189-197

|189|

9b Kerkelijke geschillen; de burgerlijke rechter en geloofskwesties

A.H. Santing-Wubs

 

 

9b.1 Inleiding

Het zal geen verbazing wekken dat kerkelijke geschillen te maken kunnen hebben met verschil van inzicht op het gebied van het geloof. De burgerlijke rechter zal zich echter over geloofskwesties niet uitlaten. Van Lennep zei hierover reeds in 1909:

Slechts het geloofsoog kan uitmaken of eene verandering in de belijdenis van eenen Kerk verkeerd dan wel noodzakelijk is. Op het gebied van het recht hebben wij dezen factor dan ook in het geheel niet in aanmerking te nemen, maar slechts te onderzoeken of formeel, voor het uiterlijke, wijziging in overeenstemming is met de daaromtrent geldende bepalingen. Voor het recht geldt niet de vraag: ‘Is de verandering overeenkomstig Gods wil?’, maar: ‘Strijdt de wijziging niet met eenig wettelijk of statutair voorschrift?’ Bij elk kerkgenootschap zal men hieromtrent tot eene verschillende beslissing kunnen komen.1


1 L.H. van Lennep, De rechtskracht van de verordeningen der christelijke kerkgenootschappen, diss. Leiden, Haarlem 1909, p. 201. Vgl. B.P. Vermeulen, Artikel 6, in: A.K. Koekkoek (red.), De Grondwet. Een systematisch en artikelsgewijs commentaar, Deventer 2000, p. 97. Vermeulen heeft het daar over ‘interpretatieve terughoudendheid’: de gelovige geeft in beginsel zélf aan hoe hij (het belijden van) zijn geloof dient in te vullen, dit is niet aan buitenstaanders (waaronder de burgerlijke rechter).

|190|

In de jurisprudentie zien we het standpunt dat de burgerlijke rechter zich niet uitspreekt over geloofskwesties herhaaldelijk terugkomen.2 In dit verband is de uitspraak van de Hoge Raad inzake de kerkscheuring binnen de Gereformeerde Kerk van Hasselt bekend geworden.3

De casus luidt als volgt: de meerderheid van de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Hasselt heeft het besluit genomen uit het synodale verband te treden. De kerk die binnen het synodale verband van de Gereformeerde Kerken is gebleven, stelt dat degenen die zijn uitgetreden een nieuwe kerk vormen. De Gereformeerde Kerk (synodaal) vordert derhalve in rechte ontruiming van het kerk- en schoolgebouw door de uitgetreden groep, te weten de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). Laatstgenoemde kerk stelt echter dat zij de voortzetting is van de oorspronkelijke Gereformeerde Kerk en daarmee eigenares van genoemde gebouwen.

De rechtbank ontzegt eiseres (Gereformeerde Kerk synodaal) de vordering, waarop deze in hoger beroep gaat.

In een van de grieven wordt aangevoerd, dat de rechtbank heeft miskend dat er een theologische gebondenheid van de plaatselijke gemeente bestaat: de Gereformeerde Kerken vormen volgens de Gereformeerde Kerk (synodaal) een


2 Zonder hier uitputtend te zijn, verwijs ik in dit verband naar de volgende uitspraken: Rb. Maastricht 30 mei 1930, NJ 1930, p. 1499 (ontslagen priester); Hof ’s-Gravenhage 31 oktober 1938, NJ 1939, 201 (scheuring Oud Gereformeerde Gemeente Scheveningen); Pres. Rb. Maastricht 20 oktober 1945, NJ 1944/45, 746 (scheuring Gereformeerde Kerk Maastricht); Hof Amsterdam 15 november 1945, NJ 1946, 157 (scheuring Gereformeerde Kerk Krommenie); HR 23 januari 1948, NJ 1948, 432 (scheuring Gereformeerde Kerk Vleuten-De Meern); Hof Amsterdam 24 juni 1948, NJ 1948, 569 (scheuring Gereformeerde Kerk Eemdijk); Hof Arnhem 10 januari 1950, NJ 1950, 539 (scheuring Gereformeerde Kerk Daarlerveen); HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt); Hof ’s-Gravenhage 28 november 1958, NJ 1960, 7 (scheuring Gereformeerde Gemeente Berkenwoude); Pres. Rb. Haarlem 17 februari 1989, KG 1989, 134 (joods-kerkelijke echtscheiding); Hof ’s-Hertogenbosch 22 december 1989, NJ 1990, 487 (beëindiging beheer moskee); Rb. Groningen 5 maart 1993, NJ 1994, 417 (scheuring Gereformeerde Kerk Boerakker); HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330 (EAA) (Van Asseldonk c.s./Bisschop Ter Schure); Pres. Rb. Zwolle 10 december 1998, KG nr. 43562/KG ZA 98-416 en 43564/KG ZA 98-417, ongepubliceerd (geschil moskee Zwolle); HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (World Islamic Mission).
3 HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt). Zie over dit arrest o.a.: L. Roeleveld, Gereformeerde kerken in het privaatrecht, Zeist 1958, p. 9 e.v.; Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 56 e.v.; H.J. van Eikema Hommes, De transcendentaal-empirische methode, haar betekenis voor de juridische vakwetenschappen, in: Ars Aequi 28 (1979) n, p. 91/727; J.W. van Ee, ‘Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel’, WPNR 6245 (1996), p. 827-833.

|191|

theologisch geheel welke in stand wordt gehouden door gezamenlijk overleg op synodaal niveau over theologische geschilpunten. De plaatselijke kerk zou gebonden zijn aan de uitspraken van de synode daarover. Wanneer de plaatselijke kerkenraad van mening is dat er sprake is van een valse leer en zich vervolgens uit die theologische eenheid losmaakt, is er volgens appellante sprake van kerkverandering.

Het hof acht het nodig dat er omtrent deze problematiek duidelijkheid wordt verschaft door deskundigen. Volgens de ingeschakelde deskundigen is uittreding uit het verband in beginsel mogelijk: er bestaat slechts een beperkte theologische gebondenheid van de plaatselijke kerk aan het verband. Het hof neemt dit oordeel over.

De deskundigen hadden tevens het ‘gevoelen geuit’ dat een vermoeden ten voordele van het verband behoorde te worden erkend bij de vraag of een kerkenraad van een plaatselijke kerk slechts tot losmaking bevoegd kon worden geacht. In die zin, dat die kerkenraad alleen bevoegd was tot losmaking wanneer deze aantoonde dat het verband inderdaad van de grondslag was afgeweken of de kerkorde had geschonden.

Het hof meent echter dat de burgerlijke rechter niet in alle gevallen bevoegd zal zijn om zich over de zaak uit te spreken:

- dat echter naar het oordeel van het Hof dit vermoeden voor de burgerlijke rechter alleen dan kan worden ingeroepen, wanneer het aan deze vrij staat over de vraag, waaromtrent pp. van mening verschillen, een oordeel uit te spreken en voor de betrokken kerkenraad dus in beginsel de mogelijkheid bestaat het vermoeden te ontzenuwen, zoals het geval kan zijn bij een beweerdelijke schending van de Kerken-orde (romein ahsw);
- dat het vermoeden derhalve in rechte niet van kracht kan zijn in die gevallen, waarin het, gelijk ten deze, gaat om de vraag, of het Verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap, t.w. de Drie Formulieren van Enigheid, is afgeweken, aangezien de beantwoording van deze vraag — behoudens in gevallen van willekeur of kwade trouw — niet ter kennisneming staat van de burgerlijke rechter, wie het niet vrijstaat over dogmatische en theologische twistvragen te oordelen (romein ahsw).

Allereerst overweegt het hof hier dat de burgerlijke rechter vrij is om zich uit te spreken over een gestelde schending van de kerkorde. Voorts zien we dat dat niet het geval is wanneer het gaat om dogmatische en theologische kwesties, behoudens wanneer er sprake is van willekeur of kwade trouw.

|192|

Het hof komt tot de conclusie dat de kerkenraad van de plaatselijke kerk bevoegd is onder omstandigheden een besluit tot uittreding uit het synodale verband te nemen, tenzij er hierbij sprake is van willekeur of kwade trouw. Het hof overweegt dat dat laatste niet is aangevoerd door appellante en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

De Gereformeerde Kerk (synodaal) gaat in cassatie. Zij voert onder andere aan, dat het hof wél tot taak had om te onderzoeken of het verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap was afgeweken. De Hoge Raad overweegt echter onder verwijzing naar de artikelen 181 t/m 183 van de Grondwet4 en artikel 1 van de Wet op de kerkgenootschappen:

...dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat.

Het cassatieberoep wordt vervolgens verworpen.

 

9b.2 Kanttekeningen bij ‘Hasselt’

Hoewel het hierboven behandelde arrest op het eerste gezicht de heldere regel lijkt te geven dat de burgerlijke rechter zich niet uitlaat over geloofskwesties, valt daarbij toch wel een kanttekening te plaatsen. Het is niet eenvoudig om hier duidelijke grenzen te trekken: wanneer is er sprake van ‘dogmatische en theologische twistvragen’?

Roeleveld5 benadrukt dat het gaat om ‘zuivere geloofskwesties’. Hij leidt uit het Hasselt-arrest af dat de burgerlijke rechter zich niet dient uit te spreken over


4 De artikelen 181 t/m 183 Grondwet luidden:
Ieder belijdt zijn godsdienstige meningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.
De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleden van waardigheden, ambten en bedieningen.’
5 Roeleveld, a.w., p. 10.

|193|

zuivere geloofsvragen. Direct volgt daarop de nuancering dat een absolute scheiding tussen recht en geloof niet mogelijk is: de ‘sferen’ overlappen elkaar. Roeleveld wil de burgerlijke rechter naar aanleiding van het Hasselt-arrest niet al te snel buiten spel zetten: hij stelt dat indien een gereformeerde synode een leeruitspraak doet die regelrecht in strijd komt met de voor ieder duidelijke woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis,6 de rechter deze uitspraak voor nietig zal moeten houden.

Dit kan mijns inziens niet als uitgangspunt dienen. Geen van de kerken ontkomt er uiteindelijk aan dat in een periode van jaren, decennia of zelfs eeuwen bepaalde inzichten over de interpretatie van de Bijbel en daarmee ook dogma’s veranderen. Van de burgerlijke rechter kan men onmogelijk verwachten dat deze een oordeel velt over de vraag wanneer er in dat verband een (uiterste) grens is overschreden. Overigens zij opgemerkt dat in het Hasselt-arrest het hof — en mijns inziens ook terecht — nu juist van oordeel is dat het géén uitspraak mag doen over de vraag of het kerkverband van de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’ is afgeweken, behalve wanneer er sprake zou zijn van ‘willekeur of kwade trouw’.

Oldenhuis meent dat het onderscheid tussen rechtsvragen en geloofsvragen niet juist is, omdat naar zijn opvatting geloofsvragen uit kunnen groeien tot rechtsvragen, die de burgerlijke rechter kan beoordelen aan de hand van het kerkrecht.7

Van Ee, die zich tegen genoemde opvattingen van Roeleveld en Oldenhuis keert,8 maakt onderscheid tussen enerzijds vragen betreffende de juridische organisatie (dus rechtsvragen) waarover de burgerlijke rechter kan oordelen, en


6 Roeleveld ziet de Nederlandse Geloofsbelijdenis als kerkrecht. (De Nederlandse geloofsbelijdenis behoort tot de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’, die door diverse — maar niet alle — protestantse kerkgenootschappen worden onderschreven. De overige twee formulieren zijn de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse leerregels.) Hij staaft deze bewering door te verwijzen naar art. 53 van de kerkorde (Gereformeerde Kerk vrijgemaakt) waarin onder andere de ‘drie formulieren van enigheid’ als bindend worden verklaard (Roeleveld, a.w., p. 10 en 15-16). Op zich is dat laatste mijns inziens geen reden om de formulieren zelf tot het kerkrecht te rekenen. In deze formulieren wordt een uitleg gegeven van de Bijbel, er is ooit systematisch in vastgelegd wat men (formeel) gelooft. (Vgl. het Rapport voor de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Om de eenheid en heelheid van de kerk’ van 16 maart 2001, p. 13, waarin wordt betoogd dat de belijdenisgeschriften niet fungeren als juridisch statuut.)
7 F.T. Oldenhuis, Rechtsvinding van de burgerlijke rechter in kerkelijke conflicten, Groningen 1977, p. 64 en 73.
8 Van Ee, a.w., p. 830-831.

|194|

anderzijds geloofsvragen waarover deze niet kan oordelen.9 Dit onderscheid is niet nieuw: in het Hasselt-arrest werd het ook gemaakt.

Volgens Van Ee bestaat het gevaar dat partijen hun conflict als zijnde een godsdienstige kwestie presenteren, zodat het geschil ‘juridisch onbeheersbaar’ wordt gemaakt.10 Dit probleem zou niet bestaan indien een geloofsvraag door het kerkgenootschap wordt geformuleerd als rechtsregel.11

Mijns inziens is het onaanvaardbaar en onjuist dat een kerkgenootschap, wil het er zeker van zijn dat de (door de leden) aangehangen geloofsstandpunten worden gerespecteerd door de rechter, deze als rechtsregels zou moeten opnemen in het statuut.

In de praktijk zal dit overigens lang niet altijd mogelijk zijn: niet alle geloofsinzichten laten zich als rechtsregel formuleren. Bovendien meen ik dat het statuut niet bedoeld is om allerlei geloofswaarheden in op te nemen: het uitgangspunt dient te zijn dat er in het statuut ‘bepalingen van inrichting en bestuur’ worden opgenomen.12 Een ander groot nadeel dat dit zou meebrengen


9 Van Ee, a.w., p. 830 en 832. Van Ee gaat in dit artikel tevens in tegen het standpunt van Oldenhuis over conflicten rond geloofsvragen die kunnen leiden tot een kerkscheuring. Oldenhuis stelt daaromtrent: ‘Indien de rechter de rechtsvragen die partijen verdeeld houden — wie de voortzetting van de ongedeelde kerk is en aan wie derhalve de kerkelijke goederen behoren — niet kan beoordelen zonder te treden in een beoordeling van de geloofsvragen, dan is het niet juist dat de rechter bij de oplossing van de rechtsvraag gebruik maakt van de zogenaamde meerderheidsregel en de vertegenwoordigingsgedachte, die daaraan ten grondslag ligt. Indien de aloude ongedeelde kerk in twee groepen uiteen is gevallen om zuivere geloofskwesties, terwijl beide groepen pretenderen de voortzetting te zijn van de ongedeelde kerk, behoren de kerkelijke goederen in dat geval aan beide en moeten worden verdeeld naar verhouding van het ledental, waaruit beide groepen bestaan ten tijde van de kerkbreuk.’ (Oldenhuis, a.w., p. 73-74). Van Ee ziet niet in waarom bij aanspraken op de kerkelijke goederen na een scheuring het statuut de doorslag geeft als geloofsvragen uitgroeien tot rechtsvragen, en waarom bij echte geloofskwesties verdeling geboden is (Van Ee, a.w., p. 831).
10 Van Ee, a.w., p. 830. Deze veronderstelling wordt overigens niet gestaafd door de beschikbare jurisprudentie. Zie bijv. HR 22 februari 1974, NJ 1977, 219 en HR 5 november 1976, NJ 1977, 221, (GJS) (Katwijker arrest). Partijen hadden kunnen stellen dat het om een geloofskwestie ging, maar dat is niet gebeurd: men had belang bij een rechterlijke uitspraak omdat men het niet eens kon worden over een verdeling van de kerkelijke goederen. Zie ook Diepenhorst, NJB 1978 nr. 28, p. 583: ‘(...) het ‘bodemgeschil’ betreft slag op slag geloofsvragen (...)’
11 Van Ee, a.w., p. 829 en 830. Als voorbeeld haalt de schrijver hier c. 1024 van de CIC aan, waarin wordt bepaald dat alleen gedoopte mannen als priester kunnen worden gewijd.
12 Zoals destijds aangeduid in art. 1 van de Wet op de kerkgenootschappen 1853.

|195|

is, dat het de helderheid van het statuut bepaald niet ten goede zal komen.13

Het ligt zonder meer voor de hand, dat de burgerlijke rechter altijd zal proberen het probleem ‘juridisch beheersbaar’ te maken door aanknopingspunten te zoeken bij het statuut.

Voor de gevallen waarin door de burgerlijke rechter vastgesteld moet worden óf het daadwerkelijk om een geloofskwestie gaat, komt Van Ee met de oplossing van de marginale toetsing:

Een gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis kan niet als zodanig worden aangemerkt tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar niet als een vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.14

Ik wijs erop, dat hier de marginale toetsing vanuit een ‘negatief’ uitgangspunt wordt verwoord. Van Ee merkt zelf dan ook al op dat een dergelijke marginale toetsing het kerkgenootschap een kleine speelruimte geeft. Hij meent dat dat terecht is ‘omdat uit godsdienstwetenschappelijk oogpunt vrijwel alles als godsdienstig fenomeen kan worden beschouwd’.15

Mijns inziens biedt dat echter niet voldoende reden om, in geval van een kerkelijk geschil, bij voorbaat de ruimte — met name de vrijheid van godsdienst — van kerkgenootschappen te beperken. Derhalve meen ik dat hier wel een marginale toetsing kan worden toegepast, maar dat de formulering van Van Ee aldus dient te worden gewijzigd:


13 Aan het eind van zijn artikel noemt Van Ee ook zelf het belang van een helder geformuleerd statuut dat niet gelardeerd is met theologische uitspraken (Van Ee, a.w., p. 832-833). Op p. 829 merkt Van Ee overigens terecht al op: ‘Een kerkelijk statuut, geformuleerd en geïnterpreteerd als religieuze tekst is dan ook niet geschikt voor zijn taak. Het statuut is een juridische tekst en de achterliggende religieuze en theologische noties veranderen dat niet, ondanks de vaak aanwezige theologische legitimering.’
14 Van Ee, a.w., p. 832. De schrijver verwijst in dit verband naar het arrest HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107 (processieverbod Geertruidenberg), waarin door de Hoge Raad wordt overwogen dat hier niet gesteld kan worden dat de grondwetgever van 1848 heeft gekozen voor een maatstaf (te weten een beperking van de vrijheid van openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen tot die plaatselijke gemeenten waar deze destijds gebruikelijk en toegelaten waren) ‘waarvan onvoorstelbaar zou moeten heten dat deze door een redelijk wetgever die gesteld wordt voor de noodzaak het houden van dergelijke godsdienstoefeningen ter bescherming van de openbare orde te beperken, gedaan zou kunnen worden (...)’.
15 Van Ee, a.w., p. 832. Het is natuurlijk de vraag of de burgerlijke rechter per definitie dat ‘godsdienstwetenschappelijk oogpunt’ heeft te volgen.

|196|

een in verband met een kerkelijk geschil gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis wordt als zodanig aangemerkt, tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar als vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.

De rechter zal evenwel beginnen met het toetsen aan de hand van andere aanknopingspunten. Een voorbeeld daarvan zien we in een zaak waarin een onder tucht gesteld gemeentelid de tuchtmaatregelen aanvecht voor de burgerlijke rechter.16 Het hof overweegt:

De Gereformeerde Gemeente voert met juistheid aan dat de vraag of onderhavige tuchtmaatregelen al dan niet terecht zijn genomen, beoordeeld dient te worden aan de hand van binnen het betreffende kerkgenootschap aangehangen godsdienstige opvattingen en normen. Naar het voorlopig oordeel van het hof sluit dit evenwel niet uit dat de burgerlijke rechter in een geschil waarin de eiser vraagt om in een burgerlijk recht beschermd te worden, toetst of bij dergelijke besluiten van kerkgenootschappen geen sprake is van willekeur of kwade trouw dan wel of de regels ten aanzien van de wijze van totstandkoming van besluiten niet zijn geschonden.

De burgerlijke rechter dient zich bij de toetsing niet direct te richten op eventuele geloofskwesties die bij het geschil een rol spelen, maar zal eerst moeten kijken naar hetgeen hij wél kan toetsen. Op het moment dat de zaak zover is ‘afgepeld’ dat hij uiteindelijk op een geloofskwestie stuit, dient de rechter zich daar niet over uit te spreken.17

Bij ‘hetgeen hij wél kan toetsen’, ligt — mede op grond van art. 2:2 lid 2 BW — het statuut het meest voor de hand.18 In dit artikel wordt immers bepaald dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut, voorzover dit niet in strijd is met de wet.19 Aangenomen mag worden, dat organen van


16 Hof Arnhem 14 september 1993, rolnr. 92/142 KG, ongepubliceerd (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Gemeente).
17 Zie in gelijke zin: G.J. Scholten, Kerkscheuring en kerksplitsing, in: red. H. Franken e.a., Ad Personam (Enschedé-bundel), Zwolle 1981, p. 307-308.
18 Zie ook het standpunt van het hof in het hiervoor behandelde Hasselt-arrest.
19 Zie over ‘strijd met de wet’ ook: A.H. Santing-Wubs, Kerken in geding, diss. Groningen, ’s-Gravenhage 2002, p. 33-52.

|197|

rechtspersonen, dus ook kerkgenootschappen, zich ten minste dienen te houden aan de bepalingen van hun eigen statuut.20

 

9b.3 Conclusie

De burgerlijke rechter laat zich niet uit over geloofskwesties. In welke mate die in een concreet geval het geschil beheersen, is op het eerste gezicht niet altijd duidelijk.

Als uitgangspunten zou ik willen hanteren dat de burgerlijke rechter bij een kerkelijk geschil allereerst toetst aan de hand van het statuut: in beginsel moet dat dermate helder zijn geformuleerd dat dit uitkomst kan bieden. Dit statuut mag, zoals reeds opgemerkt, niet in strijd zijn met de wet.

Voorts kan de wijze van totstandkoming van besluiten (c.q. uitspraken) aan fundamentele beginselen worden getoetst.21

Betreft het een beleidskwestie — waarbij het kerkelijk orgaan een discretionaire bevoegdheid heeft — dan dient de burgerlijke rechter marginaal te toetsen.

Gaat het geschil over de uitleg van Bijbel of belijdenisgeschriften, dus om de invulling van het geloof, dan moet de rechter zich daaromtrent van een oordeel onthouden.

Is dat laatste niet geheel duidelijk, dan kan marginale toetsing óf het hier in casu om een (gestelde) geloofskwestie gaat, een hulpmiddel zijn.


20 Zie bijv. H.J. van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie en de materiële indelingen van publiek- en privaatrecht, Zwolle 1983, p. 101; vgl. G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, Deventer 1999, p. 97. Zie uitgebreider over aanknopingspunten voor de toetsing: Santing-Wubs, a.w., p. 195-231.
21 Hieronder worden in dit verband bijvoorbeeld fundamentele beginselen van procesrecht en normen van redelijkheid en billijkheid begrepen.