-episcopaat tegelijk reeds een superintendent over een aantal gemeenten gebiedt!). In Diotrefes ziet Harnack blijkbaar niet een monarchischen bisschop, omdat hij Demetrius, vs. 12, een collega acht te zijn. Harnack ziet in het geval een voorbeeld van botsing tusschen de pneumatische universeele Missie-organisatie met de locale organisatie. Maar waar zou die missie-organisatie vandaan komen? Hoe veel eenvoudiger wordt alles, wanneer hier Apostel Johannes optreedt tegenover den aanmatigenden episcoop Diotrefes.
3) Zie voor de onderscheiden verklaringen B. Weiss in Meyer’s Kommentar, i.l.

|192|

maar eenvoudig de regeering der gemeente, vertegenwoordigd in hem die het adres is. Zonder dat nog aan een zweem van monarchische regeering behoeft te worden gedacht, kan toch worden aangenomen (zelfs indien men het boek der Openbaringen niet stelt in het laatste decennium der ie eeuw maar vroeger), dat reeds een der episcopen, bepaaldelijk de κοπιῶν ἐν λόγῳ καὶ διδασκαλίᾳ, op den voorgrond stond en als van zelf was aangewezen, om het apostolisch schrijven aan de gemeente over te brengen. De naam ἄγγελος voor ἐπίσκοπος, hoezeer hier alleen voorkomend, heeft, in verband met de hem hier gegeven opdracht, niets vreemds, maar spreekt duidelijk; niets wat hem boven anderen zou verheffen, maar wijst veeleer op dienstbetoon 1).

Vestigen we nu nog een oogenblik de aandacht op de na-apostolische litteratuur.

In de Didache wordt nog de geheele gemeente aangesproken, b.v. in 14 en 15; voorts treffen we aan twee vormen van dienst: voor heel de Kerk de apostelen, profeten en leeraars, 11-13; en voor de locale Kerk de episcopen en diakenen (meervoud!), door de gemeente te kiezen, opdat deze de functiën van de eersten overnemen. Evenwel geen woord wordt gerept van een éénhoofdige leiding.

Clemens’ brief teekent ons eenigszins meer geavanceerde toestanden. In de gemeente van Corinthe was de eenheid gebroken door personen, die hij ἀρχηγοὶ στάσεως noemt, 14: 1; 51: 1, die namelijk eenige presbyters uit hun ambt hadden ontzet, 44: 3. Die presbyters hadden een vast ambt, dat ook episcopaat heet, en leidden als zoodanig de diensten. Met groote kracht handhaaft Clemens de waardigheid van het ambt. Het moet alles in de gemeente toegaan naar de ordinantiën Gods, 40: 1. Hij haalt daarbij als voorbeeld aan het O. Testament, toen Hoogepriester,


1) Dr. H. Bavinck, Het Doctorenambt, Kampen 1899, bl. 16, 17: „Nog binnen de grenzen des N. Testaments treffen wij in de Klein-Aziatische gemeenten dezen toestand aan, dat onder de opzieners slechts één enkele met den dienst des Woords is belast; hij is de ἄγγελος, de gezant der gemeente, die van Godswege tot haar gezonden, haar te leeren en te leiden heeft, en voor haar geestelijken en zedelijken toestand verantwoordelijk is.”

|193|

priesters en levieten elk hun eigen diensten hadden. Voor het eerst worden de laïci hier tegenover den clerus geplaatst: 40: 5 τῷ γὰρ ἀρχιερεῖ ἴδιαι λειτουργίαι δεδομέναι εἰσίν, καὶ τοῖς ἱερεῦσιν ἴδιος ὁ τόπος προστέτακται, καὶ λευΐταις ἴδιαι διακονίαι ἐπίκεινται˙ ὁ λαϊκὸς ἄνθρωπος τοῖς λαϊκοῖς προστάγμασιν δέδεται. God zond Christus, Christus de apostelen, en de apostelen stelden de eerstelingen als bisschoppen en diakenen aan. Jes. 60: 17 wordt aangehaald om dit te staven, 42: 1, 4, 5. De apostelen wisten, dat er twist zou komen over den naam van het episcopaat. Daarom hebben ze maatregelen getroffen, dat na hun dood anderen (δεδοκιμασμένοι ἄνδρες) als hun opvolgers hun dienst zouden overnemen, 44 : 1 v.v. Uit een en ander blijkt, dat wel door Clemens het ambt hoog wordt verheven, dat ook met name de verwijzing naar het O. Testamentische priesterdom een gevaarlijke hiërarchische strekking heeft, maar dat niettemin in den brief, van Kerk tot Kerk gericht, geen sprake nog is van het monarchische episcopaat.

Op eens echter is het anders in de brieven van Ignatius, nog geen twintig jaren na die van Clemens geschreven. Daar treedt de bisschop in al zijn hoogheid op: b.v. ad Ef. 6: 1 καὶ ὅσον βλέπει τις σιγῶντα ἐπίσκοπον, πλειόνως αὐτὸν φογείσθω˙ πάντα γὰρ, ὃν πἐμπει ὁ οἰκοδεσπότης εἰσ ἰδίαν οἰκονομίαν, οὕτως δεῖ ἡμᾶς αὐτὸν δέχεσθαι, ὡς αὐτὸν τὸν πέμπψοντα. τὸν οὖν ἐπίσκοπον δῆλον ὅτι ὡς αὐτὸν τὸν κύριον δεῖ προσβλέπειν; ad Magnes 7: 1 ὥσπερ οὖν ὁ κύριος ἄνευ τοῦ πατρὸς οὐδὲν ἐποίησεν, ἡνωμένος ὣν, οὔτε δι᾽ ἑαυτοῦ οὔτε διὰ τῶν ἀποστόλων˙ οὕτως μηδὲ ὑμεῖς ἄνευ τοῦ ἐπισκόπου καὶ τῶν πρεσβυτέρων μηδὲν πράσσετε. cf. ad Ef. 3: 2. Zoo is dan Ignatius de eerste getuige van het eenhoofdige bisschoppelijk ambt, maar, gelijk Ritschl het uitdrukt, als Gemeinde-amt en nog niet als Kirchenamt, nog niet als voortzetting van het Apostolaat 1). En in zijn brief aan Rome maakt hij geen melding van een eenhoofdigen bisschop daar ter plaatse.

Polycarpus spreekt in zijn brief niet van episcopen en diakenen, maar van presbyters en diakenen: ad Filipp. 5, 6. Hij zelf


1) A. Ritschl, a.w. bl. 403, 404.
Zoo ook W. Ramsay, a.w. bl. 370, dat wel uit de Ignatianen blijkt de episcopale ontwikkeling, maar dat er geen sprake van is, dat de bisschoppen, althans in Azië, ex officio beschouwd werden als „supreme.”

|194|

noemt zich in den aanhef Πολύκαρπος καὶ οἱ σὺν αὐτῷ πρεσβύτεροι, wat kan, maar niet behoeft te beduiden, dat hij zelf monarchisch bisschop was. In de gemeente van Filippi, tot wie hij schrijft, richt hij zich niet aan één bisschop.

Barnabas vermeldt noch presbyters of episcopen, noch diakenen, en de gemeenten aan wie hij schrijft zijn autonoom: 21:4. ἑαυτῶν γίνεσθε νομοθέται ἀγαθοί. De διδάσκαλος, gelijk hij ook zichzelf noemt 1: 8, is in hooge eere.

In dezen brief, evenmin als in den Pastor van Hermas, wordt van het eenhoofdig episcopaat gewag gemaakt.

Hoewel het zoeken naar den oorsprong nog steeds blijft een tasten in het duister, zouden we toch het volgende durven vaststellen: 1e. Het monarchische episcopaat komt eerder voor in het Oosten dan in het Westen, nl. vóór het sterfjaar van Ignatius ± 113 wordt het aldaar gevonden, doch in Rome nog niet. — 2e. Aan joodsch-christelijke origine uit Palestina zouden we niet willen denken a. omdat de berichten aangaande Jacobus en Symeon, vooral van Hegesippus bij Eusebius, legendarisch zijn, en b. wijl betrekkelijk spoedig ook in het Westen dezelfde inrichting wordt aangetroffen en daar weer aan andere invloeden zou moeten worden gedacht, gelijk dan ook b.v. door Loening geschiedt. — 3e. De oorzaken dienen dus voor heel de Kerk ongeveer gelijk te zijn, en dan denken we vooral aan het ontbreken van de leiding der apostelen, een gemis, dat na hun sterven (welk sterven beduidde den overgang van het extra-ordinaire naar het ordinaire), zich sterk over heel de Kerk heeft moeten doen gevoelen. — 4e. Daarmede ging gepaard een sterke daling der geestelijke krachten, die zoo rijk zich hadden ontplooid; — de verbastering in Kerkregeering staat dan ook niet op zich zelf, maar houdt gelijken tred met verbastering in leer en leven. Moraliseering en legaliseering van het Evangelie gingen hand aan hand met snel opkomend ambtsformalisme. — 5e. Profetie en didascalie, eerst nog uitgeoefend door missionairen voor heel de Kerk, werden gebonden aan het ambt, en brachten dit, in aanmerking genomen het hooge aanzien, dat profeten en leeraars genoten, tot onevenredige hoogheid tegenover het algemeen priesterschap der geloovigen. — 6e. De ἄγγελος der gemeente kreeg waarschijnlijk praesidiale waardigheid,

|195|

die spoedig in aristocratische en autoritatieve overhoogheid ontaardde. — 7e. Door het opkomen der gnostische dwalingen werd de vraag naar de ware leer krachtig op den voorgrond gedrongen, en behoefte gevoeld aan een leerbewaarder en vraagbaak en autoriteit, die men het liefst in één persoon belichaamd zag, waardoor de weg werd gebaand naar het bezit van het charisma veritatis 1).


1) Zie o.a. Dr. H. Bavinck, Ger. Dogm. IV, bl. 82-86.